Hizkia en zijn unieke koningschap

Profetisch Woord | Bijbelse personen | Oud Testament Tekst, Ton Stier

Tussen de profetieën van Jesaja 35 over de woestijn die zal bloeien met als hoogtepunt de openbaring van de heerlijkheid van de HEERE en Jesaja 40 met de bekende openingswoorden ‘Troost, troost Mijn volk’, staat de geschiedenis opgetekend van de biddende, moedige, maar bovenal Godvrezende koning Hizkia. Een prachtige geschiedenis, met rijke geestelijke lessen, die – aansluitend op Jesaja’s profetieën - schitterende profetische vergezichten bevat. We zullen in deze studie eerst ingaan op de ontwikkelingen voorafgaand aan Hizkia’s koningschap en zien we hoe de Heere achter de schermen de regie in handen houdt, daarbij veel verklaringen voor Zijn bestuurlijk handelen geeft en als hoogtepunt de maagdelijke geboorte van de Messias aankondigt. Vervolgens gaan we in op de geestelijke opwekking die onder Hizkia’s regering plaatsvond. Ten slotte behandelen Hizkia’s drie zware geloofsbeproevingen.

Drie Bijbelse bronnen

De Heere geeft vanuit drie Bijbelboeken (2 Koningen, 2 Kronieken en Jesaja) opvallend veel informatie over de godvrezende koning Hizkia.1 Hoewel deze bronnen elkaar grotendeels overlappen, voegt de ene bron soms informatie toe, die we in de andere bronnen niet terugvinden. Zo wordt in Kronieken veel aandacht besteed aan de geestelijke opwekking die er onder Hizkia heeft plaatsgevonden. Ook wordt het herstel van de tempel, de tempeldienst en de viering van Pesach uitvoerig beschreven (2 Kron. 29-31).

De belegering van Jeruzalem door de Assyrische veldheer Sanherib en de geschiedenis van het gezantschap uit Babel dat Hizkia bezoekt, wordt daarentegen weer veel beknopter beschreven. In Koningen zien we vooral het verband tussen de zegen en de vloek, zoals we die door Mozes in Deuteronomium 28 opgetekend vinden. Zegen en bescherming als gevolg van gehoorzaamheid; oordeel, vijandelijke invallen en uiteindelijk ballingschap als gevolg van ongehoorzaamheid. In onze studie volgen wij de geschiedenis grotendeels vanuit 2 Koningen, hoewel we ook regelmatig uitstapjes zullen maken naar de verslaggeving in Kronieken en Jesaja.

Een wereld op drift

Als we het leven en de dienst van koning Hizkia bestuderen, komen we veel ontwikkelingen tegen die ook herkenbaar zijn in de wereld van vandaag. Hizkia’s dagen worden gekenmerkt door grote geopolitieke verschuivingen als gevolg van de enorme expansiedrift van het machtige Assyrië. En dat had weer tot gevolg dat er allerlei coalities tussen landen werden gesloten om de opmars van de Assyrische legers een halt toe te roepen. De Assyrische oorlogsstrategie werd gekenmerkt door gruweldaden, die tot grote angst en paniek onder de bevolking van omringende landen leidde, die vervolgens geen andere uitweg zagen dan zich aan het genadeloze regime te onderwerpen. Kortom, een wereld op drift, vergelijkbaar met de ontwikkelingen van vandaag, immers opnieuw is grotendeels hetzelfde gebied strijdtoneel van nietsontziende terreur.

Een bijkomende tragische situatie was natuurlijk dat na de regering van Salomo land en volk was opgedeeld. Het noordelijk 10-stammenrijk met Samaria als hoofdstad, waar Jerobeam een eigen imitatie godsdienst met allerlei gruwelijke uitwassen tot ontwikkeling had gebracht. Het zuidelijke 2-stammenrijk had dan nog wel de tempeldienst in Jeruzalem, maar deze was met name onder Achaz, de goddeloze vader van Hizkia, in een diep verval terecht gekomen. “Hij ging in de weg van de koningen van Israël ja, zelfs deed hij zijn zoon door het vuur gaan, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor de ogen van de Israëlieten verdreven had. (2 Kon. 16:3). De goddeloosheid in het 10-stammenrijk, alsmede de gruweldaden van de heidenvolken, waren onder Achaz’ regering volop het Judese rijk binnengedrongen. Zowel op geestelijk als op politiek gebied een onoverzichtelijke chaotische wereld. Want behalve invallen van de Filistijnen, woedden er van tijd tot tijd bloedige burgeroorlogen tussen het 2- en het 10-stammenrijk. In 2 Kronieken 28:6 lezen we over 120.000 man die in Juda door Pekah, koning van het noordelijke rijk, op één dag werden gedood, met als commentaar: “omdat zij de God van hun vaderen verlaten hadden”. Achter de schermen zien we dus een Goddelijke tuchtiging van Juda, uitgevoerd door een goddeloze koning van Israël.

Religieuze duisternis

Evenals vandaag herkennen we een snel om zich heen grijpende duisternis met misleidende religies als drijvende kracht. Een wereld die bol staat van afgoden, maar tegelijk een neiging kent tot samensmelting van godsdiensten. In 2 Kronieken 28:23a lezen we: “Hij (Achaz) offerde aan de goden van Damascus, die hem verslagen hadden, en zei: Omdat de goden van de koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, zodat ze ook mij zullen helpen”. De God van Israël werd ‘ingewisseld’ voor de goden van Syrië in de hoop dat zij de aanval van de Assyriërs, aan wie Achaz inmiddels al veel rijkdommen uit de tempel en zijn huis had afgestaan, zouden kunnen voorkomen. Het resultaat was echter: “Ze (de Syrische goden) werden echter hem (Achaz) en heel Israël tot een struikelblok” (2 Kron. 28:23b).

De Goddelijke kant

Maar er is ook een Goddelijke kant aan de geschiedenis. Veelzeggend is Gods aanduiding van het wrede Assyrië als ‘de roede van Mijn toorn’ en ‘de stok van Mijn gramschap’ (Jes. 10:5). Ook de profetie van Jesaja 5:3-5 spreekt voor zichzelf: “Nu dan, inwoners van Jeruzalem en mannen van Juda, oordeel toch tussen Mij en Mijn wijngaard. Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard, dan wat Ik eraan gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht dat hij goede druiven zou voortbrengen, terwijl hij slechts stinkende druiven voortbracht? Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken wat Ik met Mijn wijngaard ga doen: Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden; Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden”.

Dat wegnemen van die omheining gebeurt niet in één keer, maar vindt geleidelijk plaats. De Heere blijft namelijk Zijn volk de gelegenheid geven om tot Hem terug te keren. Want hoewel Achaz zijn volk de geestelijke doodsteek lijkt te hebben toegebracht, “Hij had immers Juda van God afgehouden, zodat het trouwbreuk had gepleegd tegen de HEERE” (2 Kron. 28:19) en “de voorwerpen van het huis van God in stukken had gehakt en de deuren van het huis van de HEERE had gesloten” (2 Kron. 28:24), betoont de Heere met de komst van Achaz’ zoon Hizkia, het koninkrijk van Juda nog geduld en genade. Bedenk dat de Tempel nog steeds als ‘huis van God’ en als ‘huis van de HEERE’ wordt aangeduid en de Sjechina deze nog niet had verlaten (Ezech. 10).

