Priesterkoning

Profetisch Woord | Christologie | Oud Testament | Evangelie voor Israël Tekst, Ton Stier

Psalm 110 is de meest geciteerde Psalm in het Nieuwe Testament en behoort tot de groep van Messiaanse Psalmen. De volle vervulling van deze ruim 3000 jaar oude Psalm zal pas plaatsvinden na Christus’ wederkomst als Hij vanuit Jeruzalem over de aarde zal regeren. Tegelijk getuigt de Psalm van de bijzondere relatie tussen de Vader en de Zoon, wat juist in gesprekken met Joodse mensen zo’n zegenrijk onderwerp kan zijn.

De Priesterkoning

Een voorbeeld van zo’n gesprek vinden we in Mattheüs 22, waar de Heere Jezus in Zijn ontmoeting met de Farizeeën het eerste vers van onze Psalm aanhaalt. Op Zijn vraag “Wat denkt u over de Christus? Wiens Zoon is Hij?”, kunnen zij moeiteloos antwoorden: “Davids Zoon”. Dat geeft echter ruimte voor de gedachte dat de identiteit van de Messias beperkt zou kunnen zijn tot een nazaat van David. Vandaar Zijn volgende vraag: “Als David Hem dan zijn Heere noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?” Daarop moeten zij Hem het antwoord schuldig blijven. Het past niet in hun beeld van de Messias. Dat David Hem zijn Heere noemt, is namelijk impliciet een belijdenis van Zijn pre-existentie.

Hij is immers veel meer dan Zoon van David. Hij noemt Zichzelf de Wortel en het Nageslacht van David, de blinkende Morgenster (Opb. 22:16). ‘Wortel’ heeft de betekenis van ‘oorsprong’. Denk aan Paulus’ woorden over de toenmalige relatie tussen Joden en heidenen: “U draagt de wortel niet, maar de wortel u” (Rom. 11:18). Hoewel de Heere Jezus inderdaad de Zoon van David is, is Hij Degene ‘door Wie en tot Wie alle dingen [inclusief David] geschapen zijn’ (Kol. 1:16). Dat Hij ook de ‘Blinkende Morgenster’ is, betekent dat met Hem een nieuwe dageraad zal aanvangen, wat meteen ook het grote thema van Psalm 110 is. Zo lezen we in vers 3: “Uit de baarmoeder van de dageraad is voor U de dauw van Uw jeugd”. Een prachtige poëtische beschrijving van de opgestane Messias met Wie het wedergeboren Israël straks verenigd zal zijn. In hetzelfde vers worden zij namelijk beschreven als ‘Uw zeer gewillig volk’ en ‘getooid met heilige sieraad’.

Koning en priester

Dat Hij meer is dan ‘alleen’ de Zoon van David, blijkt ook uit vers 4: “De HEERE heeft gezworen en Hij zal er geen berouw van hebben: U bent Priester voor eeuwig, naar de ordening van Melchizedek”.

Even terzijde zij opgemerkt dat het gebed van de Heere Jezus in Johannes 17 alom bekend staat als ‘het Hogepriesterlijk gebed’. Het is echter goed om ons ervan bewust te zijn, dat Zijn Hogepriesterschap pas na Zijn opstanding kon ingaan. De Heere Jezus werd namelijk geboren onder de wet (Gal. 4:4), waarin het priesterschap was voorbehouden aan het geslacht van Levi en het koningschap aan het geslacht van Juda. Hebreeën 7:14-16 verklaart: “Het is immers overduidelijk dat onze Heere van Juda afstamt, over welke stam Mozes niets gezegd heeft in verband met het priesterschap. En dit wordt nog veel duidelijker, als er naar het evenbeeld van Melchizedek een andere Priester opstaat, Die dat niet geworden is op grond van een wettelijk voorgeschreven afstamming, maar uit kracht van onvergankelijk leven”. Christus’ priesterschap naar de ordening van Melchizedek kon dus pas na Zijn opstanding in vervulling gaan, uit kracht van onvergankelijk leven (vgl. 2 Tim. 1:10).

Die bijzondere positie van koning en priester vinden we ook beschreven in Hebreeën 10:11-13: “En iedere priester stond wel dagelijks te dienen en bracht vaak dezelfde slachtoffers, die de zonden toch nooit zouden kunnen wegnemen, maar deze is, nadat Hij één slachtoffer voor de zonden geofferd had, tot in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God. Verder wacht Hij op het tijdstip dat Zijn vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten gemaakt worden”. Opnieuw een duidelijke verwijzing naar Psalm 110 waar Christus middels een eed van de HEERE voor eeuwig is aangesteld tot Priester naar de ordening van Melchizedek. Echter tevens zal Hij als Koning rechtspreken over de heidenvolken (vs. 6), die uiteindelijk tot een voetbank voor Zijn voeten zullen worden gemaakt.

