Geboorteaankondigingen en de komende wereld

Nieuw Testament Tekst, Ton Stier

Jammer dat bij overdenkingen van de geboorteaankondigingen van de Heere Jezus en Zijn wegbereider Johannes de Doper vaak voorbij wordt gegaan aan de primaire context: Gods plan met Israël. Terwijl de geboorteaankondigingen in Mattheüs en Lukas toch naadloos aansluiten bij wat de oudtestamentische profeten hebben voorzegd over de twee komsten van de Messias en over de komende wereld.

Na de intertestamentaire periode van vierhonderd jaar1 doorbreekt de Heere Zijn stilzwijgen met de zending van de engel Gabriël. Zijn naam betekent ‘strijder van God’. Er is namelijk een strijd te voeren. De aarde valt onder het territorium van satan, die de Bijbel aanduidt als ‘de vorst van deze wereld’ en ‘de God van deze eeuw’ (Joh. 12:31; 14:30; 16:11; 2 Kor. 4:4). Hoe onheilspellend deze naamgevingen ook zijn, ze impliceren tegelijk de houdbaarheidsdatum van zijn macht: deze wereld en deze eeuw. De komende wereld in de daaraan verwante komende eeuw zal namelijk aan Christus onderworpen zijn2. De overgangsfase naar die Messiaanse periode zal gepaard gaan met een heftige strijd, in de Bijbel aangeduid als ‘de tijd van het einde’. Juist hierover geeft Gabriël opvallend veel informatie. Zo verklaart hij in Daniël 8 een eindtijdvisioen, dat zo heftig is dat de profeet er enkele dagen ziek van is (vs. 27). In hoofdstuk 9 vinden we de profetie van ‘de zeventig jaarweken’ waarin Gabriël Gods heilsplan met Israël, inclusief een gedetailleerd tijdschema, onthult.

Een geweldige belofte

Gabriëls eerste woorden tot Zacharia bevatten een geweldige belofte: “Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren en u zult hem de naam Johannes geven” (Luk. 1:13). Mogelijk hebben Zacharias en Elizabet gebeden om een zoon die de Heere als een oprechte priester zou dienen? Ze kwamen immers uit het priestergeslacht en “waren beiden rechtvaardig voor God en wandelden onberispelijk volgens alle geboden en verordeningen van de Heere” (Luk. 1:6). Maar deze zoon blijkt de in Micha 5 beloofde wegbereider van de Messias te zijn, met de door de Heere bepaalde naam Johannes. Als we letten op de betekenis van de namen Johannes, Zacharias en Elizabet, dan herkennen we een prachtige lijn, die ook Zacharias in zijn lofzang op het komende Messiaanse rijk verwoordt: “Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien3 en er verlossing voor tot stand gebracht. En Hij heeft een hoorn van zaligheid voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht, zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn, namelijk verlossing van onze vijanden en bevrijding uit de hand van allen die ons haten, om barmhartigheid te bewijzen aan onze vaderen (Johannes: ‘de Heere is genadig’) en te denken aan Zijn heilig verbond (Zacharias: ‘de HEERE gedenkt’), de eed die Hij aan Abraham, onze vader, gezworen heeft (Elizabet: ‘mijn God heeft gezworen’) om ons te geven, dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees” (Luk. 1:68-74).

De wegbereider

Johannes had volgens Gabriël een bijzondere taak: “En hij zal voor Hem uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om het hart van de vaderen te bekeren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de bedachtzaamheid van de rechtvaardigen, om voor de Heere een toegerust volk gereed te maken” (Luk. 1:17, vgl. Joh. 1:7). Het is een bevestiging van wat we lezen in de laatste twee verzen van het Oude Testament: “Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de HEERE komt, die grote en ontzagwekkende dag. Hij zal het hart van de vaders tot de kinderen terugbrengen, en het hart van de kinderen tot hun vaders, opdat Ik niet zal komen en de aarde (betere vertaling van het Hebreeuwse ‘erets’, lijkt hier ‘land’) met de ban zal slaan” (Mal. 4:5-6). We weten dat deze bekering helaas is uitgebleven en het land in 70 n.Chr. inderdaad met de ban is geslagen (vgl. Hebr. 6:7-8). Maar daarmee is Gods belofte van herstel zeker niet vervallen (Rom. 9:6).

De geboorteaankondiging aan Jozef en Maria

Het is opvallend hoezeer de Bijbel het feit benadrukt dat, hoewel Jozef en Maria in ondertrouw waren, zij beslist geen gemeenschap met elkaar hadden. In Lukas 1:27 wordt Maria maar liefst twee keer aangeduid als “een maagd die ondertrouwd was” en “de naam van de maagd was Maria”. Haar reactie op Gabriëls geboorteaankondiging is dan ook begrijpelijk: “Hoe zal dat mogelijk zijn, aangezien ik geen gemeenschap heb met een man?” (Luk. 1:34)4. Naast de morele betekenis die de Bijbel aan het huwelijk toekent, is er natuurlijk ook de bijzondere betekenis van Jezus’ geboorte, zoals blijkt uit Gabriëls antwoord: “De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. Daarom ook zal het Heilige Dat uit u geboren zal worden, Gods Zoon genoemd worden” (Luk. 1:35). En dat brengt ons bij de geboorteaankondiging aan Jozef: “Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, bij u te nemen, want wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest; en zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden” (Matt. 1:20-21). Goed om op te merken dat de komst van de Heere Jezus primair de bedoeling heeft om Zijn volk (Israël) van hun zonden zalig te maken (vgl. Jes. 53:8). Ook in Hebreeën 2:16-17 vinden we die waarheid benadrukt: “Want werkelijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het nageslacht van Abraham aan. Daarom moest Hij in alles aan Zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen die God betreffen, om de zonden van het volk (enkelvoud) te verzoenen”. En die verzoening baant de weg tot Israëls toekomstig herstel, zo blijkt uit Gabriëls geboorteaankondiging aan Maria: “En zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven. Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen” (Luk. 1:31-33). Die belofte zal zich vervullen in ‘de komende wereld’ gedurende ‘de komende eeuw’ als Christus op aarde regeert en satan gebonden zal zijn. Schitterend hoe Maria Christus’ eerste en tweede komst in dat perspectief schetst: “Hij heeft machtigen van de troon gestoten en nederigen heeft Hij verhoogd. Hongerigen heeft Hij met goede gaven verzadigd en rijken heeft Hij met lege handen weggezonden. Hij heeft het opgenomen voor Israël, Zijn knecht, door aan Zijn barmhartigheid te denken, zoals Hij gesproken heeft tot onze vaderen, tot Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid” (Luk. 1:52-55).

1. Periode tussen Oud en Nieuw Testament
2. Zie o.a. Hebr. 2:5 voor ‘komende wereld’ en Hebr. 6:5 waar letterlijk ‘komende aioon’, (eeuw) staat.
3. Het Griekse woord vertaald met ‘omzien’ heeft de betekenis van iemand bezoeken, of op iemand toezien met het doel hem/haar tot hulp en steun te zijn, zie b.v. Hand. 7:23; Jak. 1:27.
4. Reden voor Jozef om haar ongemerkt te verlaten en haar niet in het openbaar te schande te maken, wat steniging tot gevolg zou kunnen hebben (Matt. 1:19; Deut. 22:22).

Sluiten