Gods volk niet langer door Hem beschermd

Het is opmerkelijk hoe de Heere regelmatig als het ware verantwoording aflegt voor het feit dat Hij Zijn volk niet langer beschermt en tot zegen is. Zo lezen we in 2 Koningen 17:13, 14: “Toen de HEERE Israël en Juda door de dienst van alle profeten, van alle zieners, gewaarschuwd had: Bekeer u van uw slechte wegen en neem Mijn geboden en Mijn verordeningen in acht, overeenkomstig heel de wet die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u gezonden heb door de dienst van Mijn dienaren, de profeten – toen luisterden zij niet, maar zij waren halsstarrig, zo halsstarrig als hun vaderen, die niet in de HEERE, hun God, geloofd hadden”. In maar liefst 18 verzen (2 Kon. 17:6-23) geeft de Heere uitleg waarom Hij Israël in ballingschap liet wegvoeren. Het volk dat Hij als ‘hoofd van de volken’ bestemd had, degradeerde tot een staart (Deut. 28:13). Het werd door Hem vernederd, in de hand van plunderaars gegeven en van Zijn aangezicht weggeworpen (2 Kon. 17:20). Opvallend is daarbij de kanttekening: “Zij gingen de nietige afgoden achterna, zodat zij zelf nietig werden” (2 Kon. 17:15). Een woord dat ook wij ons ter harte mogen nemen: een nietige afgod, wat dat in ons leven ook moge zijn, maakt ons tot nietige gebonden mensen!

Ten slotte is het nog goed erop te wijzen dat de Heere ook beargumenteert waarom Hij Zijn oordeel steeds van tevoren door de profeten liet aankondigen: “Omdat Ik wist dat u hard bent, uw nek een ijzeren pees is, en uw voorhoofd van brons, daarom heb Ik het u van oudsher verkondigd; voordat het kwam, heb Ik het u doen horen, anders zou u zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, mijn gesneden beeld of mijn gegoten beeld heeft ze geboden” (Jes. 48:4, 5).

Verdrijving van de heidenvolken

De tijd waarin Hizkia op 25-jarige leeftijd het koningschap van zijn vader Achaz overnam, was dus doortrokken van diepe duisternis: “Hij (Achaz) was het die reukoffers in rook liet opgaan in het dal Ben-Hinnom. Hij verbrandde zijn zonen in het vuur, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor de ogen van de Israëlieten verdreven had” (2 Kron. 28:3). Zijdelings lezen we hier ook de reden waarom de Heere de heidenvolken had verdreven. Natuurlijk weten we dat God het land reeds aan Abraham en zijn nageslacht had beloofd en de daar wonende volken dus eens voor hen zouden moeten plaatsmaken. Maar de Heere is rechtvaardig in Zijn bestuurlijke daden en verdrijft deze volken niet zomaar omwille van Zijn volk. De tijd waarop Hij dat doet, hangt samen met de tijd waarop hun gruweldaden tot een dieptepunt waren gekomen en God de profetische woorden aan Abraham in vervulling deed gaan: “Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken. Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken. Maar ú zult in vrede tot uw vaderen heengaan; u zult in goede ouderdom begraven worden. De vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten2 is tot nu toe niet vol” (Gen. 15:13-16). De in bezitneming van het beloofde land viel dus samen met het moment waarop Gods oordeel over de zonden van deze volken losbarstte. Beide elementen waren overigens ook al in Deuteronomium 9:5 door God voorzegd: “Niet vanwege uw gerechtigheid of vanwege de oprechtheid van uw hart komt u hun land in om het in bezit te nemen, maar vanwege de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEERE, uw God, hen van voor uw ogen uit hun bezit, en om het woord gestand te doen dat de HEERE, uw God, uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft".

De maat van ongerechtigheden vol gemaakt

Nu zien we echter dat zowel het 10- als het 2-stammenrijk de maat van hun ongerechtigheden vol maken met dezelfde consequentie die de heidenvolken ondergingen: verdrijving uit het land. De dienst van Achaz beschrijft een duidelijke neerwaartse lijn, die begint met dierenoffers aan afgoden: “Hij bracht slachtoffers en reukoffers op de offerhoogten en op de heuvels, en onder elke bladerrijke boom” (2 Kon. 16:4), maar eindigt met mensenoffers, waarbij hij zelf zijn zoons niet ontziet. Voor deze zonde had God reeds in de wet ernstig gewaarschuwd: “En Ikzelf (!) zal Mijn aangezicht tegen die man keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien. Hij heeft immers iemand uit zijn nageslacht aan de Molech overgegeven, waardoor Mijn heiligdom verontreinigd en Mijn heilige Naam ontheiligd is” (Lev. 20:3, zie ook: Lev. 18:21; 20:2). Het is dan ook een wonder dat Hizkia in tegenstelling tot zijn broers dit gruwelijke lot van verbranding bespaard is gebleven!

Niet tot strijden in staat

Een ander voorbeeld hoe de Heere achter de schermen de regie in handen houdt, lezen we in 2 Koningen 16:5: “Toen trok Rezin, de koning van Syrië, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, ten strijde tegen Jeruzalem. Zij belegerden Achaz, maar waren niet tot strijden in staat”. Waarom waren ze, ondanks hun enorme overwicht, niet tot strijden in staat? Bedenk dat de satan het vooral had gemunt op de uitroeiing van het geslacht van David. We zien dit onder andere ook terug bij Athalia, de moeder van Ahazia, die zich op het hele koninklijk geslacht wilde wreken en waarbij alleen Joas door een list overleefde (2 Kron 22:10-11)3. Immers uit het geslacht van David, zo wist Gods tegenstander, zou de Messias voortkomen.4

De maagd

Vanuit dat perspectief is de profetie, die notabene de goddeloze Achaz te horen krijgt, wel heel opmerkelijk en zet Gods tegenstander opnieuw schaakmat. In de meest angstwekkende fase, waarin Jeruzalem door vijandelijke legers ten onder dreigde te gaan, ontvangt Jesaja de opdracht van de HEERE: “Ga nu op weg, Achaz tegemoet, u en uw zoon Sjear-Jasjub5, naar het einde van de waterloop van de bovenvijver, bij de weg naar het Blekersveld. Zeg dan tegen hem: Beheers uzelf, blijf rustig, wees niet bevreesd, laat uw hart niet week worden voor die twee rokende stukken brandhout, voor de brandende toorn van Rezin en Syrië, en van de zoon van Remalia” (Jes. 7:3-4). Voor de Heere was de vijandige coalitie tussen de koning van Syrië en de koning van het 10-stammenrijk geen factor van betekenis. Beiden worden aangeduid als twee rokende stukken brandhout. Opvallend dat Azaria niet eens bij name wordt genoemd, maar slechts wordt aangeduid als ‘de zoon Ramalia’. Door Gods interventie waren zij niet alleen onbekwaam tot de strijd, maar Jesaja voegt nog iets toe: “binnen vijfenzestig jaar zal Efraïm (aanduiding voor het 10-stammenrijk) verpletterd worden en niet meer als volk bestaan” (vs. 8).6

