Wormpje Jakobs bevorderd tot heerlijkheid

Oud Testament Tekst, Ton Stier

Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israëls! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige Israëls!” (Jes. 41:14).
In Jesaja 41 spreekt de Heere Zijn volk aan met ‘wormpje Jakobs’ en ‘volkje Israëls’. Is dat kleinerend bedoeld, of gaat er een diepere betekenis achter schuil?

‘Wormpje Jakobs’ is niet de meest flatteuze omschrijving die de Heere hier voor Zijn volk gebruikt. Een volk dat toch op zoveel fronten een unieke bijdrage aan de wereldgemeenschap heeft geleverd. Denk alleen maar aan het aantal Nobelprijzen die Joden ontvingen. Behalve Einstein vielen vanaf 1901 maar liefst ruim 150 Joodse wetenschappers deze eer te beurt. Ongelooflijk, een volk dat niet meer dan een kwart procent van de totale wereldbevolking bedraagt, kreeg 20 procent van de meest prestigieuze wereldprijzen uitgeloofd. Maar..., als we toch bezig zijn om alles in perspectief te zetten, hoe geringschattend het begrip ‘wormpje’ ook mag klinken, de Heere spreekt over de volken als een “druppel aan een emmer en een stofje aan de weegschaal” (Jes. 40:15). Natuurlijk ligt er een veel diepere betekenis in de begrippen ‘wormpje’ en ‘volkje’ opgesloten. De Heere zegt in Deuteronomium 7:7,8 dat Hij Israël niet verkoren heeft vanwege haar talrijkheid boven de andere volken, maar omdat Hij het volk liefhad. Is het u wel eens opgevallen dat God Zijn liefde nooit verklaart in termen van oorzaak en gevolg zoals wij mensen doen? Wij hebben lief omdat..., maar God is liefde. Liefhebben is Zijn natuur ongeacht de staat waarin het voorwerp van Zijn liefde zich bevindt, zelfs al is het maar een wormpje, een druppel of een stofje.

Een worm en geen man

Hetzelfde Hebreeuwse woord voor ‘wormpje’ (tola) komen we tegen in Psalm 22:7: “Maar Ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk”. Tot het ‘wormpje Jakobs’ zegt de Heere: “Vrees niet... Ik help u... uw Verlosser is de Heilige Israels”, maar ‘de worm’ in Psalm 22 roept uit: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing”.
De één is door God verlaten, de ander behoeft niet te vrezen, omdat de Heilige Israëls zijn Verlosser is. Het lijkt een mysterieuze tegenstelling, totdat we de verklaring vinden in Jesaja 53:8: “Om de overtreding van Mijn volk is de plaag op Hem geweest”. Hoewel de Heere Jezus ‘de Heiland der wereld’ is, beperkt Jesaja zich expliciet tot de uitdrukking ‘mijn volk’ (Hebr. ‘ammi’), oftewel het ‘wormpje Jakobs’, om wiens zonden Hij plaatsvervangend is gestorven.
Hoe Hij het lijden en sterven onderging, illustreert opnieuw het wormpje, dat in Bijbelse tijden bekend stond om de productie van rode verf, waarvan de bestanddelen uit haar dode lichaampje voortkwamen. De verf werd bijvoorbeeld gebruikt voor de kleuren van de tabernakelkleden. Het Hebreeuwse woord voor worm (tola) wordt overigens ook gebruikt om de dieprode karmozijnkleur aan te duiden. We kennen dat o.a. vanuit Jesaja 1:18: “Komt dan, en laat ons samen richten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn (tola), zij zullen worden als witte wol”.
De aan elkaar verwante kleuren scharlaken en karmozijn, staan voor de ernst van de zonde. Naar alle waarschijnlijkheid had dat te maken met het feit dat deze rode verf die uit het wormpje voortkwam niet uitwisbaar was. Een typisch kenmerk van de zonde, zoals blijkt uit Jeremia 2:22: “Ja, al zoudt gij u wassen met loog en veel zeep gebruiken, dan blijft toch uw ongerechtigheid als een onuitwisbare vlek voor mijn oog” (NBG).
Onuitwisbaar..., totdat Hij, Die naar het vlees uit het wormpje Jakobs is voortgesproten, Zichzelf vernederde en getuigde: “Ik ben een worm en geen man...”.
Paulus verklaart dat Goddelijk mysterie met de woorden: “Want Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem” (2 Cor. 5:21).

Stervend nieuw leven voortbrengen

Een andere opmerkelijke illustratie van het betreffende wormpje is, dat als het vrouwtje gereed is om haar jongen voort te brengen, ze zich zo vasthecht aan een boomstam dat ze niet meer los komt en sterft. Ze brengt dus stervend nieuw leven voort, om tenslotte haar dode lichaam als karmozijn na te laten.
Ook die waarheid vinden we in Jesaja 53 met de woorden: “Wanneer Hij Zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nakomelingen zien” (vs. 10 NBG).

Gods heerlijkheid voor Israël

Het tweede deel van de tekst – “uw Verlosser is de Heilige Israëls” - bevestigt de wijze waarop de Heere Zijn volk zal verlossen, namelijk door het betalen van een losprijs. Het woord ‘(ver)losser’ is hetzelfde woord dat we terugvinden in de geschiedenis van Ruth, die door Boaz, de losser (goël) tegen betaling gelost wordt, om vervolgens met haar in het huwelijk te kunnen treden. Boaz, wiens naam betekent ‘in hem is kracht’ is een prachtig type van Christus, met Wie Israël in de toekomst verenigd zal worden. Hoe intiem die verbintenis zal zijn, blijkt uit de naam, waarmee de Heere Zichzelf noemt: ‘de Heilige Israëls’. De Losser en het geloste smelten samen tot één: de Heilige Israëls. In dit verband kunnen we ook denken aan het gebed van de Heere Jezus in Johannes 17:19: “Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid”. Het heiligen van de Heere heeft de betekenis van een toewijding aan Zijn dienst ten behoeve van de Zijnen, opdat ook zij (geheiligd in de waarheid) tot hun bestemming kunnen komen. Die bestemming vinden we in vers 22: “En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één...”.
Dat het verloste volk ook in Christus’ heerlijkheid mag delen, blijkt ten slotte uit de profetie van Jesaja 46:13: “Ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn heerlijkheid”.
Is het niet bijzonder dat de roeping van Abram begint met de verschijning van ‘de God der heerlijkheid’ aan hem (Hand. 7:2) en uitmondt in de gave van Zijn heerlijkheid. Dan zal het wormpje Jakobs bevorderd zijn tot heerlijkheid.

Sluiten