Waarom offerdienst in de nieuwe tempel?

Profetisch Woord | Feesten en offers Tekst, Ton Stier

VRAAG

Zoals omschreven in het artikel ‘Jom Kippoer en het volmaakte offer’ is Christus de vervulling van de offerdiensten uit het Oude Testament (zie Hebreeën 10). Hij is het Volmaakte Offer, de nieuwe levende Weg waardoor wij het heiligdom kunnen binnengaan. In Ezechiël 40 t/m 46 staat heel uitgebreid een tempel beschreven, met precieze afmetingen, etc.. Opmerkelijk daaraan is dat het lijkt dat deze tempel nog niet gebouwd is en dat de Heere zegt dat Hij daar onder de Israëlieten zal wonen tot in eeuwigheid (43:7). Ik worstel ermee dat in deze toekomstige tempel nog allerlei offers worden gebracht terwijl Jezus toch het Ene Volmaakte Offer is?

Als de Samaritaanse vrouw aan Jezus vraagt of God in Jeruzalem aanbeden moet worden, antwoordt Hij: “Maar de tijd komt en is nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden. God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waar- heid” (Joh. 4:23, 24). In 1 Kor. 6:19 staat dat ons lichaam een tempel van de Heilige Geest is;
Ook Jezus noemt Zijn lichaam een tempel (Joh. 2:19-21). Op grond van het voorgaande wordt de tempel uit Ezechiël vaak geestelijk verklaard, maar dan begrijp ik niet waarom alle afmetingen zo nauwkeurig zijn weergegeven en waarom al die offers zijn vermeld. Hoe moet ik die tempel nu zien?

ANTWOORD

Het is altijd verleidelijk om moeilijke of met elkaar in tegenspraak lijkende Schriftgedeelten geestelijk te verklaren. Toch moeten we ook dan niet afgaan op eigen
‘creativiteit’, maar de Schrift doorvorsen totdat we het antwoord vinden. En vinden we het antwoord niet, dan is de tijd daarvoor kennelijk nog niet rijp.

Het begrip ‘tempel’

Laten we eerst kijken naar het begrip ‘tempel’ dat in genoemde Schriftplaatsen niet steeds exact dezelfde betekenis heeft. In Ezechiël is het een tempel, die als zichtbaar en tastbaar gebouwencomplex wordt omschre- ven. De afmetingen worden immers expliciet vermeld. Maar als Paulus leert dat we als gelovigen worden ‘mede- gebouwd tot een heilige tempel’, dan heeft die tempel wel de betekenis van Gods woonplaats, maar niet van een fysiek, zichtbaar gebouw. Het is namelijk een woning van God in de Geest (Ef. 2:20-22). Sluit de ene betekenis van ‘tempel’, de andere uit? Nee, want zoals de vraagsteller terecht constateert, ook ons lichaam is een tempel, namelijk van de Heilige Geest. Meerdere betekenissen van het woord ‘tempel’ kunnen dus naast elkaar bestaan, hoewel de grondbetekenis ‘woning van God’ dezelfde is. Toen de Heere Jezus sprak over Zijn lichaam als tempel die zou worden afgebroken en na drie dagen zou herrijzen, leidde dat tot verwarring. Men meende dat Hij over het tempelcomplex sprak. Pas toen de Heere uit de doden was opgewekt, begrepen Zijn discipelen dat Hij over de tempel van Zijn lichaam had gesproken (Joh. 2:19-21). Een voor- beeld van hoe een onbegrijpelijke uitspraak van de Heere uiteindelijk vanzelf op zijn plaats valt.


Het is verder van belang om niet alleen de betekenissen van het begrip ‘tempel’ vanuit hun verschillende context te onderscheiden, maar ook de tijden waarop deze betrekking hebben. In Zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw, kondigt de Heere Jezus een nieuwe fase aan: “Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden” (Joh. 4:21). Verklaart de Heere Jezus daarmee dat de profetieën over de Tempel- berg als aanbiddingsplaats van de volken1, niet meer letterlijk genomen kunnen worden? Nee, zeker niet. Denk aan de bekende woorden van Jesaja 2: “Het zal in het laatste der dagen geschieden dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan als de hoogste van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen. Vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob; dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen, en zullen wij Zijn paden bewandelen”.


Merk op dat deze profetie begint met een duidelijke tijdsbepaling: ‘in het laatste der dagen’, een uitdrukking die hier betrekking heeft op de tijd van Christus’ wederkomst. Is dat in strijd met de woorden van de Heere Jezus: “de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden”? Nee, want nog los van het feit dat de tempel in 70 na Chr. werd verwoest2, is tussen Jezus’ hemelvaart en wederkomst alleen het hemels heiligdom de plaats om de Heere te ontmoeten (Hebr. 10:19-22).