En dan mag Achaz van de HEERE een teken ter bevestiging vragen (vs. 11). Dat had een geweldig natuurwonder mogen zijn, zoals Hizkia later zou vragen: de schaduw op Achaz’ zonnewijzer tien treden naar beneden te laten gaan (2 Kon. 20:11). Maar in plaats daarvan komt hij met een schijnheilig antwoord, vermoedelijk om de morele verplichting jegens Gods gezag te ontlopen: “Ik zal het niet vragen en de HEERE niet op de proef stellen” (vs. 12). Maar dan geeft de Heere Zelf een teken en spreekt daarbij niet tot Achaz, maar rechtstreeks tot het huis van David (vs. 7): “Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd7 zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven” (vs. 14). Een profetie die in Mattheüs 1:21-23 door de engel aan Jozef rechtstreeks op de geboorte van de Heere Jezus uit de maagd Maria van toepassing wordt gebracht: “Zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Dit alles is geschied opdat vervuld werd wat door de Heere gesproken is door de profeet, toen hij zei: Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en u zult Hem de naam Immanuel geven; vertaald betekent dat: God met ons”. Meer prachtige details over dit Kind worden ontvouwd in de bekende woorden van Jesaja 9:6: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouder. En men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst”. Hoe wonderlijk dat het geslachtsregister van dit Kind, Wiens heerschappij als Vredevorst eens op aarde werkelijkheid zal worden, onder anderen via Achaz, Hizkia Manasse en Amon loopt (Matt. 1:9, 10). Je vraagt je af hoe zulke zondige koningen als Achaz, Manasse en Amon in het geslachtsregister van de Heere Jezus kunnen voorkomen. Het antwoord vinden we in de zojuist geciteerde profetie: ‘de maagd zal zwanger worden’. Hoewel Jozef, voortkomend uit het geslacht van David, naar de wet Jezus’ vader was, weten we dat niet hij, maar ‘de Heilige Geest over Maria kwam en de kracht van de Allerhoogste haar overschaduwde en Hij niet alleen Zoon van David, maar ook Zoon van God genoemd zou worden” (Luk. 1:35).

En daarmee kon Gods vonnis over de slang vervuld worden: “En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht; Dat zal u de kop vermorzelen, en u zult Het de hiel vermorzelen” (Gen. 3:15). Te midden van een duistere tijd, plotseling het licht van het profetische Woord. Precies zoals door Petrus verwoord: “En wij hebben het profetische woord, dat vast en zeker is, en u doet er goed aan daarop acht te slaan als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart” (2 Pet. 1:19).

Een opwekking in Juda

Israël weggevoerd

We zagen al hoe in Hizkia’s tijd een diepe geestelijke duisternis bezit van de wereld had genomen, alsmede de enorme expansiedrift van het machtige Assyrië die steeds meer volken fataal werd. Zo ook het noordelijke 10-stammenrijk. Al in het vierde jaar van Hizkia’s koningschap werd Samaria, dat vanaf de tijd van Jerobeam het centrum van een duivelse imitatiegodsdienst was geworden, door de Assyrische bevelhebber Salmaneser belegerd. In het zesde jaar van Hizkia’s koningschap konden sommige inwoners van Juda vanaf hun daken zien hoe hun broedervolk door de Assyriërs als ballingen werden weggevoerd. Viel Israël dan ten prooi aan de willekeur van een vijandige natie? Nee, de HEERE geeft uitdrukkelijk de reden voor deze catastrofe: “omdat zij de stem van de HEERE, hun God, niet gehoorzaam waren geweest, maar Zijn verbond hadden overtreden. Zij hadden niet geluisterd naar alles wat Mozes, de dienaar van de HEERE, geboden had, en hadden dat niet gedaan” (2 Kon. 18:12).

Contrast tussen Achaz en Hizkia

Dat het 2-stammenrijk Juda eenzelfde lot werd bespaard, is mede te danken aan het doortastend optreden van de godvrezende koning Hizkia. We lezen over hem: “Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde negenentwintig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Abia, de dochter van Zacharia” (vs. 2). Mooi om even stil te staan bij de veelzeggende naambetekenissen. Hizkia betekent: ‘De HEERE is mijn kracht’. Hij wordt ook genoemd Jehizkia, ‘Die de HEERE zal versterken' (zie o.a.: 2 Kron. 29:1 S.V.).

Abia, de naam van zijn moeder, betekent: ‘Mijn Vader is de HEERE’ en Zacharia, de naam van zijn grootvader, betekent: ‘De HEERE gedenkt’. Als we passages in de Bijbel lezen waarin ‘de HEERE gedenkt’, heeft dat bijna altijd betrekking op het gedenken van Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob, of - in de context van deze geschiedenis - aan Zijn beloften jegens David (Exod. 2:24; Lev. 26:42,45; Ps. 105:8-10; 2 Kon. 19:34; 20:6; 2 Kron. 21:7; 23:3).

Als we deze namen vergelijken met die van Achaz: ‘bezitter’ of ‘hij heeft gegrepen’, zien we een scherp contrast tussen vader en zoon. Alles wat Achaz aan duistere dingen had gegrepen en verzameld in de tempel (2 Kron. 29:16), werd door Hizkia vernietigd. “Hij (Hizkia) deed wat juist was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vader David gedaan had. Hij nam de offerhoogten weg, sloeg de gewijde stenen in stukken en hakte de gewijde palen om. Hij verbrijzelde ook de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de Israëlieten er tot die tijd toe reukoffers aan gebracht hadden; men noemde hem Nehustan” (vs. 3-4).

Nehustan

Deze ongeveer 700 jaar oude koperen slang was ooit door Mozes in opdracht van de Heere opgericht tot genezing van het volk (Num. 21:9; Joh. 3:14) en was later de naam Nehustan gegeven. Dat lijkt onschuldig en is ook niet meer dan een samenvoeging van de woorden ‘slang’ en ‘koper’. Maar gezien het feit dat er reukoffers aan werden gebracht, was dat impliciet een afwijzing en krenking van de Naam, waarin God Zijn Wezen had geopenbaard. Vele eeuwen later zou de Heere Jezus Zijn volksgenoten waarschuwen: “Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader maar u neemt Mij niet aan. Als een ander komt, in zijn eigen naam, die zult u aannemen” (Joh. 5:43). We zien in Nehustan een verre voorafschaduwing van het beeld dat eens voor het beest zal worden opgericht en op straffe des doods aanbeden moet worden (Opb. 13:15).

Maar er is ook een analogie te herkennen met het kruis, dat in feite de vervulling is van de door Mozes opgerichte koperen slang (Joh. 3:14). Voor sommigen heeft het kruis echter de mystieke betekenis van een amulet gekregen. En wat te denken van het hakenkruis, dat in nazi-Duitsland symbool werd voor de gruwelijkheden die het Joodse volk zijn aangedaan? Geen wonder dat het kruissymbool voor veel Joden een vloek is geworden en het Israëlische schoolsysteem het plusteken + verving door .

