40 Dagen tussen hemelvaart en opstanding

Christologie | Nieuw Testament | Feesten en offers Tekst, Ton Stier

In deze studie willen we ingaan op de bijzondere periode van 40 dagen, die werden gemarkeerd door Jezus’ opstanding en hemelvaart.

Opstanding en hemelvaart in relatie tot Christus’ koningschap

De opstanding van de Heere Jezus heeft behalve verzoening en nieuw leven, ook de weg geopend naar de vervulling van Gods belofte aan David: een eeuwige Troonopvolger. In zijn Pinkstertoespraak verklaart Petrus: “Aangezien hij (David) een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lichaam, voor zover het zijn vlees betrof, de Christus zou doen opstaan om Hem op zijn troon te zetten” (Hand. 2:30). Vervolgens legt de apostel een relatie tussen Christus’ koningschap en Zijn hemelvaart: “David is immers niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd zal hebben als een voetbank voor Uw voeten” (Hand. 2:34-35). Goed om hier meteen bij op te merken dat Christus’ hemelvaart ook nog eens onmiddellijk werd gevolgd door de belofte: “deze Jezus Die van u is opgenomen in de hemel zal op dezelfde wijze terugkomen als u Hem naar de hemel hebt zien gaan” (Hand. 1:11). Zijn zichtbare en fysieke terugkomst naar de aarde is immers de voorwaarde tot de oprichting van Zijn zichtbare en fysieke koningschap op aarde.

40 - het getal van de beproeving

40 dagen staan natuurlijk ook voor het getal van beproeving. Een van de meeste bekende aanwijzingen hiervoor zijn Mozes’ woorden: “Ook moet u heel de weg in gedachten houden waarop de HEERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u zou verootmoedigen, en u op de proef zou stellen om te weten wat er in uw hart was, of u Zijn geboden in acht zou nemen of niet” (Deut. 8:2).1 In de 40 dagen tussen Zijn opstanding en hemelvaart vonden heel wat beproevingen plaats. Als eerste vielen de religieuze leiders door de mand. Met het verslag van de soldaten, hadden zij het onomstotelijke bewijs van Zijn opstanding in handen. Maar na eerst Judas het verradersgeld te hebben gegeven, rolde nu een groot geldbedrag naar de bewakers van het verzegelde graf: “…zij kwamen gezamenlijk tot het besluit om de soldaten veel geld te geven, en zij zeiden: Zeg: Zijn discipelen zijn 's nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen. (…) Toen zij het geld in ontvangst genomen hadden, deden zij zoals hun was voorgehouden. En dit woord is verbreid onder de Joden tot op de huidige dag” (Matt. 28:12-13, 15).

Maar hoe verging het de discipelen? Petrus, die de Heere eerst drie keer had verloochend, geloofde, evenals de andere discipelen, niet het getuigenis van de vrouwen over het lege graf en de verschijning van de twee mannen in blinkende gewaden. “Het leek hen kletspraat” (Luk. 24:11). En toch was de mededeling van deze mannen zo helder en verifieerbaar: “Herinner u hoe Hij tot u gesproken heeft, toen Hij nog in Galilea was: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in handen van zondige mensen en gekruisigd worden en op de derde dag opstaan. En zij (de vrouwen) herinnerden zich Zijn woorden” (Luk. 24:6-8). De vrouwen dus wel, maar de discipelen niet. Hoe kan het zijn dat zij zich deze woorden van de Heiland niet herinnerden? Het antwoord vinden we deels in Johannes 20:9: “zij kenden de Schrift nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan”.2 Hetzelfde gold voor de twee discipelen op weg naar Emmaüs tegen wie de Heere zegt: “O onverstandigen en tragen van hart! Dat u niet gelooft al wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?” (Luk. 24:25-26).

Is het niet opmerkelijk hoeveel moeite de Heere vervolgens moet doen om Zijn discipelen van Zijn opstanding te overtuigen? Eerst door middel van het Woord aan de Emmaüsgangers: “Hij begon bij Mozes en al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was” (Luk. 24:27), dan door hun ogen te openen (vs. 31). Vervolgens door in het midden van Zijn discipelen te verschijnen, wat – getuige hun reactie – voor hen ook nog niet meteen een overtuigend bewijs opleverde: “En zij werden angstig en zeer bevreesd en dachten dat ze een geest zagen. En Hij zei tegen hen: Waarom bent u in verwarring en waarom komen zulke overwegingen op in uw hart? Zie Mijn handen en Mijn voeten, want Ik ben het Zelf. Raak Mij aan en zie, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb. En terwijl Hij dit zei, liet Hij hun de handen en de voeten zien. En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zei Hij tegen hen: Hebt u hier iets te eten? En zij gaven Hem een stuk van een gebakken vis en van een honingraat. En Hij nam het aan en at het voor hun ogen op. En Hij zei tegen hen: Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen Ik nog bij u was, dat alles vervuld moest worden wat over Mij geschreven staat in de Wet van Mozes en in de Profeten en in de Psalmen” (Luk. 24:37-44).3 En dan lezen we in het volgende vers iets bijzonders: “Toen opende Hij hun verstand zodat zij de Schriften begrepen” (Luk. 24:45). Waarom is dit zo bijzonder? Wel, de conclusie moet zijn dat het Evangelie van het koninkrijk dat de discipelen in Israël verkondigd hadden, dus niet het Evangelie van de gekruisigde en opgestane Christus kan zijn geweest. Zij kenden immers de Schrift met betrekking tot deze waarheid nog niet. Hun beperkte opdracht was: “U zult u niet op weg begeven naar de heidenen en u zult geen enkele stad van de Samaritanen binnengaan, maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël. En als u op weg gaat, predik dan: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Genees zieken, reinig melaatsen, wek doden op, drijf demonen uit. U hebt het voor niets ontvangen, geef het voor niets” (Matt. 10:5-8).

