Moeten wij ons aan de Wet van Mozes houden?

Oud Testament | Nieuw Testament | Geloofsopbouw Tekst, Pieter A. Siebesma

“Want Mozes heeft van oude tijden af in elke stad mensen die hem prediken, want hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen” (Hand. 15:21).

In het Nieuwe Testament lezen we dat al vanaf het begin van de Gemeente er problemen ontstonden tussen Joodse volgelingen van de Heere Jezus en diegenen die zich vanuit het heidendom tot Hem bekeerden. Immers, de Joden waren van huis uit gewend zich aan de voorschriften van Mozes te houden, zoals hen door het Oude Testament en de rabbijnen was geleerd. Voor niet-joodse gelovigen lag dat anders. Door het geloof in Jezus Christus konden zij tot God de Vader komen buiten de wet om. Pas daarna werden zij geconfronteerd met hun Joodse broeders en zusters, die er geheel andere gewoonten op na hielden. Hoe moest men binnen de Gemeente met deze verschillen omgaan?

In de brief aan de Galaten lezen we over een conflict tussen de apostelen Petrus en Paulus. Petrus was gewoon om met niet-joodse gelovigen de maaltijd te gebruiken. Echter, onder invloed van Joodse christenen uit de kring van Jakobus stopte hij hiermee, omdat deze gelovigen niet volgens de Joodse spijswetten aten. Paulus was hier boos over en beschuldigde Petrus van hypocrisie: “Als u die een Jood bent, naar heidens gebruik leeft en niet naar Joods gebruik, waarom dwingt u dan de heidenen op (de) Joodse manier te leven” (Gal. 2:14). Het is opmerkelijk dat Paulus hier níet stelt dat Joodse gelovigen niet meer volgens de Joodse voedselwetten mogen eten. Evenmin verplicht hij de gelovigen uit de heidenen zich aan het kasjroet (Joodse voedselwetten) te houden.

Maar in dit artikel wil ik stilstaan bij een andere bekende passage uit het Nieuwe Testament. In Handelingen 15 worden op het zogenaamde apostelconvent beslissingen genomen ten aanzien van de verhouding tussen Joodse en niet-joodse gelovigen. Aan welke voorschriften uit de wet van Mozes dienen gelovigen uit de heidenen zich te houden? Dit is een bekend Bijbelgedeelte, maar het is mij opgevallen dat vooral het slot veel vragen oproept. Nadat Jakobus vier voorschriften heeft genoemd, merkt hij op: “Want Mozes heeft van oude tijden af in elke stad mensen die hem prediken, want hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen” (vers 21). Wat wil Jakobus hiermee zeggen? Er worden veel verschillende uitleggingen gegeven van deze tekst. Maar welke past in de context?

Meningsverschil

De aanleiding tot deze vergadering van apostelen en oudsten in Jeruzalem was een meningsverschil binnen de gemeente van Antiochië. Enkele uit Jeruzalem afkomstige Joodse gelovigen leerden, dat als de niet-joodse leden van deze gemeente zich niet lieten besnijden (zoals was voorgeschreven in de Thora van Mozes) zij niet behouden konden worden. Paulus en Barnabas verzetten zich fel tegen deze opvatting. Toen de standpunten niet tot elkaar kwamen, besloot men om bij de moedergemeente in Jeruzalem advies te vragen. Paulus en Barnabas werden als tegenstanders samen met enkele anderen, mogelijk voorstanders, afgevaardigd.

Nu had Paulus tegen de besnijdenis op zichzelf niet zo’n bezwaar. Zowel hij als Barnabas waren immers besneden. Evenmin had Paulus er problemen mee om Timotheüs, een gelovige uit Lystra, te laten besnijden (Hand. 16:3). Niet zozeer uit principiële redenen, maar omdat Timotheüs, met een Joodse moeder en een Griekse vader, door de andere Joden als Jood zou worden beschouwd. Als hij samen met Paulus in de synagogen zou komen, zou het feit dat hij als Jood niet besneden was problemen kunnen geven en daarmee afbreuk doen aan de boodschap van het Evangelie. Maar de vraag waar het hier om ging, was of diegenen die uit de heidenen tot het geloof in de Heere Jezus kwamen, zich moesten laten besnijden en of dat noodzakelijk was voor hun eeuwige behoud.