Geen twee heren dienen

Eindigt vers 4 met de naam Nehustan, in het volgende vers zien we hoe Hizkia vertrouwde op de HEERE (de Godsnaam JHWH), Die uitdrukkelijk ‘de God van Israël’ wordt genoemd. Zijn vertrouwen was zo groot dat “er na hem zijns gelijke niet was onder alle koningen van Juda, en ook niet onder hen die er vóór hem geweest waren”. Waarom Hizkia’s geloof uitstak boven dat van de andere koningen lezen we in vers 6: “Want hij hield zich vast aan de HEERE (ook hier weer de Naam); hij week er niet van af Hem na te volgen, en hij nam Zijn geboden in acht, die de HEERE Mozes geboden had”.

Bij de andere koningen zien we vaak dubbelhartigheid: God dienen en tegelijk de offerhoogten ongemoeid laten. Zoals bijvoorbeeld Jotham: “Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE … Alleen werden de offerhoogten niet weggenomen: het volk bracht nog steeds slachtoffers en reukoffers op de offerhoogten” (2 Kon. 15:34-35). Natuurlijk ligt hier ook voor ons een belangrijke geestelijke les: “Niemand kan twee heren dienen, want of hij zal de één haten en de ander liefhebben, of hij zal zich aan de één hechten en de ander minachten” (Matt. 6:24a).

Hizkia’s liefde voor de HEERE blijkt onder andere uit het met goud laten overtrekken van de tempeldeuren die Achaz notabene gesloten had en die tevens de lampen gedoofd en de reukoffers en brandoffers beëindigd had (2 Kron. 29:7). Het gevolg hiervan vermeldt het volgende vers: “De HEERE was met hem. Overal waarheen hij uittrok, handelde hij verstandig. Bovendien kwam hij in opstand tegen de koning van Assyrië en diende hem niet meer”. Wat dit laatste betreft neemt Hizkia eveneens afstand van Achaz’ buitenlands politiek beleid, waarin de Assyriërs om hulp werden gevraagd in strijd tegen de koning van Syrië en de koning van Israël (2 Kon. 16:7).

Vervulling van Jesaja’s profetie

Als we daarna in vers 8 lezen dat Hizkia de Filistijnen tot aan Gaza versloeg “en de bijbehorende gebieden veroverde, van de wachttoren af tot de versterkte steden toe”, blijkt die overwinning een vervulling van Jesaja’s profetie, naar aanleiding van Achaz’ dood. Het leek er namelijk op dat het Davidisch koningschap met Achaz’ sterven ten einde was gekomen. Maar Jesaja’s profetie luidt: “Verblijd u niet, heel Filistea, want de staf die u sloeg, is wel gebroken, maar uit de wortel van de slang zal een gifslang voortkomen, en haar vrucht zal een vurige, vliegende draak zijn”. Met aan het slot van de profetie een blik op het toekomstige Messiaanse rijk:  “De HEERE heeft Sion gegrondvest; en in haar vinden de ellendigen van Zijn volk een toevlucht” (Jes. 14:29, 30, 32b).

De deuren van de tempel geopend

Zoals vermeld in onze vorige studie, geeft 2 Kronieken heel veel details over de geestelijke opwekking die onder Hizkia plaatsvond. “Hij was het die in het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, de deuren van het huis van de HEERE opende en ze herstelde” (2 Kron. 29:3). Maar wat een schrik toen deze deuren geopend werden en het huis van de HEERE door Achaz bleek volgepropt met heidense attributen en hij aan de heilige voorwerpen enorme vernielingen had aangericht (2 Kron. 28:24). Hizkia roept de priesters en Levieten op het Oostplein bijeen en draagt hen op om al het afgodisch materiaal te verwijderen (2 Kron. 29: 4-5, 16).

Gods dreigende toorn afgewend

Merk op hoe Hizkia in 2 Kronieken 29:6-9 verband legt tussen de geestelijke en de politieke toestand van land en volk: “Want onze vaderen zijn ontrouw geweest en hebben gedaan wat slecht was in de ogen van de HEERE, onze God, en hebben Hem verlaten. Zij hebben hun ogen van de tabernakel van de HEERE afgewend, en hebben Hem de rug toegekeerd. Ook hebben zij de deuren van de voorhal gesloten, de lampen gedoofd en het reukwerk niet in rook laten opgaan. En het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God van Israël niet gebracht. Daarom rustte de grote toorn van de HEERE op Juda en Jeruzalem. Hij heeft hen overgegeven tot een schrikbeeld, tot verwoesting en tot een aanfluiting, zoals u met uw eigen ogen ziet. Zie, daarom zijn onze vaderen door het zwaard gevallen, en daarom zijn onze zonen, onze dochters en onze vrouwen in gevangenschap geweest”.

Hizkia doet vervolgens wat de HEERE al door Mozes had voorzegd, namelijk dat een terugkeer tot Hem een keer in hun lot zou teweegbrengen. “Nu is het in mijn hart een verbond te sluiten met de HEERE, de God van Israël, zodat Zijn brandende toorn zich van ons afkeert. Mijn zonen, wees nu niet nalatig, want de HEERE heeft u uitgekozen om voor Zijn aangezicht te staan om Hem te dienen, om voor Hem dienaars te zijn, mannen die reukoffers brengen” (2 Kron. 29:10). En zo wordt de daad bij het woord gevoegd en Gods dreigende toorn afgewend: “Zij (de priesters en Levieten) begonnen met het heiligen op de eerste dag van de eerste maand; op de achtste dag van de maand kwamen zij in de voorhal van de HEERE. Zij heiligden het huis van de HEERE in acht dagen, en op de zestiende dag van de eerste maand waren zij klaar” (vs. 17).

De eerste dag van de eerste maand

Opvallend is dat zij op de eerste dag van de eerste maand met de heiliging van de tempel begonnen. De Schrift vermeldt namelijk zes belangrijke gebeurtenissen op deze eerste dag van de eerste maand, waarin steeds een nieuwe fase aanvangt:

1.         De dag waarop na de zondvloed de aarde was opgedroogd (Gen. 8:13).
2.         De dag waarop alle materialen voor de tabernakel gereed waren en deze voor het eerst werd opgebouwd (Exod. 40:2, 17).
3.         De tempelreiniging door Hizkia.
4.         De dag waarop Ezra vanuit Babel naar Jeruzalem vertrok (Ezra 7:9).
5.         De wegzending van de vreemde vrouwen, waardoor de toorn God over het volk was gekomen (Ezra 10:17).
6.         De reiniging van de toekomstige tempel door het bloed van een jonge stier (Ezech. 45:18).

Belangrijk is daarbij te bedenken dat de maand waarop het Paaslam in Egypte werd geslacht uitdrukkelijk als eerste kalendermaand van het jaar moest worden aangemerkt (Exod. 12:2). Alle daaropvolgende feesten waren in feite gebaseerd op het offerbloed van het lam en waren schaduwbeelden van het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt (Joh. 1:29).

