Namen en titels van de Heer in Openbaring

Profetisch Woord | Christologie | Nieuw Testament Tekst,

“Het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie”, aldus de engel die Johannes ervan weerhoudt iemand anders dan God te aanbidden (19:10). Want terwijl de valse profeet de mensheid opwekt om het beest uit de zee en daarmee satan zelf een goddelijke status toe te kennen (19:20), maakt de ware profetie de Heere Jezus Christus tot centrum van aanbidding. De grotendeels unieke namen en titels van de Heere Jezus in Openbaring staan veelal in een scherpe contrastverhouding tot personen en demonische wezens met hun gruwelen tijdens ‘de dag des Heeren’.

Jezus Christus (1:1, 2, 5)

Jezus is Zijn aardse naam en betekent ‘de Heere redt’. Denk aan de woorden van de engel tot Jozef: “u zult Hem de naam Jezus geven, want [ter verklaring] Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden” (Matt. 1:21). Als Maria de naam van de engel te horen krijgt, staat deze opnieuw in relatie tot Israël: “En zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven. Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen” (Luk. 1:31-34).

Om Zijn koningschap te realiseren, werd Hij hiertoe door God gezalfd. Daar wijst de titel Christus op, wat ‘Gezalfde’ betekent. We lezen in Psalm 2:2: “De koningen van de aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde” (Hebr.: Masjiach; Grieks: Christos). Daarop volgt het goddelijk decreet: “Ik heb Mijn Koning toch gezalfd over Sion, Mijn heilige berg” (vs. 6). Zo zetten de eerste woorden de toon van het Boek: “Openbaring van Jezus Christus …”.De volgorde Jezus Christus (in plaats van Christus Jezus) benadrukt Zijn aardse weg om door Zijn dood en opstanding in de positie van de Christus gesteld te worden.

De Heere Jezus (22:20-21)

Niet zelden spreken we over ‘Jezus’, zonder ten diepste te beseffen dat Hij de Heere der heren is. Het is in dit verband noemenswaardig met hoeveel ontzag Zijn discipelen onderling uitsluitend over Hem spraken als ‘de Heere’ 1 (zie o.a. Luk. 19:34; 24:34; Joh. 20:2, 18, 25; 21:7, 12). Openbaring eindigt dan ook met de woorden: “Hij Die van deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen”.

De eerstgeborene uit de doden, de levende (1:5, 18)

Satan, de mensenmoordenaar van het begin (Joh. 8:44), is ‘de sleutels van het rijk van de dood en van de dood ontnomen’ (1:18). Christus is de Eerstgeborene uit de doden en heeft ‘hem, die de macht over de dood had, onttroond’ (Heb. 2:14). Daarom wordt Hij ook ‘de Levende’ genoemd; levend tot in alle eeuwigheid.

De Vorst van de koningen der aarde (1:5)

Met de overwinning over satan, die Hem ooit voor een knieval het bezit van de koninkrijken der aarde aanbood (Matt. 4:9), is Hij door Zijn opstanding de ware Erfgenaam en onbetwistbare Vorst van de koningen der aarde geworden. In Psalm 2:8 horen we de Vader tot de Zoon zeggen: “Eis van Mij en Ik zal U de heidenvolken als Uw eigendom geven, de einden der aarde als Uw bezit”. In Openbaring 17:14 vinden we de vervulling: “Zij zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam – want Heere der heren is Hij en Koning der koningen – zal hen overwinnen …”.

De Alfa en de Omega, het begin en het einde, Die is en Die was en Die komt, de Almachtige (1:8)

Deze namen en titels kunnen we eigenlijk niet los van elkaar benoemen, omdat zij in elkaar overvloeien. De Alfa en de Omega2 zijn de eerste en laatste letter van het Griekse alfabet. De letters staan symbool voor Hem, Die het Begin en het Einde is. Hij is de IK BEN, in Wie de tijd (is, was en komt) verzwelgt, alsmede de Almachtige, “want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil bestaan zij en zijn zij geschapen” (4:11).

Deze Almachtige, Die is en was, zal ook voor de tweede keer naar deze aarde komen: het grote thema van Openbaring. De titel ‘Die is en Die was en Die komt’, vinden we exclusief in Openbaring (1:4, 8; 4:8; 11:17).3

Zoon des mensen (1:13) en zoon van God (2:18)

De titel ‘de Zoon des mensen’ is in de context van Openbaring vooral ontleend aan de profetie van Daniël 7:13, 14, waar deze Zoon des mensen “werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen Hem moesten vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan”.

De titel Zoon van God plaatst Hem in relatie tot de Vader en impliceert dat Hij aan God gelijk is (Joh. 5:18).

De Amen, de Getrouwe en Waarachtige Getuige, het begin van Gods schepping (3:14, zie ook 1:5 en 19:11).