Het pleidooi van Petrus

Binnen de gemeente van Jeruzalem gold dat voor een aantal Joden, uit de kring van de Farizeeën, welhaast als vanzelfsprekend. Zij vonden dat heidenen die zich tot Jezus bekeerden, daarmee deel gingen uitmaken van het Joodse volk en dat zij zich dus aan de Thora moesten houden. Dat zij die opvatting hadden, valt wel te begrijpen, want dat was tot die tijd algemeen. Wanneer je als niet-jood je bekeerde tot het Joodse geloof, dan werd je ondergedompeld in het water van het rituele bad (mikve). Als je een man was, werd je besneden en nam je de verplichting op je om je aan de gehele wet van Mozes te houden. De gemeente van Jeruzalem bestond grotendeels uit Joodse gelovigen, die zich verbonden voelden met het Joodse volk. Door hun bekering waren zij niet ‘Joden-af’, maar waren ze nu complete Joden.

Maar tijdens deze vergadering hield Petrus toch een pleidooi tegen deze opvatting: “Mannenbroeders, u weet dat God lang geleden onder ons mij uitgekozen heeft, zodat de heidenen uit mijn mond het woord van het Evangelie zouden horen, en zouden geloven. En God, de Kenner van de harten, heeft getuigenis aan hen gegeven door hun de Heilige Geest te geven, evenals aan ons; en Hij heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, en heeft hun hart door het geloof gereinigd. Welnu dan, waarom verzoekt u God door een juk op de hals van de discipelen te leggen dat onze vaderen en ook wij niet hebben kunnen dragen? Maar wij geloven door de genade van de Heere Jezus Christus op dezelfde wijze zalig te worden als ook zij” (Hand. 15:7-11).

Dit pleidooi van Petrus roept vragen op. Hier zegt hij dat God hem uit de apostelen heeft uitverkoren zodat de heidenen uit zijn mond het Evangelie zouden horen. Is dat niet in tegenspraak met Galaten 2:7, waar Petrus de apostel van de besnedenen wordt genoemd en Paulus de apostel van de heidenen? Dat lijkt me niet.

In Galaten 2:7 bevestigen de leiders van de gemeente van Jeruzalem dat Paulus van God een speciale gave heeft ontvangen om het Evangelie aan de niet-Joden te verkondigen. Maar Petrus verwijst hier mijns inziens verder terug, namelijk naar zijn bezoek aan het huis van Cornelius (Hand. 10). Hij is tenslotte de eerste apostel die met een groep niet-joden contact krijgt. In Joppe krijgt hij driemaal een visioen van een laken met allerlei soorten reine en onreine dieren en de oproep om daarvan te eten. Wanneer meteen daarop boodschappers hem uitnodigen om naar het huis van de Romeinse hoofdman Cornelius te komen, begrijpt hij dat het visioen daarop sloeg. Joden mochten niet het huis van heidenen binnengaan of samen met hen eten. We beseffen vaak niet hoe groot deze stap van Petrus was en hoeveel weerstand hij bij zichzelf moest overwinnen om het huis van de niet-joodse Cornelius binnen te gaan. Als hij dit visioen niet had gehad, had hij hoogstwaarschijnlijk geweigerd. Maar als hij een evangelisatiepreek houdt en ziet dat de Heilige Geest op niet-joodse aanwezigen valt, kan hij niet anders dan vaststellen dat God heidenen buiten de wet om tot bekering ten leven heeft geleid. En dan staat ook niets in de weg om hen te dopen, waarbij ze nu officieel tot het Lichaam van Christus behoren.

Dat is wat Petrus hier wil zeggen: “Als God indertijd aan heidenen de Heilige Geest heeft gegeven buiten de wet om, waarom moeten wij hen dan een juk opleggen die zelfs onze vaderen en wijzelf niet hebben kunnen dragen”. Barnabas en Paulus haken daarop in en getuigen van de vele wonderen en tekenen die God onder de heidenen had gedaan waardoor velen van hen, net als eerder het huis van Cornelius, tot bekering waren gekomen. Er is dus geen onderscheid tussen de heidenen en de Joden die Christus toebehoren.