Een grote geestelijke opwekking

Na de reiniging en opening van de tempel volgt er een enorme offerdienst door de leiders van Jeruzalem (2 Kron. 29:20-24) en later door het volk (vs. 31-35), zodat de priesters moesten worden bijgestaan door de Levieten. Er waren namelijk onvoldoende priesters voor het werk geheiligd (vs. 34; 30:3, 17). Het is trouwens opvallend dat het volk met name in 2 Kronieken 29-30, waar het dus vooral gaat over de geestelijke opwekking, wordt aangeduid als ‘haqahal’, de gemeente8, wat een indicatie is voor hun eenduidige geestelijke gezindheid. “Heel de gemeente boog zich neer toen men het lied zong en op de trompetten blies. Dit alles vond plaats tot het brandoffer beëindigd werd. Toen men klaar was met offeren, knielden de koning en allen die zich bij hem bevonden, en bogen zich neer. Daarna zeiden koning Hizkia en de leiders tegen de Levieten dat zij de HEERE prijzen moesten met de woorden van David en van Asaf, de ziener.9 En zij prezen Hem met blijdschap, en knielden en bogen zich” (29:28-30).

Opmerkelijk hoe de HEERE vooral de hartgesteldheid van de priesters en Levieten blootlegt: “Er waren echter te weinig priesters … Want de Levieten waren oprechter van hart om zich te heiligen dan de priesters” (vs. 34). Dat het verder om een echte opwekking ging, blijkt uit de blijdschap over wat “God voor het volk tot stand gebracht had, want dit was onverwachts gebeurd” (29:36) en Zijn hand die hen eensgezindheid had gemaakt (30:12).

Pesachviering

Het is bijzonder dat Hizkia de pesachviering niet alleen in ere herstelt, maar ook een oproep doet uitgaan naar het 10-stammenrijk, dat kennelijk niet geheel in ballingschap was weggevoerd (zie 2 Kron. 30:1-3). “Daarna stuurde Hizkia boden naar heel Israël en Juda, en hij schreef ook brieven aan Efraïm en Manasse dat zij naar het huis van de HEERE in Jeruzalem moesten komen om voor de HEERE, de God van Israël, Pascha te houden. De koning had immers met zijn leiders en heel de gemeente in Jeruzalem overleg gepleegd of men het Pascha in de tweede maand zou houden, zij hadden het niet op de vastgestelde tijd kunnen houden, omdat de priesters zich niet genoeg geheiligd hadden en het volk zich niet in Jeruzalem verzameld had” (30:1-3). Prachtig te lezen hoe Hizkia overleg pleegt met de leiders van het volk om het Pesach op de tweede maand te vieren, maar ook hoe de Heere in de wet al in zo’n oplossing had voorzien (Num. 9:9-11).

Geweldige beloften

Dan mogen de ijlboden met geweldige beloften op weg gaan. De eerste is, dat als zij zich bekeren de Heere Zich tot hen zal keren: “De ijlboden gingen door heel Israël en Juda op weg met de brieven van de hand van de koning en zijn leiders, overeenkomstig het gebod van de koning. Zij zeiden: Israëlieten, bekeer u tot de HEERE, de God van Abraham, Izak en Israël. Dan zal Hij terugkeren tot de ontkomenen die van u overgebleven zijn uit de hand van de koningen van Assyrië”. 

De tweede belofte is, dat na bekering Gods brandende toorn zal worden afgewend: “Wees nu niet halsstarrig zoals uw vaderen. Geef de HEERE de hand en kom naar Zijn heiligdom, dat Hij voor eeuwig geheiligd heeft, en dien de HEERE, uw God. Dan zal Zijn brandende toorn zich van u afkeren”(30:8).

De derde belofte is, dat ook degenen die zijn weggevoerd door de HEERE naar het land zullen worden teruggebracht: “Want als u zich tot de HEERE bekeert, zullen uw broeders en uw kinderen barmhartigheid vinden bij hen die hen als gevangenen weggevoerd hebben, zodat zij in dit land zullen terugkomen. De HEERE, uw God, is immers genadig en barmhartig, en zal het aangezicht niet van u afwenden als u zich tot Hem bekeert” (30:9).

Gemengde reacties

In de volgende verzen lezen we helaas gemengde reacties: “Zo trokken de ijlboden van stad tot stad door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe, maar men lachte hen uit en bespotte hen. Maar toch vernederden sommigen van Aser, Manasse en van Zebulon zich en kwamen naar Jeruzalem. Ook was de hand van God in Juda om hen eensgezind te laten zijn, zodat zij deden overeenkomstig het gebod van de koning en de leiders, volgens het woord van de HEERE” (30:10-12)

Hizkia’s gebed

Ontroerend te zien hoe de Heere het gebed van Hizkia verhoort en zelfs degenen die zich niet gereinigd hadden, tegen de voorschriften in, toch aan het Pesach laat deelnemen. “Want een groot deel van het volk, velen uit Efraïm, Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd. Toch aten zij het Pascha, maar niet zoals het voorgeschreven was. Hizkia bad echter voor hen en zei: Laat de HEERE, Die goed is, verzoening doen voor hem die heel zijn hart erop gericht heeft om God de HEERE, de God van zijn vaderen, te zoeken, al was dat niet volgens de reinheid die past bij het heiligdom. En de HEERE verhoorde Hizkia en genas het volk” (30:18-20).

Mogelijk dat Jakobus deze geschiedenis in gedachten had toen hij schreef: “Belijd elkaar de overtredingen en bid voor elkaar, opdat u gezond wordt. Een krachtig gebed van een rechtvaardige brengt veel tot stand” (Jak. 5:16).

Grote blijdschap

Angst voor Gods dreigende toorn maakte plaats voor grote blijdschap: “En heel de gemeente van Juda verblijdde zich, evenals de priesters en de Levieten, en heel de gemeente van hen die uit Israël gekomen waren, ook de vreemdelingen die uit het land Israël gekomen waren én die in Juda woonden. Zo was er in Jeruzalem grote blijdschap, want vanaf de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was iets dergelijks in Jeruzalem niet gebeurd. Toen stonden de Levitische priesters op en zegenden het volk. En hun stem werd gehoord, want hun gebed kwam tot in Zijn heilige woning in de hemel” (30:25-27).

Geloof zonder werken is dood

Jakobus zou later schrijven dat geloof zonder werken dood is (Jak. 2:17, 26). Misschien had hij opnieuw deze geschiedenis in gedachten, want we lezen: “Toen nu dit alles beëindigd was, vertrokken alle Israëlieten die zich daar bevonden, naar de steden van Juda. Zij braken de gewijde stenen in stukken, hakten de gewijde palen om en braken de offerhoogten en de altaren af in heel Juda en Benjamin, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles vernietigd hadden. Daarna keerden al de Israëlieten terug, ieder naar zijn bezit, naar hun steden” (2 Kron. 31:1).

