Nog een heel korte tijd!

Profetisch Woord | Nieuw Testament Tekst, Ton Stier

Wellicht kennen we de woorden uit de Hebreeënbrief waarmee de apostel zijn lezers waarschuwt en bemoedigt: “Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven” (Hebr. 10:37). Maar welke betekenis hebben deze woorden als we bedenken dat we inmiddels zo’n tweeduizend jaar verder zijn?

Velen zullen het antwoord zoeken in de tweede brief van Petrus: “Maar laat vooral dit u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Heere is als duizend jaar en duizend jaar als één dag” (3:8). Moeten we hieruit opmaken dat aanduidingen van tijd in de Bijbel niet letterlijk genomen hoeven worden, zoals bijvoorbeeld de zes keer genoemde periode van duizend jaar in Openbaring 20? Ik denk het niet. Petrus waarschuwt juist tegen een ‘eigenmachtige uitleg’ van profetieën (2 Pet. 1:20).

De Schrift geeft geen enkele aanleiding deze duizend jaar als beeldspraak voor een onbepaalde periode op te vatten. Maar let op, Petrus schrijft dat bij de Heere (!) duizend jaar is als één dag en één dag als duizend jaar. Met andere woorden, de Heere staat als de ‘Ik Ben’ boven de tijd, maar bepaalt wel de specifieke tijd voor Zijn handelen. “Tijden en gelegenheden heeft de Vader immers in Zijn eigen macht gesteld”, zo leert de Heere Jezus Zijn discipelen (Hand. 1:7).

Terugkomend op de uitspraak van Petrus, blijkt de context te zijn dat “de Heere de belofte [van Zijn komst] niet vertraagt (zoals sommigen dat als traagheid beschouwen), maar dat Hij geduld heeft met ons en niet wil dat enigen verloren gaan, maar allen tot bekering komen” (2 Pet. 3:9). Wie zijn die ‘ons’? Petrus richt zijn eerste brief aan “de vreemdelingen in de verstrooiing” (letterlijk: diaspora). Een aanduiding voor zijn Joodse volksgenoten buiten Israël. God werkte immers door Petrus “met het oog op het apostelschap onder de besnedenen” (Gal. 2:8; Joh. 21:15, 16).

De hoop van Israël

Als we even terugkeren naar onze begintekst, “nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven”, moeten we constateren dat ook deze woorden primair (dus niet uitsluitend) aan Joodse gelovigen, de Hebreeën, geschreven waren. En dat brengt misschien wat meer perspectief in de toenmalige verwachte spoedige wederkomst van de Messias. Immers, als het volk tot geloof was gekomen, dan was de Heere teruggekeerd. Petrus is daarover in zijn tweede toespraak tot de Joodse menigte heel duidelijk: “Kom dus tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere, en Hij Jezus Christus zal zenden, Die tevoren aan u verkondigd is. Hem moet de hemel ontvangen tot de tijden waarin alle dingen worden hersteld, waarover God gesproken heeft bij monde van al Zijn heilige profeten door de eeuwen heen” (Hand. 3:19-21, zie ook Hos. 5:15-6:2). Tot inkeer en bekering komen, zou dus niet alleen de uitwissing van hun zonden betekenen, maar ook de wederkomst van Jezus Christus, om ‘alle dingen te herstellen’. Het is trouwens impliciet een antwoord op de vraag van de discipelen: “Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?” (Hand. 1:6). De bekering van Israël zou Christus’ komst en herstel van het koninkrijk tot gevolg hebben.

Gespannen verwachting Thessalonicenzen

Als we dit perspectief in gedachten houden, kunnen we bijvoorbeeld ook de verwachting van de Thessalonicenzen van Christus’ spoedige wederkomst beter begrijpen. Paulus1 had deze, voornamelijk niet-joodse gelovigen (1 Thess. 2:14), diepgaand onderwezen over het op handen zijnde profetisch scenario. Details hierover had hij zowel schriftelijk als ook mondeling bekend gemaakt (2 Thess. 2:5). Hoop en verwachting van Zijn wederkomst hielden hen staande in hun zware verdrukkingen2. Christus’ komst zou namelijk ‘tijden van verkwikking’ brengen voor de Thessalonicenzen, alsook vergelding aan hun verdrukkers. “Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken, en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht, wanneer Hij met vlammend vuur wraak oefent over hen die God niet kennen, en over hen die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan” (2 Thess. 1:6-9). Dat zij Christus’ komst nog tijdens hun leven verwachtten om met de reeds ontslapen gelovigen verenigd te worden blijkt duidelijk uit Paulus’ woorden: “wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere (!), zullen de ontslapenen beslist niet voorgaan” (1 Thess. 4:15). Zo sterk was de verwachting van deze dingen, dat sommigen hun dagelijkse werkzaamheden hadden neergelegd (1 Thess. 4:11; 2 Thess. 3:2) en de gemeente tot bezinning gemaand moest worden. “En wij vragen u dringend, broeders, met betrekking tot de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat u niet snel aan het wankelen wordt gebracht of verschrikt, niet door een uiting van de geest, niet door een woord, en ook niet door een brief die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn” (2 Thess. 2:1-2). De verklaring waarom die dag3 nog niet was aangebroken, lezen we in de daaropvolgende teksten: “Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is, de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet” (2 Thess. 2:3-4). Merk op dat Paulus hier spreekt over de tempel van God. Welke tempel had hij in gedachten? Vanzelfsprekend de tempel die er toen nog stond. Hoewel de Heere Jezus de schaduwdienst van de offers door Zijn verzoenend lijden en sterven had vervuld, was het oorspronkelijk nog steeds de tempel waarvoor God de bouwopdracht had gegeven (zie o.a. Ezra 1:2; 3:10). Kortom, in die periode stonden dus bijna alle ‘schaakstukken op het bord’ om het profetisch eindtijd­scenario in vervulling te laten gaan. Een gedeelte van het volk was in het land om de Messias te ontvangen, de tempel stond er nog en steeds meer Joden kwamen tot geloof, dat een voorbode kon zijn voor de bekering van het hele volk.

