Zend ons de Messias

Profetisch Woord | Christologie Tekst, Arthur Michelson

In deze studie een verkorte en bewerkte weergave van het eerste deel van zijn brochure ‘Jezus voor het Sanhedrin’, waarin Michelson diverse Oudtestamentische profetieën omtrent de Heere Jezus behandelt. Profetieën die binnen het rabbijnse judaïsme vaak een heel andere duiding kregen.

Dr. Arthur Michelson, geboren in 1887, groeide op in een streng orthodox-joods gezin. Hoewel vertrouwd met de Talmoedische geschriften veroorzaakte een Nieuw Testament plotseling een grote omslag in zijn leven. Hij ontdekte in die ‘ene Man’, van wie alle profeten getuigen, de Messias van Israël. Hij werd niet alleen een vurig evangelist onder zijn eigen volksgenoten, maar wist ook zijn diepe overtuiging over te dragen aan niet-Joodse gelovigen. Zo werd zijn vraag aan Jakob Klein Haneveld ‘wat doet u voor mijn volk?’ een historisch moment, dat in 1969 leidde tot de oprichting van Israël en de Bijbel.

Verlangend opkijken naar de hemel

In ieder orthodox-joods gezin horen kinderen vaak spreken over de komst van de Messias. Zowel mijn vader als onze rabbijn vertelden mij dikwijls over Hem die de Joden zal komen bevrijden uit hun lijden en die aan de wereld vrede zal brengen. Vaak heb ik mijn vader in de tuin zien staan, terwijl hij verlangend opkeek naar de hemel van waaruit hij de Verlosser verwachtte. “Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij neerkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten” (Jes. 64:1). Dan liepen de tranen over zijn wangen en bad hij: “O God, wees ons genadig en zend ons de Messias”.

De Messiasverwachting

Iedere zaterdagavond kwamen we met onze rabbijn en anderen in de synagoge samen. Er werd dan gesproken over dat ene onderwerp: de komst van de Messias! Voorafgaande aan Zijn komst moesten er volgens hen eerst vier tekenen in vervulling gaan. Ten eerste moesten de Joden terug naar Palestina, ten tweede moesten er wagens komen die konden rijden zonder paarden ervoor, ten derde moest de mens kunnen vliegen als een vogel, en ten vierde moest er een luchtschip over Palestina gaan. Later begreep ik dat de tekenen die de komst van de Messias zouden inluiden, alleen vanuit de Bijbelse profetieën herkend kunnen worden. En het begin van die profetieën gaat terug naar het ochtendgloren van de menselijke geschiedenis toen voor het eerst de Verlosser werd beloofd. Voordat onze eerste voorouders na hun zondeval uit het paradijs verdreven werden, sprak God tot de slang: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; dat zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen” (Gen. 3:15).
Dat de komende Verlosser het ‘Zaad van de vrouw’ genoemd werd, toont aan dat Hij een mens zou zijn en geen engel! Het is opmerkelijk dat de uitdrukking ‘Zaad van de vrouw’ nergens anders voorkomt. In de Bijbel wordt afstamming altijd opgegeven via de mannelijke geslachtslijn en nooit via die van de vrouw. Het feit dat God Hem zo noemde, bewijst dat er iets is dat Hem onderscheidt van alle andere mensen. De Overwinnaar van de dodelijkste vijand zou het ‘Zaad van de vrouw’ zijn. Satan heeft via de vrouw zich toegang tot de wereld verschaft om over haar dood en verderf te brengen. Maar God heeft in Zijn genade en oneindige wijsheid juist de vrouw ingeschakeld om door de uit haar geboren Messias, Leven en Verlossing te brengen. In de Talmoed wordt bovenstaande belofte als volgt verklaard: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw tussen het zaad van uw zonen en tussen het zaad van haar zonen. Als de zonen van de vrouw de geboden der Wet zullen houden, zullen zij in staat zijn u de kop te vermorzelen. Maar indien zij aan de Wet ongehoorzaam zijn, zult gij hun de hiel verwonden. Voor hen zal echter een geneesmiddel zijn en zij zullen heling vinden in de dagen van Koning-Messias”.