Daarna volgt het herstel van de tempeldienst, de heffing van de tienden voor het onderhoud van de priesters en Levieten, met als afsluitende opmerking over Hizkia: “In al zijn werk dat hij begon in de dienst van het huis van God, in de wet en in het gebod om zijn God te zoeken, handelde hij met heel zijn hart, en hij was voorspoedig”. Maar dan volgt voor Hizkia de eerste zware beproeving: de belegering van Jeruzalem door Sanherib.

Hizkia’s geloof beproefd

De strijd achter de strijd

Als Paulus in Efeze 6 schrijft over de strijd die we als christenen te voeren hebben, dan onthult hij de strijd achter de strijd: niet die tegen vlees en bloed, maar “tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten” (vs. 12). Vervolgens noemt hij nog een belangrijk element: “… opdat u weerstand kunt bieden op de dag van het kwaad, en na alles gedaan te hebben, stand kunt houden” (vs. 13).

We zien dat na alles wat Hizkia aan zegenrijke dingen heeft mogen doen, hij niet op zijn lauweren kan rusten. Juist ‘na alles gedaan te hebben’, breekt voor hem ‘de dag van het kwaad’ aan. Evenals in de dagen toen de Filistijnse reus Goliath Israël intimideerde met godslasterlijk gebulder, is het nu de Assyrische ‘reus’ Sanherib, die de God van de legermachten van Israël ernstig tart. Beiden zijn overduidelijk een type van de mens van de wetteloosheid, die zich straks op het wereldtoneel zal manifesteren (2 Thess. 2:3-4).

Door angst bevangen

Was Hizkia eerst nog tegen de koning van Assyrië in opstand gekomen en had hij zijn ijzeren juk kunnen afwerpen (2 Kon. 18:7), vanaf vers 13 lezen we hoe ‘Sanherib tegen alle versterkte steden van Juda optrok en ze innam’. Hizkia wordt bevangen door angst en stuurt Sanherib een opmerkelijke boodschap: “Ik heb gezondigd, keer van mij af; wat u mij zult opleggen, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talent zilver en dertig talent goud op” (vs. 14). Merkwaardig dat Hizkia tegen Sanherib belijdt te hebben gezondigd. Hier lijkt sprake van wat in onze tijd het Stockholmsyndroom wordt genoemd; een psychologisch overlevingsmechanisme, waarbij de gegijzelde sympathie voor de gijzelnemer toont en soms zelfs zijn terreurdaden legitimeert.

Deze omgerekend 9000 kilo zilver en 900 kilo goud kwamen grotendeels uit het huis van de HEERE, dat daarmee werd ontluisterd (vs. 16). Maar het ging Sanherib niet alleen om goud en zilver; hij wilde heel Jeruzalem tot zijn bezit maken. Sir Winston Churchill zei ooit smalend: “Een pacifist is iemand die een krokodil voert in de hoop dat hij als laatste gegeten wordt”. Maar zover komt het gelukkig niet.

Intimidatie

En dan nadert het onheil: “De koning van Assyrië stuurde de opperbevelhebber, de bevelhebber van de hofhouding en de commandant van Lachis10 naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Zij trokken op en kwamen naar Jeruzalem. Nadat zij opgetrokken en daar aangekomen waren, stelden zij zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld” (vs. 17).  Wapengekletter blijft uit, want Sanheribs commandant probeert via intimidatie Hizkia tot overgave te dwingen: “Zeg toch tegen Hizkia: Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor vertrouwen dat u koestert?” (vs. 19).

Sanherib, die door de commandant wordt aangeduid als ‘de grote koning’, doet denken aan het beest uit de zee, die door de valse profeet, van wie de commandant een type is, verering afdwingt (zie Opb. 13; 19:20). Hij smaadt de God van Israël door te suggereren dat elk vertrouwen op Hem bij voorbaat tevergeefs is: “Wie onder al de goden van de landen zijn er die hun land uit mijn hand gered hebben? Zou de HEERE dan wél Jeruzalem uit mijn hand redden?” (2 Kon. 18:35). We zien hier dus de strijd achter de strijd: niet die tegen het volk van Israël, maar tegen de God van Israël, Die het volgens Sanheribs commandant moeten afleggen tegen de god van Assyrië. Dat trouwens Hizkia’s vader Achaz ook al deze overtuiging was toegedaan, blijkt uit het feit dat hij verwachtingsvol een altaar van de Assyriërs had nagebouwd (2 Kon. 16:10-11). En dan die smalende woorden: “Welnu, ga toch een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assyrië: ik geef u tweeduizend paarden, als u van uw kant daarvoor de ruiters kunt leveren!” (vs. 23). Tja …, Salomo kon zich ten minste nog beroemen op twaalfduizend ruiters (1 Kon. 4:26) om zijn vijanden af te troeven. Hizkia had ze niet. Gelukkig maar, want de HEERE had in de wet geboden dat de koning juist niet veel paarden voor zichzelf mocht aanschaffen (Deut. 17:16). God vindt namelijk geen vreugde in de kracht van het paard en schept geen behagen in de spierkracht van de man (Ps. 147:10). Via Hosea zegt de HEERE over Juda: “Ik zal hen niet verlossen door boog, door zwaard, door strijd, door paarden of door ruiters” (Hos. 1:7).

Maar de commandant heeft nog meer pijlen op zijn boog. Zijn retorische vraag moet zijn toehoorders ervan verzekeren dat zelfs de God van Israël aan zijn kant staat. “Nu dan, ben ik buiten de wil van de HEERE tegen deze plaats opgetrokken om die te gronde te richten? De HEERE heeft tegen mij gezegd: Trek op tegen dit land en richt het te gronde!” (vs. 25). Een typisch voorbeeld van de toekomstige wereldreligie, waarin alle ‘goden’ mogen participeren. Hoe diep deze pijlen van de boze binnenkwamen, blijkt wel uit Eljakims verzoek: “Spreek toch Aramees tegen uw dienaren, want dat verstaan wij. Spreek met ons geen Judees ten aanhoren van het volk dat op de stadsmuur is”11 (vs. 26). Het blijkt een naïef verzoek, waarop de commandant banaal antwoordt: ”Heeft mijn heer mij alleen naar uw héér en naar ú gestuurd om deze woorden te spreken? Is het ook niet naar de mannen die daar op de muur zitten, om hun te zeggen dat zij met u hun eigen uitwerpselen zullen eten en hun eigen urine drinken?” (vs. 27).

Let op Sanheribs strategie: een wig drijven tussen de Heere en Zijn volk en tussen de koning en het volk: “Dit zegt de koning: Laat Hizkia u niet bedriegen, want hij zal u niet uit zijn hand kunnen redden” (vs. 29). Eigenlijk klopt dit laatste ook wel, want Hizkia was niet tot redding van zijn volk in staat. De commandant is zich er echter niet van bewust dat hij eens van elk ijdel woord rekenschap moet afleggen (Matt. 12:36). Zo ook van zijn woorden in vers 30: “Laat Hizkia u ook niet doen vertrouwen op de HEERE door te zeggen: De HEERE zal ons zeker redden, en deze stad zal niet gegeven worden in de hand van de koning van Assyrië”. Hizkia had namelijk gezegd: “Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en niet ontsteld vanwege de koning van Assyrië, en ook niet vanwege heel de troepenmacht die met hem is, want met ons is er meer dan met hem. Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is de HEERE, onze God, om ons te helpen en onze oorlogen te voeren. En het volk steunde op de woorden van Hizkia, de koning van Juda” (2 Kron. 32:7, 8).