Jakobus, de rechtvaardige

Als de aanwezigen zwijgen, neemt Jakobus het woord. Deze Jakobus is niet de apostel Jakobus en broer van Johannes. Deze was al in een eerder stadium door koning Herodes vermoord (Hand. 12:2). Het gaat hier naar alle waarschijnlijkheid om de broer van de Heere Jezus (Gal. 1:19) en schrijver van de gelijknamige brief. Het is opmerkelijk dat niet een van de twaalf apostelen de leiding van de gemeente had, maar juist deze Jakobus. De kerkvader Eusebius vertelt in zijn Kerkgeschiedenis, dat hij “de rechtvaardige” werd genoemd. Deze titel (in het Hebreeuws tsaddiek) is een typisch Joodse titel en wijst erop dat hij zich nauwgezet aan de voorschriften hield. Zo was Jakobus, aldus Eusebius, een nazireeër, iemand die geen wijn of bedwelmende drank dronk en op wiens hoofd geen scheermes kwam, zoals ooit ook bij Simson het geval was. Hij was regelmatig in de tempel te vinden, waar hij voorbede deed voor zijn volk. Hij lag zo vaak in de tempel op zijn knieën om voor zijn volk om vergeving te bidden, dat hij eelt op zijn knieën had zoals een kameel!

Ondanks het feit dat Jakobus in alle opzichten een orthodoxe Jood was, behoorde hij niet tot de radicale richting van de Joodse christenen. Hij hield zich strikt aan de Thora, maar wilde dit niet aan de heidenen opleggen. Zijn antwoord is bekend: ”Daarom ben ik van oordeel, dat men het hun, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet lastig moet maken, maar aan hen moet schrijven, dat zij zich hebben te onthouden van de dingen die door de afgoden besmet zijn, van ontucht, van het verstikte en van bloed. Want Mozes heeft van oude tijden af in elke stad (mensen) die hem prediken, want hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen” (Hand. 15:19-21).

Gelovigen die zich vanuit een niet-joodse achtergrond tot de Heere Jezus bekeren, behoeven de wet van Mozes niet na te leven, maar alleen aandacht te besteden aan de genoemde vier voorschriften. Het is opvallend, dat deze vier punten driemaal worden genoemd in de Handelingen, in bovenstaande tekst, maar ook in Handelingen 15:29 en 21:25. Hieruit blijkt wel, dat Lukas aan deze voorschriften groot belang hechtte. Onder ‘besmet door de afgoden’ verstaat men het eten van offervlees dat van heidense offers afkomstig is (zie Hand. 15:29; 21:25). Elders in het Nieuwe Testament wordt het vaak in één adem genoemd met ontucht (Opb. 2:14, 20). Je moet bij ontucht niet alleen denken aan het plegen van overspel, dat in de Romeinse tijd niet ongewoon was, maar ook aan de binnen de Romeinse samenleving geaccepteerde praktijken als homoseksualiteit of incestueuze contacten, zie Leviticus 18:6. Onder ‘het verstikte’ verstaat men het eten van dieren die niet zijn geslacht, maar die op een andere manier om het leven zijn gekomen, bijvoorbeeld door een strik of een ongeluk. De reden is, dat men bij verstikte dieren het bloed niet eruit heeft laten lopen, zoals dat in Leviticus 17:10-16 wordt geboden. Daaraan gerelateerd is het verbod om bloed te eten. Dit was bij de heidenen een normale praktijk. Bij bepaalde godsdienstige ceremonies werd bloed gedronken.

Waarom juist deze voorschriften?

Waarom worden juist deze vier voorschriften genoemd en geen andere? Sommigen denken dat het hier zaken betreft die voor Joden een gruwel zijn. In de gemeente dienen Joden en niet-joden samen te leven. Wanneer sommige leden bloed of vlees van verstikte dieren zouden eten, kon dit voor de Joodse leden een onoverkomelijk bezwaar vormen. Voor heidenen is het eten van bloed misschien wel gewoon, maar voor Joden is het ondenkbaar. Daarom zegt Jakobus dat Mozes, dat wil zeggen de wet van Mozes, een brede verspreiding heeft. Overal in de toenmalige bewoonde wereld trof men Joden aan, voor wie het eten van bloed en het verstikte een gruwel was. Het is daarom niet toevallig dat toen het Joodse element binnen de christelijke gemeente afnam en uiteindelijk verdween, ook deze voorschriften geleidelijk in onbruik raakten.

Andere bijbeluitleggers denken dat het hier om voorschriften gaat die ook al voor de tijd van Mozes golden. Bijvoorbeeld het verbod om bloed te eten, is al aan Noach gegeven. Na de zondvloed gebiedt God hem: “Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven evenals het groene gewas. Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, er nog in mag u niet eten” (Gen. 9:3-4). Ook de bezoedeling met de afgoden en ontucht waren geboden uit de tijd van de aartsvaders en waaraan zij zich hielden. Dus ze zijn niet specifiek voor het Joodse volk bedoeld, maar voor de gehele wereldbevolking.