Veel van de in Openbaring vermelde namen en titels houden verband met de tijd van ‘de dag des Heeren’ waarin satan, de vader van de leugen, zijn valse profeten, apostelen en christussen uitzendt om de wereld in duisternis te dompelen (Matt. 24:24; Opb. 2:2). Tegenover deze misleidende geesten staat Christus, de Amen. In Hem ligt heel Gods voornemen verankerd. Te midden van alle misleiding en duisternis is Hij het Licht der wereld, de trouwe en waarachtige Getuige (vgl. 21:23).

De titel: het Begin van Gods schepping betekent niet dat de Heere Jezus een geschapen wezen zou zijn, maar dat “Hij vóór alle dingen is, en alle dingen tezamen door Hem bestaan” (Kol. 1:15-17).

De Heilige (3:7)

Het begrip ‘heilig’ heeft de betekenis van ‘afgezonderd’. De brief aan de Hebreeën verklaart dat “zowel Hij Die heiligt als zij die geheiligd worden, allen uit één zijn. Daarom schaamt Hij Zich er niet voor hen broeders te noemen” (Heb. 2:11). De Heere Jezus is de Heilige, Die kwam als Jood onder de Joden, echter door God afgezonderd: “heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven” (Heb. 7:26).

De Waarachtige (3:7)

Heiligheid en Waarachtigheid zijn inherent aan elkaar. Vooral in Openbaring vormen Christus’ wezenskernmerken een schril contrast met de gruwelen, leugens en het bedrog, waarmee satan en zijn trawanten de wereld eerst nog naar een demonisch dieptepunt zullen voeren.

De Leeuw uit de stam van Juda (5:5)

Tegenover satan, die rondgaat als een brullende leeuw (1 Pet. 5:8) en het beest uit de zee, dat een muil heeft als van een leeuw (13:2, vgl. Heb. 11:33), staat de Leeuw (beeld van de koning der dieren) uit de stam van Juda (zie ook Jakobs profetie in Gen. 49:9, 10 en verder Opb. 10:3).

Het Lam (5:6, 8, 12, 13; 6:1, 16; 7:9, 10, 14, 17; 12:11; 13:8, 11; 14:1, 4, 10; 15:3; 17:14; 19:7, 9; 21:9, 14, 22, 23, 27; 22:1, 3)

De aanduiding van de Heere Jezus als ‘het Lam’ komt in Openbaring het meest frequent voor (29 keer). In het Nieuwe Testament komen we deze voor het eerst tegen bij Johannes de Doper. Als hij de Heere Jezus naar zich toe ziet komen, is zijn reactie: “Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt!” (Joh. 1:29). In de Beet Hamidrasj (pag. 11-14) van dit magazine gaan we vooral in op de betekenis van het geslachte lam in relatie tot de verlossing van Israël uit Egypte. Johannes de Doper bepaalt ons echter bij de reikwijdte van de universele verlossing die het Lam Gods tot stand heeft gebracht. Hij preekt daarmee geen alverzoening, zoals sommigen beweren. De voorwaarde tot verlossing blijft de reiniging door Zijn bloed en geschreven staan in ‘het boek des levens van het Lam’ (13:8; 21:27). Openbaring getuigt namelijk ook van de toorn van het Lam. Vrees daarvoor doet mensen tot de bergen en de rotsen zeggen: “val op ons en verberg ons” (6:16). Tegenover de valse messias, die horens heeft als het Lam, maar spreekt als de draak (13:11), staat het geslachte Lam, dat “waard is om de kracht te ontvangen, en rijkdom, wijsheid, sterkte, eer, heerlijkheid en dankzegging”. Die positie vereist wereldwijde erkenning: “En elk schepsel dat in de hemel, op de aarde, onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Aan Hem Die op de troon zit, en aan het Lam zij de dankzegging, de eer, de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid” (5:12, 13).

Heere der Heren en Koning der Koningen (17:14; 19:16)

Dit is een typisch Hebreeuws idioom, waarmee een uitzonderlijke positie van iets of iemand wordt aangeduid4. Zo is de ‘Heere der Heren’ en ‘Koning der koningen’ boven allen en alles verheven.

De wortel en het nageslacht van David, de blinkende Morgenster (22:16, Zie Ook 5:5)

Als Mens is de Heere Jezus uit het geslacht van David en daarom zijn rechtmatige Troonopvolger. Maar David noemt Hem ook ‘zijn Heere’ (Ps. 110:1, zie commentaar in Matt. 22:42-44). Daarmee betuigt David Zijn godheid en de Oorsprong (Wortel) van zijn bestaan. Als de blinkende Morgenster zal Hij de nieuwe dageraad van Zijn koningschap voor Israël inluiden.

Voetnoten:

1. De demonen spraken Hem daarentegen wel rechtstreeks aan met Jezus (Matt. 8:29; Mark. 1:24; 5:7).
2. Zie ook: 1:11; 2:8; 21:6; 22:13.
3. 16:5 is een variant: “Die is en Die was en Die zal zijn”.
4. Bijvoorbeeld: de uitdrukking ‘het lied der liederen’, weergegeven met het woord ‘Hooglied’.

 

Sluiten