Verdeel en heers

Satans typische verdeel-en-heersstrategie zet zich voort in vers 31: “Luister niet naar Hizkia, want dit zegt de koning van Assyrië: Geef u aan mij over, kom de stad uit, naar mij toe. Dan mag ieder eten van zijn eigen wijnstok en ieder van zijn eigen vijgenboom, en ieder water drinken uit zijn eigen put”. Deze keer gaat het om een scheiding tussen volk en land: “totdat ik kom en u meevoer naar een land als uw eigen land, een land van koren en nieuwe wijn, een land van brood en wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honing. Dan zult u leven en niet sterven. Luister niet naar Hizkia, want hij misleidt u door te zeggen: De HEERE zal ons redden” (vs. 32). “Maar het volk zweeg en antwoordde hem met geen woord, want het gebod van de koning was dit: U mag hem niet antwoorden” (vs. 36). Precies zoals de spreukendichter ooit had gezegd: “Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, anders zou ook u aan hem gelijk worden” (Spr. 26:4).

Verwijzend naar de honende woorden van de commandant jegens de God van Israël, wordt de profeet Jesaja gevraagd om voor het overblijfsel een gebed op te zenden (2 Kon. 19:4). Over de grote betekenis van dat overblijfsel had Jesaja al eerder gezegd: “Als de HEERE van de legermachten ons niet een gering aantal ontkomenen had overgelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk geworden zijn” (Jes. 1:9).

Jesaja’s gebed verhoord

God verhoorde het gebed van Jesaja en laat Hizkia weten: “Zo zegt de HEERE: Wees niet bevreesd voor de woorden die u gehoord hebt, de woorden waarmee de knechten van de koning van Assyrië Mij gelasterd hebben. Zie, Ik geef een geest in hem, dat hij een gerucht zal horen en zal terugkeren naar zijn land. Dan zal Ik hem in zijn land door het zwaard neervellen” (2 Kon. 19:6-7). En zo gebeurde het, hoewel Sanherib niet kan nalaten om toch nog een keer een dreigend bericht naar Hizkia te sturen: “Zie, u hebt zelf gehoord wat de koningen van Assyrië met al de landen hebben gedaan door ze met de ban te slaan. En zou ú dan gered worden?” En dan volgt er opnieuw een verwijzing naar de strijd tussen de goden: “Hebben de goden van de volken die mijn vaderen te gronde gericht hebben, hen gered: Gozan, Haran, Rezef en de zonen van Eden die in Telassar waren?” (2 Kon. 19:12). Hizkia’s gebed luidt daarop: “Het is waar, HEERE, de koningen van Assyrië hebben die heidenvolken en hun land verwoest, en hun goden hebben zij prijsgegeven aan het vuur. Het waren immers geen goden, maar het was het werk van mensenhanden, hout en steen. Daarom hebben zij die vernield” (2 Kon. 19:17-18). Overigens moeten we niet alles als onbetekenende heidense verbeelding van goden zien. In Daniël 10 wordt bijvoorbeeld gesproken over de strijd tussen de engel Michaël en de vorst van Perzië en de vorst van Griekenland, in Efeze 6 aangeduid als de in de hemelse gewesten residerende “overheden, machten en wereldbeheersers”.

Gebed van Hizkia (2 Kon. 19:14-19)

Behalve Jesaja, spreekt ook Hizkia een gebed uit waarvan we veel kunnen leren. Allereerst legt hij de brieven van de vijand niet voor aan zijn legeraanvoerders, maar aan de HEERE. Dan proclameert hij Gods heerlijkheid en almacht: “God van Israël, Die tussen de cherubs troont, U bent het, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt”. Merk op dat niet de verlossing uit benauwdheid, maar de manifestatie van Gods grootheid onder de volken Hizkia’s prioriteit is: “Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons toch uit zijn hand. Dan zullen alle koninkrijken van de aarde weten dat U, HEERE, alleen God bent”. En ook dat gebed wordt verhoord in Jesaja’s profetie (2 Kon. 19:20-34), die ik van harte aanbeveel om te lezen. Hierin openbaart de Heere in prachtige poëtische taal Zijn almacht, alsmede het feit dat Assyrië niet meer dan een pion in Zijn wereldheerschappij is: “Hebt u dan niet gehoord dat Ik, de Heere, dit lang tevoren gedaan heb, en dat Ik dit van de dagen van weleer heb bewerkstelligd? Nu heb Ik het doen komen: u bent er om de versterkte steden tot puinhopen te verwoesten” (vs. 25). Nee, Sanherib was zich niet bewust, evenals Babel later (Jes. 47:6-11), van deze nietige functie als pion in Gods wereldheerschappij. Integendeel: “Omdat u tegen Mij tekeer bent gegaan, en uw hoogmoed is opgeklommen tot in Mijn oren– zal Ik Mijn haak in uw neus slaan en Mijn bit tussen uw lippen, en Ik zal u doen terugkeren langs de weg waarover u bent gekomen … Want Ik zal deze stad beschermen door haar te verlossen, omwille van Mijzelf en omwille van David, Mijn dienaar” (vs. 34).

De vervulling van die profetie liet niet lang op zich wachten. Echter niet door ‘vlees en bloed’, want “het gebeurde in diezelfde nacht dat de engel van de HEERE ten strijde trok en in het leger van Assyrië honderdvijfentachtigduizend man neersloeg” (vs. 35a). En Sanherib? Hij sterft twintig jaar later een smalende dood. Terwijl hij zich in de tempel van zijn god Nisroch neerboog, bleek deze niet tot enige bescherming in staat en werd hij nota bene door zijn eigen twee zoons met het zwaard gedood. En daarmee ging opnieuw een profetie van Jesaja in vervulling (2 Kon. 19:7b).