Aan de tekenen en wonderen die hun prediking vergezelden, refereert ook Petrus in zijn Pinkstertoespraak: “Israëlitische mannen, luister naar deze woorden: Jezus de Nazarener, een Man Die u van Godswege aangewezen is door krachten, wonderen en tekenen, die God in uw midden door Hem gedaan heeft, zoals u ook zelf weet” (Hand. 2:22). En dan volgt een waarheid die Petrus voor het eerst aan zijn broeders mag onthullen: “deze Jezus, Die overeenkomstig het vastgestelde raadsbesluit en de voorkennis van God overgegeven is, hebt u gevangengenomen en door de handen van onrechtvaardigen aan het kruis gespijkerd en gedood. God heeft Hem echter doen opstaan door de weeën van de dood te ontbinden, omdat het niet mogelijk was dat Hij daardoor vastgehouden zou worden” (Hand. 2:23-24).

Vanaf dat moment wordt Jezus’ verzoenend lijden, sterven en opstanding, de kern van hun prediking. Maar let wel, daarmee vervalt niet de hoop op het herstelde koningschap voor Israël. Hoe zou dat ook kunnen als we bedenken dat de Heere Zich “levend aan hen had vertoond, met veel onmiskenbare bewijzen, veertig dagen lang (!), waarbij Hij door hen gezien werd en over de dingen sprak die het Koninkrijk van God (!) betreffen” (Hand. 1:3). Geen wonder dat de discipelen komen met de vraag: “Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?” (Hand. 1:6). Hun vraag is niet of het koninkrijk voor Israël hersteld zal worden, maar wanneer?

Het antwoord van de Heere is dan ook niet een afwijzing, zoals de Kanttekeningen van de Staten Vertaling verklaren: “… zij nog meenden, naar de algemene dwaling, een werelds koninkrijk te zullen zijn”. Het is ook niet zoals Calvijns commentaar de vraag van de discipelen interpreteert: “In deze vraag zijn evenveel dwalingen als woorden. Zij vragen naar een koninkrijk, doch dromen daarbij van een aards rijk hetwelk bestaat in overvloed, vermaken, uitwendige vrede, en diergelijke goederen … Intussen bewijzen zij, hoe weinig zij onder zo’n goeden Meester geleerd hebben. Waarom we ook zien dat Chiliasten (!) tot dezelfde dwaling vervallen zijn. Dat is ook de oorzaak, dat de Joden al de profetieën, die Christus’ koninkrijk afbeelden, onder het beeld van aardse koninkrijken beschrijven; hoewel het voornemen Gods was, hunner zielen hoger op te heffen”.

De discipelen zouden dus verantwoordelijk zijn voor de verkeerde leer van Chiliasten (zij die gelovigen in een 1000-jarig vrederijk) en die zouden op hun beurt weer verantwoordelijk zijn voor het circuleren van een onbijbelse eschatologie onder de Joden. Koren op de molen van Palestijnse theologen en hun wereldwijde ‘christelijke’ sympathisanten die Israël beschuldigen van bezettingspolitiek op basis van een vermeende foutieve uitleg van de Schrift. Immers het beloofde herstel van het koninkrijk voor Israël zou slechts geestelijk verstaan moeten worden. Misschien goed om gedurende deze 40 dagen tussen opstanding en hemelvaart ons op deze onderwerpen verder te bezinnen. De Emmaüsgangers “hoopten dat Hij het was, Die Israël zou verlossen”, maar hadden geen zicht op Zijn dood en opstanding. Binnen de meeste kerken en kringen zal er geen twijfel bestaan over Jezus’ dood en opstanding, maar hoe zit het met de verwachting dat Hij ook Degene is, Die het Davidisch koningschap voor Israël bij Zijn wederkomst op aarde zal herstellen? Laten we de woorden van de Heere ter harte nemen: “O onverstandigen en tragen van hart! Dat u niet gelooft  al (!) wat de profeten gesproken hebben!”

Voetnoten:

1. Zeven andere perioden van 40 dagen:
- Mozes op de berg i.v.m. de ontvangst van de wet (Exod. 24:18)
- Mozes opnieuw op de berg na de zonde met het gouden kalf (Deut. 9:18, 25)
- De verspieders in het beloofde land (Num. 13:25; 14:34)
- Elia op de Horeb (1 Kon. 19:8)
- De tijd van Ninevé om zich te bekeren (Jona 3:4)
- Ezechiël die 40 dagen op zijn rechterzijde moest liggen om symbolisch Juda’s 40 jaar lange ongerechtigheid te dragen (Ezech. 4:6)
- De verzoeking van de Heere in de woestijn (Matt. 4:2)
2. Zie ook Luk. 18:31-34; Joh. 2:22
3. Denk ook aan de reactie van Thomas in Joh. 20:25.

Sluiten