Moeten we nu concluderen dat vanwege het uitblijven van dit scenario, het nooit meer vervuld zal worden? Nee, dat zou een totaal verkeerde conclusie zijn. Evenals we zagen bij Petrus’ toespraak in Handelingen 3, zijn er vaker in de Schrift momenten waarop profetieën op het punt van vervulling staan, maar naar een later tijdstip worden doorgeschoven.

Profetische identiteit van Johannes de Doper

Een voorbeeld is de profetische identiteit van Johannes de Doper. Over hem zegt de Heere Jezus: “En als u het wilt aannemen: hij is Elia, die komen zou” (Matt. 11:14). Let op de voorwaarde: “als u het wilt aannemen”. Als zij, zoals we in het volgende vers lezen, “oren hadden gehad om te horen” en het hadden aangenomen, zou de profetie van Maleachi 4:5-6 in vervulling zijn gegaan: “Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de HEERE komt, die grote en ontzagwekkende dag. Hij zal het hart van de vaders tot de kinderen terugbrengen, en het hart van de kinderen tot hun vaders, opdat Ik niet zal komen en de aarde met de ban zal slaan”. Nog voor de geboorte van Johannes de Doper kreeg zijn vader Zacharias immers al de belofte: “… en hij zal velen van de Israëlieten bekeren tot de Heere, hun God. En hij zal voor Hem uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om het hart van de vaderen te bekeren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de bedachtzaamheid van de rechtvaardigen, om voor de Heere een toegerust volk gereed te maken” (Luk. 1:16, 17). Toch geeft Johannes ogenschijnlijk tegenstrijdige antwoorden. Op de vraag “Bent u Elia?”, is zijn antwoord: “Ik ben het niet”. Maar op de vraag “wat zegt u van uzelf?”, reageert hij: “Ik ben de stem van een die roept in de woestijn: Maak de weg van de Heere recht, zoals Jesaja, de profeet, gesproken heeft” (Joh. 1:21-23). Hier verwijst Johannes naar de profetie van Jesaja 40, die echter wegens ongeloof niet in vervulling kon gaan. De daar genoemde openbaring van de heerlijkheid van de HEERE bleef immers uit (vs. 5). In plaats van zijn bediening te kunnen ontwikkelen tot die van de beloofde Elia, eindigde deze in een tragische onthoofding (Matt. 14:10). Decennia later zou het heil zich verplaatsen van Israël naar de heidenen (Hand. 13:46; 18:6; 28:28; Rom. 11:11) en werd zelfs in 70 na Chr. de tempel verwoest4.

Hoe nu verder?

“Maar” – om met Paulus te spreken – “als sommigen ontrouw zijn geweest, zal hun ontrouw de trouw van God toch niet tenietdoen? Volstrekt niet” (Rom. 3:3, 4). God is trouw aan Zijn Woord en opnieuw wordt in onze dagen het decor gereedgemaakt voor de vervulling van de eindtijdprofetieën. Ongetwijfeld is de gedeeltelijke terugkeer van het Joodse volk een van de belangrijke tekenen van de tijd en nadert het tijdstip dat opnieuw gezegd kan worden: “Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven”. We hopen daarover dit jaar veel meer te schrijven, want “als hun verwerping verzoening voor de wereld betekent, wat betekent dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?” (Rom. 11:15). Heel de zuchtende schepping zal dan verlost worden en tot nieuw leven komen. Niet als uitkomst van het in Parijs gesloten klimaatakkoord, maar “bij het openbaar worden van de kinderen van God” (Rom. 8:19). Dan zal zelfs “een wolf bij een lam verblijven, een luipaard bij een geitenbok neerliggen, een kalf, een jonge leeuw en gemest vee zullen bij elkaar zijn, een kleine jongen zal ze drijven” (Jes. 11:6). Het zal ook de tijd zijn waarop Jeruzalem tot een lof op aarde is gesteld (Jes. 62:7). 

Voetnoten:

1. Ik schrijf Paulus, maar eigenlijk zijn ook Silvanus en Timotheüs medeauteurs.
2. Een belangrijk thema in deze brieven. Zie: 1 Thess. 1:6; 3:3-4; 2 Thess. 1:4-7.
3. Andere handschriften en vertalingen spreken over ‘de dag van de Heere’, zoals in 1 Thess. 5:2 wel in alle vertalingen wordt weergegeven.
4. Zoals na de ongehoorzaamheid van Adam en Eva de aarde doornen en distels voortbracht, waarschuwt de apostel zijn volksgenoten voor vergelijkbare consequenties (Heb. 6:7-8), die in 70 na Chr. hun letterlijke vervulling hebben kregen.

Sluiten