De Mondelinge Wet: van goddelijke oorsprong?

Achtergronden | Jodendom Tekst, Pieter Siebesma

Orthodoxe Joden geloven dat toen Mozes op de berg Sinaï van God de Thora ontving, hij tegelijkertijd ook een aantal wetten en voorschriften heeft gekregen die niet zijn opgeschreven, maar die van generatie op generatie zijn overgeleverd. Dit wordt de mondelinge leer genoemd en zij is voor orthodoxe Joden even belangrijk als de geschreven Thora (Genesis tot en met Deuteronomium) en soms zelfs nog belangrijker. Hiertoe behoren voorschriften dat men vlees en melk niet in een maaltijd mag eten, men op sabbat maar een beperkte afstand mag lopen (de zogenaamde sabbatsreis) en de instelling van de eroev (een symbolische grensafscheiding van bijvoorbeeld een stadswijk waarbinnen Joden op sabbat goederen mogen vervoeren).

De IAMCS, een internationale alliantie van meer dan 160 Messiaanse gemeenten en synagogen in de Verenigde Staten en in andere landen wereldwijd (zie www.iamcs.org) heeft een boekje uitgegeven over de Mondelinge Wet. Ook binnen het Messiaanse Jodendom is er veel verwarring over of de Mondelinge Wet van Goddelijke oorsprong is. Vandaar dat dit boek vooral bedoeld is voor hun eigen leden, Messiasbelijdende Joden. Maar het is ook voor ons interessant om kennis van te nemen.

Messiasbelijdende Joden die lid zijn van een Messiaanse synagoge worden geconfronteerd met de vraag of en in hoeverre zij zich ook aan deze voorschriften dienen te houden. Dit boek gaat niet zozeer hierop in, maar vooral op de vraag of deze mondelinge wet nu uit God is, zoals de orthodoxe Joden geloven, of niet. Nu daarop wordt klip en klaar antwoord gegeven: De mondelinge wet is niet het Woord van God. Vandaar ook de titel van het boek: de mythologie van de mondelinge Torah.
Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel wordt besproken hoe (de mythe van) de Mondelinge Wet is ontstaan. Het tweede deel benadrukt dat alleen de Bijbel (OT en NT) Goddelijk gezag heeft en onfeilbaar is en wordt het vergeleken met andere wetsystemen. Het derde deel bespreekt hoe Messiasbelijdende Joden met die leringen dienen om te gaan, die het goddelijke gezag van de mondelinge Wet benadrukken.

Wat mij vooral trof is dat de rabbijnen na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 gedwongen waren om opnieuw vast te stellen hoe men verzoend kan worden met God. Men baseerde zich op een mondelinge overlevering dat dit door het gebed tot God kan. Vandaar dat het Achttiengebed, het gebed dat op weekdagen drie keer staande wordt gebeden in de synagoge, zo belangrijk is. Dit gebed wordt gezien als het centrale gebed waardoor men vergeving van zonde kan ontvangen. Daarom moet men dit foutloos en met veel concentratie bidden.

Maar terecht wordt gesteld dat het Oude Testament duidelijk anders leert: “Want het leven van het vlees is in het bloed, en Ik heb dat Zelf voor u op het altaar gegeven om voor uw leven verzoening te doen. Want het is het bloed dat door middel van het leven verzoening bewerkt.” (Lev. 17:11). Zowel het Oude als het Nieuwe Testament leren dat alleen door bloedstorting vergeving kan plaats vinden. Ten tijde van het Oude Testament door de dagelijkse offers in de Tempel en nu het vergoten offerbloed van de Messias.

Sluiten