Zien en geloven

Geloofsopbouw Tekst, Hans van de Lagemaat

Als ons gevraagd zou worden wat we, als we moesten kiezen, liever zouden missen, onze oren of onze ogen, dan zou de keuze voor de meesten van ons waarschijnlijk niet zo moeilijk zijn. We hechten doorgaans meer aan ons gezicht dan aan ons gehoor. Toch leert de Bijbel dat “het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God” en dat “wij wandelen door geloof, niet door aanschouwing” (Rom. 10:17; 2 Kor. 5:7).

Eva

‘Zien’ staat in de Bijbel niet in een heel gunstig daglicht. Het begint al met de eerste zonde van de mens door Eva. Waar begint haar zonde? Met het zien. Zien op de verboden vrucht. Door de drogreden van de slang, die halve waarheden bevatte, werd Eva verleid om een blik te slaan op de boom waarvan de Heere had gezegd dat zij en haar man daar, als enige boom in het hele paradijs, niet van mochten eten. “En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en hij at ervan” (Gen. 3:6). ‘Zien’ wekte de begeerte. En die begeerte was niet meer te stoppen. De begeerte bewerkte de zonde. En de zonde de dood. Niet alleen voor Adam en Eva zelf, maar voor heel hun nageslacht.

Gods zonen en de dochteren der mensen

Wat er in Genesis 6 ook precies plaatsvond, Judas beschrijft het als een gruwelijk gebeuren met afschuwelijke gevolgen. En opnieuw begon het met ‘zien’. “En het gebeurde, toen de mensen zich op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en er dochters bij hen geboren werden, dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden” (vs. 1, 2). Het zien van iets moois wekte de begeerte, een zondige begeerte, en de uitwerking verwekte de toorn van God. Als Judas in vers 6 naar deze gebeurtenis verwijst, dan vergelijkt hij het met de gruwelen die in Sodom en Gomorra plaatsvonden.

Abram en Lot

Een ander treffend voorbeeld zien we bij Abram en Lot. De herders van Lot en die van Abram begonnen te ruziën, waarschijnlijk over de waterputten om hun vee te drenken en over het land waarop ze hun kudden konden laten grazen. Toen Abram voorstelde om van elkaar te schei- den, lezen we: “En Lot sloeg de ogen op en zag dat heel de Jordaanvlakte rijk aan water was; voordat de HEERE Sodom en Gomorra te gronde gericht had, was zij in de richting van Zoar als de hof van de HEERE, als het land Egypte. Daarom koos Lot voor zichzelf heel de Jordaanvlakte en Lot trok naar het oosten; en zij werden van elkaar gescheiden” (Gen. 13:10-11). Lot sloeg zijn ogen op; hij keek. Wat hij zag was mooi en begeerlijk. En dat bepaalde zijn keuze. We kennen het vervolg. Lot bleef niet in de Jordaanvlakte, maar had zich spoedig als een gerespecteerd burger van Sodom in de stad weten te vestigen. Maar de vreugde was eruit. Lot kwelde daar zijn rechtvaar- dige ziel. In plaats van het zicht op de vruchtbare vlakten van de Jordaan, moest hij zich dag in dag uit tevreden stellen met het kijken en luisteren naar de wetteloosheid in Sodom (2 Pet. 2:8). Abram was heel anders. Ook hij sloeg de ogen op. Maar niet eerder dan dat de Heere het hem had gezegd. “En de HEERE zei tegen Abram, nadat Lot zich van hem afgescheiden had: Sla toch uw ogen op en kijk vanaf de plaats waar u bent, naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. Want al het land dat u ziet, zal Ik voor eeuwig aan u en uw nageslacht geven” (Gen. 13:14, 15). De Heere beloofde hem niet alleen het vruchtbare land van de Jordaan, maar de Heere beloofde hem alles! En niet alleen hem, maar ook zijn nageslacht. Niet voor even, maar voor eeuwig.