Beloften aan de aartsvaders

Na de belofte in het paradijs volgde vele eeuwen later de belofte aan Abraham: “en in u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden” (Gen. 12:3). En later: “want in Izak zal uw zaad genoemd worden” (Gen. 21:12). Dit betekende dat het aan Eva beloofde Zaad uit Izak zou voortkomen, niet uit Ismaël. “En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde” sprak God dan ook tot Izak (Gen. 26:4). Deze droeg de belofte over aan Jakob (Gen. 27:29; 28:14). In een droom zag Jakob een ladder, reikend van de aarde naar de hemel, een heenwijzing naar de Messias die aarde en hemel zal verenigen en de mens met God zal verzoenen.

Jakob droeg de belofte over aan Juda, zijn zoon, en gaf in zijn profetie een tijdsgrens aan, waarbinnen men de Messias kon verwachten: “De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en aan Deze zullen de volken gehoorzaam zijn” (Gen. 49:10).
Bekende Joodse schrijvers zijn het er over eens dat met ‘Silo’ de Messias wordt bedoeld. De Talmoed verklaart de woorden “totdat Silo komt” met “totdat Koning-Messias komt”. Maar Silo moet reeds gekomen zijn, want de scepter is van Juda geweken. De wereldwijd verstrooide Joden worden immers niet langer geregeerd door het huis van David. Daarbij komt dat het merendeel van ons niet eens meer kan bewijzen van wie zij afstammen. De scepter van Juda moet zich dus bevonden hebben in de hand van Davids wettige Opvolger, de Heere Jezus.

Profetie van Mozes

Van Mozes zijn de woorden: “Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broeders, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen; Naar alles, wat gij van de HEERE, uw God, aan Horeb, op de dag van de verzameling, geëist hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te horen de stem van de HEERE, mijn God, en dit grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve. Toen zeide de HEERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben. Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broeders, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal. En het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van die zal Ik het zoeken” (Deut. 18:15-19).

Veel rabbijnen parafraseren deze profetie over de Messias als volgt: “Een waar Profeet zal u de Heere uw God geven, een Profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik vervuld met de Heilige Geest, zal de Heere uw God u verwekken. Hem zult gij gehoorzamen. Door zijn wonderen heeft Mozes maar één volk ertoe gebracht God te dienen, de Messias zal alle volkeren voor God doen buigen”.
Andere Joodse schrijvers beweren dat bovengenoemde profetie niets met de Messias te maken heeft, maar op Mozes’ opvolger Jozua betrekking heeft. God heeft echter niet beloofd dat die Profeet onmiddellijk zou komen. Integendeel, nadat Mozes Jozua de handen had opgelegd, staat er geschreven: “En er stond geen profeet meer op in Israël, gelijk Mozes, die de HEERE gekend had, van aangezicht tot aangezicht” (Deut. 34:10). Ook heeft God niet gezegd dat Hij er twee of meer zou zenden, maar Eén!

Wie is die Ene?

Wat telkens opvalt is dat, hoewel er heel veel dienstknechten en profeten van God in de Bijbel worden genoemd, er maar Eén telkens specifiek wordt genoemd! Wie is die Ene Die hun Gods woorden moest overbrengen? Wij hebben gezien dat Jozua niet de Profeet was, noch Elia en Elisa. Was het Jesaja met zijn machtige profetieën of andere godsmannen als Jeremia en Ezechiël? Het is Hij, het ‘Zaad van de vrouw’, de Verlosser der wereld, geboren uit de stam van Juda.
Degene van Wie ook Petrus getuigde: “Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broeders, gelijk mij; Die zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal. En het zal geschieden, dat alle ziel, die deze Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk. En ook al de profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd” (Hand. 3:22-24).