Boodschap voor heel israël

Ook Petrus verwijst naar Psalm 110 in Zijn toespraak op de Pinksterdag met de woorden: “David is immers niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd zal hebben als een voetbank voor Uw voeten”. En dan voegt Petrus een belangrijke opmerking toe: “Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt” (Hand. 2:34-36).

De beschrijving van de Messias in Psalm 110 in samenhang met Petrus’ identificatie ‘deze Jezus, Die u gekruisigd hebt’ is de Evangelieboodschap die hij Zijn volksgenoten mag verkondigen. En niet zonder resultaat. Op hun vraag: “Wat moeten wij doen, mannenbroeders?”, antwoordt de apostel: “Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen” (Hand. 2:37, 38). Alleen al op de Pinksterdag resulteerde dat in een menigte van maar liefst 3000 zielen (vs. 42), waaraan de Heere dagelijks toevoegde (vs. 47).

De eenheid tussen de vader en de zoon

In de Evangeliën lezen we veelvuldig over de wonderbare eenheid tussen de Vader en de Zoon. Als Jezus’ volksgenoten Hem ervan beschuldigen dat Hij God Zijn eigen Vader noemt en Zichzelf daarmee aan God gelijkmaakte, is Zijn tegenwerping: “De Zoon kan niets van Zichzelf doen, als Hij dat niet de Vader ziet doen, want al wat Deze doet, dat doet ook de Zoon op dezelfde wijze” (Joh. 5:18, 19). En dat beginsel vinden we ook prachtig beschreven in Psalm 110. Het is de Vader Die tot de Zoon zegt: “Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben tot een voetbank voor Uw voeten” (vs. 1). Het is de Vader Die de scepter van de Zoon uitstrekt met de opdracht: “Heers te midden van Uw vijanden” (vs. 2). Hetzelfde geldt voor het verpletteren van koningen op de dag van Zijn toorn en het rechtspreken onder de heidenvolken (vs. 5-6). Het is de Vader, Die door de Zoon al Zijn werken is begonnen en zal voleindigen tot het moment waarvan Paulus zegt: “En wanneer alle dingen aan Hem onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem Die alle dingen aan Hem onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn” (1 Kor. 15:28). Ook Hebreeën 5:5 leert dat Christus niet Zichzelf de eer heeft toegekend om Hogepriester te worden. Nee, het is de HEERE, Die zonder enige berouw heeft gezworen: “U bent Priester voor eeuwig, naar de ordening van Melchizedek” (Ps. 110:4).

Drinken uit de beek

Ten slotte staan we nog stil bij het laatste vers van onze Psalm: “Hij drinkt onderweg uit de beek, daarom heft Hij Zijn hoofd omhoog”. Welk verband kan er bestaan tussen het drinken uit een beek (lidwoord ontbreekt) en het omhoogheffen van Zijn hoofd, dat een aanduiding is van majestueuze heerlijkheid? We herkennen dit beeld van Psalm 1: “Die zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, waarvan het blad niet afvalt; al wat hij doet, zal goed gelukken”. Van geen mens dan alleen de Heere Jezus kan worden gezegd: “al wat hij doet, zal goed gelukken”. Over Hem profeteerde Jesaja: “Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen; het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn” (Jes. 53:10). Je zou kunnen zeggen dat de weg die de Heere op aarde bewandelde de weg was van drinken uit een beek. Hij, Die Zelf ‘het Water des levens is’, vroeg de Samaritaanse vrouw: “Geef Mij te drinken” (Joh. 4:7). En aan het kruis riep Hij: “Ik heb dorst” (Joh. 19:28), waarop Zijn triomferende woorden volgden: “het is volbracht”.

Paulus zou later schrijven: “En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood. Daarom (!) heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader” (Fil. 2:8-11). Let u op het veelbetekenende woordje ‘daarom’. Het was door Zijn gedaante als een mens (water drinkend uit een beek langs de weg) en door Zijn gehoorzaamheid tot de kruisdood, dat allen eens zullen moeten belijden dat ‘Jezus Christus de Heere is’.

Terugkomend op Psalm 110 is het zo betekenisvol dat David Hem niet beleed als ‘de Heere’, maar door genade als ‘mijn Heere’. Ik hoop u ook, geliefde lezer! En als dat zo is, kan ons gebed niet anders zijn, dan dat ook Davids volksgenoten door het lezen van het Woord, Hem als hun Heere mogen leren kennen. 

 

Sluiten