Achan

Het kon niet meer stuk, zouden wij zeggen. Na de verwoesting van Jericho leek het beloofde land aan Israëls voeten te liggen. Maar het ging mis. Israël wordt vernederend verslagen. De reden was gelegen in zonde van Achan. Er was gesto- len van de buit. “Israël heeft gezondigd. Ook hebben zij Mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden. Bovendien hebben zij genomen van wat met de ban gewijd was, en ook gestolen, en ook gelogen, en zij hebben het ook bij hun huisraad gelegd” (Joz. 7:11). Uiteindelijk wordt de schuldige aangewezen. Achan verklaart: “Het is waar, ík heb tegen de HEERE, de God van Israël, gezondigd, en ik heb zo en zo gedaan. Want ik zag onder de buit een mooie kostbare Babyloni- sche mantel, tweehonderd sikkel zilver, en een goudstaaf met een gewicht van vijftig sikkel. Ik begeerde ze en nam ze mee. En zie, ze zijn verborgen in de grond, in het midden van mijn tent, en het zilver eronder” (Joz. 7:20, 21). Achan zag, Achan begeerde en Achan nam. Lijkt het niet treffend op het proces wat in Eva plaatsvond nadat zij de bedrieglijke woorden van de slang had gehoord?

Israëls ongeloof

De gebeurtenissen rond Ai vonden plaats aan het begin van Israëls veroveringen van het land. Voor het zover kwam, had het volk eerst veertig jaar in de woestijn moeten blijven. En ook dat hield verband met een zonde die alles met ‘zien’ van doen had. We lezen in Hebreeën 3:17-19: “Op wie is Hij dan veertig jaar lang vertoornd geweest? Was het niet op hen die gezondigd hadden, van wie de lichamen zijn gevallen in de woestijn? En aan wie heeft Hij gezworen dat zij Zijn rust niet zouden binnengaan, dan aan hen die ongehoorzaam geweest waren? Zo zien wij dat zij niet konden ingaan vanwege hun onge- loof”. Wat was de oorzaak van deze ernstige straf? Op Gods bevel had Mozes twaalf mannen uitgezonden om het land te verspieden. Eén man uit elke stam. Als deze mannen terug- komen van hun verkenningstocht, bevestigen zij dat het een goed land is, overvloeiend van melk en honing (Num. 13:27). Maar behalve deze melk en honing en prachtige vruchten, hadden zij nog meer gezien. En dat benadrukten zij in hun verslag voor het volk: “Maar (!) daar staat tegenover dat de bevolking van dat land sterk is. De steden zijn versterkt en heel groot, en ook hebben we er Enakieten gezien. In de Negev wonen Amalekieten, in het bergland Hethieten, Jebusieten en Amorieten, en aan de kust en langs de Jordaan wonen Kanaänieten.” (vs. 28, 29). Kaleb probeert nog met woorden van geloofsvertrouwen het tij te keren, maar de overmacht van het ongeloof is te groot. “Maar de mannen die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken, want het is sterker dan wij. En zij lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, bestaat uit mannen van grote lengte. Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, afkomstig van de reuzen. Wij waren in onze eigen ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen” (vs. 31-33). Merk op hoe sterk ook hier het ‘zien’ op de voorgrond treedt.

Hem zien

In de voorbeelden van Eva, Gods zonen, Lot en Achan zagen we hoe leven vanuit het ‘zien’ begeerte opwekt. Er zouden nog meer Bijbelse voorbeelden te noemen zijn. Hiernaar verwijzend waarschuwt Johannes: “Heb de wereld niet lief en ook niet wat in de wereld is. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoog- moed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij met haar begeerte; maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid” (1 Joh. 2:15-17). ‘Begeerte van de ogen’ en ‘de hoogmoed van het leven’ is uit de wereld. En liefde tot de wereld betekent vijand- schap tegen God (Jak. 4:4). Maar, zo mogen we weten, onze tijd van ‘zien’ komt nog. En daar mag al onze ‘begeerte’ naar uitgaan. We zullen Hem zien, als Hij geopenbaard wordt. Johannes schrijft: “Maar wij weten dat, als Hij geopen- baard zal worden, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is” (1 Joh. 3:2). We zullen Hem zien. En meer nog: we zullen Hem gelijk zijn! Dat weten we, hoewel we het niet zien. Leven met dit verlangen in ons hart naar Zijn komst, bewerkt ook een reiniging. Van die reiniging zijn we ons misschien niet altijd bewust, maar het is er wel degelijk, want “ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, zoals Hij rein is” (1 Joh. 3:3).

Sluiten