Hizkia’s ziekte

Daarna lijkt er weer ‘een dag van het kwaad’ voor Hizkia aan te breken. De koning wordt ziek en krijgt van Jesaja te horen: “Zo zegt de HEERE: Regel de zaken van uw huis, want u zult sterven en niet leven” (2 Kon. 20:1). En wederom richt Hizkia zijn gebed tot de HEERE: “Och HEERE, bedenk toch dat ik in trouw en met een volkomen hart voor Uw aangezicht gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in Uw ogen. En hij huilde erg”. Pleit Hizkia op zijn eigen rechtvaardige daden? Het lijkt er wel op. Toch denk ik dat Hizkia net als de Heere Jezus vooral weende over het lot van Jeruzalem, toen Hij zei: “Och, dat u ook nog op deze uw dag zou onderkennen wat tot uw vrede dient! Nu echter is het verborgen voor uw ogen” (Luk. 19:42). De vraag was namelijk of degene die hem moest opvolgen ook de Heere met een volkomen hart zou dienen? Bedenk dat koningen als herders over de kudde waren aangesteld. De plaats waar zij de kudde brachten, was cruciaal voor het welzijn van de schapen. Hoewel Hizkia’s zoon Manasse pas drie jaar later geboren werd en er nog geen troonopvolger uit het Davidisch geslacht beschikbaar was, weten we hoe Manasses koningschap voor het volk een catastrofe werd. “Manasse deed hen dwalen, zodat zij erger deden dan de heidenvolken die de HEERE van voor de ogen van de Israëlieten weggevaagd had” (2 Kon. 21:9)12. Uit de reactie van de HEERE zien we dan ook dat Zijn plan verder reikte dan alleen Hizkia’s genezing: “En Ik zal vijftien jaar aan uw levensdagen toevoegen, en zal u uit de hand van de koning van Assyrië redden, evenals deze stad; Ik zal deze stad beschermen omwille van Mij en omwille van Mijn dienaar David” (2 Kon. 20:6). Heel bijzonder hoe de HEERE Hizkia’s genezing door een indrukwekkend wonderteken vooraf liet gaan: de schaduw op Achaz’ zonnewijzer ging tien treden naar beneden (2 Kon. 20:11). Niet alleen staat God boven de tijd, ook het door Hem ontworpen mechaniek van zon, maan en sterren staat onder Zijn beheer (zie ook Joz. 10:12-14).

Het einde van Hizkia’s levenswandel

De Hebreeënschrijver roept de gelovigen op hun ‘voorgangers te gedenken en te letten op de uitkomst van hun levenswandel’ (Hebr. 13:7). Hoe godsvruchtig Hizkia zijn regering ook begon, we lezen in 2 Kronieken 32 een teleurstellend detail: “In die dagen werd Hizkia ziek, tot stervens toe. Hij bad tot de HEERE, en Die sprak tot hem en gaf hem een wonderteken. Maar Hizkia vergold niet overeenkomstig de weldaad die hem bewezen was, omdat zijn hart hoogmoedig werd. Daarom rustte er grote toorn op hem en op Juda en Jeruzalem” (vs. 24, 25). Hoewel we in het volgende vers gelukkig lezen dat Hizkia en de inwoners van Jeruzalem zich vernederden voor de hoogmoed en daardoor de toorn van de HEERE tijdelijk werd afgewend, is duidelijk hoezeer de HEERE het hart van de mens beproeft. Juist als gevolg van alle zegeningen, materiële rijkdommen en Hizkia’s geniale constructie van een watertunnel, waardoor Jeruzalem ook in tijden van oorlog met water uit de Gihonbron werd voorzien (2 Kron. 32:27-30), hechtte de HEERE eraan om zijn hart te beproeven. En dus volgt een derde beproeving: “Maar het is zo, toen de afgezanten van de vorsten van Babel, die een boodschap aan hem gestuurd hadden om te vragen naar het wonderteken dat in het land gebeurd was, dat God hem verliet, om hem op de proef te stellen, om alles te weten wat er in zijn hart omging” (vs. 31). Dit wonderteken betrof de genezing van zijn ziekte (2 Kon. 20:12). Ongetwijfeld had het gezelschap een dubbele agenda, wat Hizkia kennelijk door zijn hoogmoed over het hoofd zag, want hij liet vol trots zijn hele schathuis zien. “Er was niets in zijn huis en in heel zijn koninkrijk dat Hizkia hun niet liet zien” (2 Kon. 20:13b). Achter de schermen voltrok zich echter een grote omslag in het wereldgebeuren. De rol van Assyrië, de roede van Gods toorn (Jes. 10:5), maakte plaats voor Babel, het gouden hoofd, dat de heerschappij over de volken van de God van de hemel zou worden toebedeeld (Dan. 2:37). Zo blijkt ook uit Jesaja’s verpletterend bericht: “Zie, er komen dagen dat alles wat er in uw huis is en wat uw vaderen tot op deze dag hebben opgeslagen, naar Babel zal worden weggevoerd. Er zal niets overblijven, zegt de HEERE” (2 Kon. 20:17). Het daaropvolgende vers over Hizkia’s zonen die als hovelingen in het paleis van Babel zullen wordt aangesteld, is een profetie die we in Daniël 1:3 vervuld vinden.

Wat heeft de Heere ons veel informatie over Hizkia en zijn koningschap gegeven. Goed te beseffen dat “deze dingen zijn gebeurd als voorbeelden voor ons” (1 Kor. 10:6).

Voetnoten:

1. Verslag in Jes. 36-39 is bijna volledig identiek aan 2 Kon. 18-20.
2. Amorieten is hier een verzamelnaam voor de Kanaänitische volken. In Jozua 24:8 en Amos 2:10 wordt Kanaän namelijk aangeduid als het land van de Amorieten.
3. Denk ook aan de kindermoord van Herodes (Matt. 2:16), dat in feite een gerichte aanval was op het koninklijk Nageslacht van David, de Heere Jezus Christus.
4. Zie o.a. 2 Sam. 7:12; Ps. 132:11.
5. Zijn naam betekent: een rest zal zich bekeren/terugkeren. De naam bevat dus een geweldige belofte voor het gelovig overblijfsel van Israël, dat niet alleen tot de Heere, maar ook tot het land zal terugkeren. Daarentegen staat de betekenis van de naam van Jesaja’s andere zoon Maher Sjalal Chasj Baz voor snelroof, vlugge buit (Jes. 8:1, 3) en heeft betrekking op de legers van de koning van Assyrië: “Hij dringt door tot in Juda, overspoelt het, trekt er doorheen, hij reikt tot aan de hals, en zijn uitgebreide vleugels zullen de volle breedte van Uw land innemen, Immanuel!” (Jes. 8:8).
6. Aangezien Jesaja deze woorden rond 735 v.Chr. tot Achaz sprak, is het aannemelijk dat hier wordt gedoeld op een wegvoering van grote groepen inwoners van het Tienstammenrijk en over de gedwongen immigratie van buitenlanders in het noordelijke gebied in circa 671 v.Chr. De aangekondigde gebeurtenis is dus ruimschoots na de officiële val van Samaria in 723 of 720 v.Chr. te dateren (Bron: StudieBijbel).
7. Merk op niet ‘een maagd’, maar ‘de maagd’.
8. Niet te verwarren met de nieuwtestamentische Gemeente, het Lichaam van Christus, bestaande uit Joden en heidenen.
9. Evenals David, die een profeet wordt genoemd, wordt Asaf vergelijkbaar ‘een ziener’ genoemd. Beide auteurs hebben in hun Psalmen dan ook ‘veel en ver mogen zien’.
10. Belangrijke vestingstad, 16 kilometer ten zuidwesten van Jeruzalem op de grens van Gaza. Hij lag op Sanheribs route naar Egypte. De overwinning op Lachis (2 Kron. 32:9) zijn ook op afbeeldingen in Ninevé teruggevonden.
11. Aramees was de taal van het Perzische rijk; Judees (hier voor het eerst genoemd) zou later bekend worden als het Hebreeuws.
12. Opmerkelijk dat Manasse in Babel tot inkeer kwam (2 Kron. 33:13).

Sluiten