Maagd of jonge vrouw

Aan Eva had God beloofd dat de Messias het ‘Zaad van de vrouw’ zou zijn, en dit is vervuld door Zijn geboorte uit een maagd, zoals we lezen in Jesaja 7:14: “Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten”. Dat is: God mét ons!
De rabbijnen hebben dit Schriftwoord zó verklaard, alsof het geen betrekking had op de Messias, maar op Hizkia de zoon van koning Achaz. Daarom zeggen zij dat Mattheüs het in zijn Evangelie ten onrechte betrok op Jezus (Matth. 1:23). Zij vertalen het Hebreeuwse woord ‘almah’ niet door ‘maagd’ maar door ‘jonge vrouw’.

Laten wij in Jesaja 7 nagaan in welke omstandigheden Achaz, de koning van Juda, verkeerde toen God hem dit teken gaf. Hij werd aangevallen door de koning van Syrië en de koning van Israël (700 v. Chr.). Bevreesd tegenover deze vereende machten het onderspit te zullen delven, besloot Achaz de hulp in te roepen van de koning van Assyrië. Hij begreep heel goed dat het koninkrijk Juda hiermee zijn onafhankelijkheid zou verliezen, maar de troon van David zou dan tenminste bewaard blijven voor algehele ondergang. Althans zo overlegde Achaz in zijn ongeloof!
Toen zond God de profeet Jesaja tot hem met de boodschap dat hij niet hoefde te vrezen voor de twee koningen die tegen hem optrokken om Jeruzalem te veroveren. Want Achaz was een nakomeling van David uit de stam van Juda. En God had toch beloofd dat de scepter niet van Juda zou wijken vóórdat Silo kwam?En omdat de Messias nog niet was gekomen had Achaz zich veilig kunnen voelen in plaats van te beven “gelijk de bomen van het woud bewogen worden door de wind” (Jes. 7:2). Zijn angst kwam voort uit ongeloof. Daarom herhaalde God voor hem de belofte die Hij eens aan Adam en Eva had gegeven over het ‘Zaad van de vrouw’, maar nu veel duidelijker.
Eerst sprak God tot Achaz: “Vraag Mij om een teken”. Toen de koning dit in zijn ongeloof weigerde, zei Jesaja: “Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren”. Met andere woorden: “Ofschoon gij, o koning niet gelooft dat God de troon van David voor ondergang zal bewaren tot de Messias komt, zal dit toch geschieden. Hij zal Zijn belofte over het ‘Zaad van de vrouw’ en over de ‘scepter van Silo’ in vervulling doen gaan. Ofschoon gij geen teken wenst, zal God het toch geven in de maagdelijke geboorte van de Messias, het grootste teken dat de wereld ooit heeft aanschouwd!”

Het lijkt wel of God Zich na Achaz’ weigering van hem afwendt, om Zich vervolgens te richten tot het huis van David met de woorden: “Toen zeide hij: Hoort gij nu, gij, huis van David! is het u te weinig, dat gij de mensen moede maakt, dat gij ook mijn God moede maakt?” (Jes. 7:13). Het is alsof Hij wil zeggen: “Vrees niet, de twee koningen zullen Davids troon niet omverwerpen, want Mijn Gezalfde zal geboren worden uit een maagd en eens zal de scepter rusten in Zijn hand”.

Jesaja vervolgt zijn profetie over de Messias met de verheven woorden: “Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; over hen, die wonen in het land van de schaduw des doods, zal een licht schijnen” (Jes. 9:1).
Dit Licht is de Zoon van David, geboren uit een maagd, de Immanuël, bestemd voor de troon van David, die in de tijd van Jesaja werd ingenomen door de ongelovige koning Achaz. Deze Immanuël is de hope Israëls!

De profeet gaat verder: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst; Aan de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van de HEERE der heerscharen zal zulks doen” (Jes. 9:5, 6).