De toekomstige tempeldienst

Zowel de Levitische offers onder het oude verbond, als de toekomstige offers in het Messiaanse vrederijk, zijn slechts schaduwbeelden. De eerste waren ‘een schaduw van toekomstige heilsgoederen’ (Hebr. 10:1), de tweede zijn een schaduw van voltooide heilsgoederen. Vergelijk de ochtend- en de avondzon die achtereenvolgens aan de voor- en aan de achterzijde van een object haar schaduw werpt. Het feit dat in de nieuwe tempel Christus’ troon zal staan en Hij daar in Zijn volle heerlijkheid onder Zijn volk zal wonen (Ezech. 43:4-7; 44:4), vereist een grondig onderricht over Zijn heiligheid. Ook zullen Israël en de volken (dan nog nauwelijks bekend met het evangelie) zich gaandeweg een begrip kunnen vormen van de prijs die Christus betaalde om hen het zegenrijke vrederijk te kunnen doen binnengaan. Verder zal ook het verband duidelijk worden tussen de Levitische offerdienst en de vervulling in het volbrachte werk van Israëls Messias op Golgotha. Een verband dat tenminste 2000 jaar lang door Israël is ontkend geweest en daarom alsnog door de Heere verklaard zal worden. De offers zullen daarbij als een soort ‘objectles’ fungeren. Er zal verband zijn tussen wat men ziet (evenals de hele Tabernakel van Christus getuigt) en de inzettingen die onderhouden moeten worden. “Als zij zich dan schamen vanwege alles wat zij gedaan hebben, maak hun dan bekend de vorm van het huis, de inrichting ervan, de uitgangen ervan en de ingangen ervan, ja, alle vormen ervan, met alle bijbehorende verorde- ningen, alle bijbehorende vormen en alle bijbehorende wetten, en schrijf dat voor hun ogen op, zodat zij heel de vorm ervan met alle bijbehorende verordeningen in acht nemen en die houden. Dit is de wet voor het huis; op de top van de berg is heel het gebied ervan helemaal rondom allerheiligst. Zie, dit is de wet van het huis” (Ezech. 43:11, 12). Waaruit die verordeningen o.a. bestaan, lezen we in het vervolg van het hoofdstuk, namelijk het altaar met zijn offerdienst. Hoe het volk voor de uitoefening van zijn roeping geheiligd wordt (45:17), herkennen we in de wonderlijke roeping van Jesaja. Evenals Ezechiël (44:4) mag hij de Koning, de HEERE der Heerscharen, in Zijn toekomstige tempel aanschouwen en wordt hij in de geest naar de tijd verplaatst dat ‘de aarde vol van Zijn heerlijkheid’ (Jes. 6:1-7). Daartoe moesten echter eerst zijn lippen met een kool van het altaar worden gerei- nigd (Jes. 6:6). Bedenk namelijk dat het hier sterfelijke mensen betreft die nog geen verheerlijkt lichaam hebben, in tegenstelling tot de Gemeente, die straks, in een verheerlijkt lichaam, tot Christus vergaderd zal worden (Fil. 3:20,21). Onderscheid tussen rein en onrein zal daarom een belang- rijk thema van onderricht moeten zijn. “Zij (de priesters) moeten Mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en onheilig, en hun het onderscheid laten weten tussen onrein en rein” (44:23, zie ook 42:20). En inderdaad, daarbij vloeit dierlijk bloed (Ezech. 43:18-27), waarvan de feitelijk waarde natuurlijk alleen door Christus’ bloed verzilverd wordt.


Overigens, kijken ook wij bij de tekenen van brood en wijn niet terug op Christus’ volbrachte werk?
Hoeveel te meer in de stad van de grote Koning, die dan wordt genoemd: JHWH Sjammah, DE HEERE IS ALDAAR (Ezech. 48:35).

Voetnoten:
1. zie o.a. Ps. 2:6; 24:3; 48:2; Jes. 2:2-4; 11:9; 25:10; 27:13; 56:7; 65:25; Jer. 3:17; Ezech. 11:23; Micha 4:1-3; Zach. 8:3.
2. Overigens ook tijdens Jezus’ rondwandeling op aarde, was de tempel al gedegradeerd van ‘een bedehuis voor alle volken’ tot een ‘rovershol’ (Mark. 11:17, 18).

Sluiten