Maximum of minimum?

Een andere vraag is of het hier om een maximum gaat of om een minimum. Oftewel, dienen de gelovigen uit de heidenen zich hieraan te houden en stopt het daarmee? Of is dit slechts een beginpunt, zoals dat wel door gelovigen uit de Messiaanse Beweging wordt beweerd. Zij baseren dat met name op het slot. “Want Mozes heeft van oude tijden af in elke stad (mensen) die hem prediken, want hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen” (Hand. 15:21). Jakobus wil hiermee zeggen, dat als de pas bekeerde gelovigen naar de synagogen gaan, waar de wet van Mozes wordt voorgelezen, dat zij dan vanzelf wel zullen horen wat er in de Wet staat. En dan zullen zij vanzelf wel meer voorschriften uit de Thora gaan volgen. Oftewel, hoe langer iemand christen is, hoe meer hij of zij het verlangen krijgt om zich aan de voorschriften te houden, door bijvoorbeeld de sabbat te gaan vieren, deel te nemen aan de Joodse feesten en koosjer te eten.

Maar is dat wat Jakobus hier bedoelt? Is zo’n uitleg niet strijdig met wat Petrus en Jakobus eerder hebben gezegd. Zij stellen niet dat als de nieuwe gelovigen uit de heidenen maar genoeg kennis van het Oude Testament krijgen en geestelijk gaan groeien, dat ze dan vanzelf het verlangen krijgen om zich bijvoorbeeld te laten besnijden. Nee, men mag gelovigen uit de heidenen niet verplichten zich te laten besnijden.

Opvallend is dat deze opmerking van Jakobus alleen hier staat en niet in de brief aan de gemeenten is opgenomen (Hand. 15:29 en 21:25). Ik meen dat de oplossing veel simpeler is. Jakobus wil hier alleen maar zeggen: Overal ter wereld zijn er in iedere stad van oudsher synagogen, waar op iedere sabbat de Wet wordt voorgelezen en gepredikt. Daarom is de vraag of gelovigen uit de heidenen zich aan de Wet van Mozes moeten houden, niet alleen relevant voor de gemeente van Antiochië, maar zal op iedere plek, waar synagogen zijn, zich voordoen. Gelovigen uit de heidenen zullen voortdurend met deze vraag geconfronteerd worden. We moeten hen nu helderheid verschaffen, zodat we dit probleem voorgoed uit de wereld kunnen helpen.

De vergadering gaat akkoord met dit voorstel en de apostelen en oudsten stellen een brief op aan de broeders uit de heidenen, niet alleen in Antiochië, maar ook in Syrië en in Cilicië (het zuidoostelijk deel van Turkije), dus aan het gehele gebied waar tot dat moment gelovigen uit de heidenen woonden.

Vandaag de dag

De beslissing genomen op het apostelconvent is ook vandaag de dag nog van belang. Het is niet verkeerd als gelovigen uit de volkeren koosjer eten, de sabbat vieren of zich aan de Joodse feestdagen houden. Maar we zijn behouden op basis van het volbrachte offer van Christus, wanneer we in Hem gaan geloven. Dat geldt voor Jood en niet-Jood.

Nergens in het Nieuwe Testament lezen we dat hoe langer je christen bent, hoe meer liefde je krijgt om je aan de geboden van het Oude Testament en van de rabbijnen te houden. Wel dat we meer op Christus mogen gaan lijken, maar dat komt tot uiting in dat we Hem navolgen in Zijn karakter, in de liefde die Hij heeft voor zondaren en voor ons. We mogen daarom elkaar deze voorschriften niet opleggen.

Maar laten we ons er ook van bewust zijn dat ook de wereld ons voorschriften wil opleggen, die evenzeer (of zelfs meer) wettisch zijn en die niet in de Bijbel zijn terug te vinden. Paulus schaart dat onder de menselijke bepalingen: “Laat dus niemand u veroordelen inzake eten, drinken, of op het punt van een feestdag, een nieuwe maan of de sabbatten. Deze zaken zijn een schaduw van de toekomstige dingen, maar het lichaam is van Christus” (Kol. 2:16-17).

Sluiten