Toen Mattheüs in zijn Evangelie Jesaja 7:14 betrok op de maagdelijke geboorte van de Heere Jezus, was hij door zijn vervulling met de Heilige Geest in staat de profetie van het Oude Testament op juiste wijze te verklaren (Matth. 1:23).

Het Hebreeuwse woord ‘almah’ in Jesaja 7:14 wordt (in de Staten Vertaling) terecht vertaald met ‘maagd’ (in tegenstelling tot de NBG, waar het met ‘jonkvrouw’ is weergegeven). In zes andere passages van het Oude Testament komt dit woord ‘almah’ voor in de betekenis van ‘reine ongehuwde jonge vrouw’ (Gen. 24:43; Exod. 2:8; Ps. 68:26; Spr. 30:19; Hoogl. 1:3; 6:8). Als wij deze gedeelten nalezen, vinden we overal dat ‘almah’ eenvoudig ‘maagd’ betekent. Daarom hoeven wij niet te twijfelen aan de uitspraak van de profeet: “Zie een maagd zal zwanger worden en een Zoon baren”. Als het een getrouwde vrouw was geweest, zou het immers geen ‘teken’ geweest zijn. Het ‘teken’ van de zwangere maagd moest juist bewijzen “dat bij God alle dingen mogelijk zijn”.

Tenslotte willen wij nog wijzen op de Septuaginta. Omstreeks 275 v. Chr. kwamen tweeënzeventig Joodse mannen te Alexandrië bijeen om het Oude Testament vanuit het Hebreeuws in het Grieks te vertalen. In deze Septuaginta is ‘almah’ vertaald met ‘parthenos’, wat ‘reine maagd’ betekent. In de eerste christengemeenten gebruikte men deze vertaling tegenover hun vijandige Joodse volksgenoten, die dan wel moesten erkennen dat Immanuël het Kind moest zijn van een ‘Parthenos’, een maagd in de ware betekenis van het woord.

Het werk van de drie-enige God

Bij de verlossing van de mens is de drie-enige God betrokken.
Wij weten dat “God de wereld zó lief had dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft” (Joh. 3:16). Het hele verlossingsplan werd geboren in het hart van de Vader, maar uitgevoerd in en door Zijn Zoon. De Heere Jezus bewerkt niet alleen onze verlossing, Hij ís onze Verlossing. Maar Hij is ook God van eeuwigheid. Luister maar naar het getuigenis van de profeet Micha over Hem: “En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.”

En tenslotte is het de derde Persoon van de Drie-eenheid, de Heilige Geest, Die van deze verlossing getuigt. Als de Heere Jezus Zijn discipelen voorbereidt op Zijn Hemelvaart, zegt Hij: “Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Die Ik u zenden zal van de Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van de Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen” (Joh. 15:26). Het is dus niet ons getuigenis. De Heere Jezus zegt zelfs: “Ik behoef het getuigenis van een mens niet…” (Joh. 5:34 NBG). Als de Heilige Geest niet dóór ons heen spreekt, zal ons getuigen van generlei waarde zijn.
De Heilige Geest toont en verklaart ons het volbrachte werk van Christus. Hij wijst ons op Zijn kostbaar bloed en de betekenis van het kruis voor ons behoud. Hij toont ons hoe wij als zondaars door Hem gerechtvaardigd en geheiligd kunnen worden.
De Geest verheerlijkt geen mensen en komt niet in ons leven om ons iets te schenken, waarop wij onszelf zouden kunnen verheffen. Als Hij iets uitwerkt, is dat alléén om Christus te verheerlijken. De Heere Jezus zegt: “Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen” (Joh. 16:14). Hoe meer wij van de Heilige Geest vervuld zijn, hoe minder wij van onszelf denken. Zijn doel is om de Messias te verheerlijken, opdat onze bede met heel ons hart zou zijn: “Zend ons de Messias”.

Sluiten