Schapen zonder Herder

Oud Testament | Nieuw Testament | Typologie en beelden Tekst, David van Wijck

Het zou in Amsterdam ondenkbaar zijn: een kudde schapen in het centrum van de stad. Maar niet in Israël, want tijdens mijn laatste verblijf in Jeruzalem stond op het kleine grasveldje naast het appartement een kudde schapen te grazen. Schapen en hun herders horen bij Israël, zolang als het volk bestaat. De broers van Jozef zeiden al tegen farao: “Uw dienaren zijn herders van kleinvee, zowel wij als onze vaderen” (Gen. 47:3). Wie de Bijbel bestudeert, ontdekt echter dat zij niet in de eerste plaats herders zijn, maar veeleer de schapen. In deze studie volgen we de boeiende lijn die we in de Bijbel over ‘schapen’ tegenkomen.

Het eerste ‘schaap’ is Jakob. Vlak voor zijn sterven roept hij zijn zonen bij zich om hen te zegenen. Tijdens het zegenen van Jozefs zonen kijkt hij terug op zijn eigen leven en zegt: “De God voor Wiens aangezicht mijn vaderen, Abraham en Izak, gewandeld hebben, de God Die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag, de Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens” (Gen. 48:15-16). Even later noemt hij God ‘de Herder van Israël’ (Gen. 49:24). Bij de titel ‘Herder’ zullen veel mensen aan Psalm 23 denken. Deze Psalm beschrijft alle eigenschappen van God als Herder. Eigenschappen die we dan ook terugzien in het leven van Jakob. God zorgde ervoor dat het Jakob bij Laban aan niets zou ontbreken (Gen. 31:5-9). Hij leidde hem en zorgde dat hij neer kon liggen (Gen. 28:15). Ook beschermde Hij hem tegen zijn tegenstanders (Gen. 31:42). Tijdens het leven van Jakob gaat zijn tweede naam Israël al over op zijn nakomelingen. Zo wordt in Genesis 47:27 de naam voor het nageslacht gebruikt, terwijl het in vers 29 over Jakob als persoon gaat. Maar God blijft de Herder van Israël. Zoals Hij Jakob leidde, doet Hij dat ook met zijn nakomelingen.

Uittocht uit Egypte

In de Psalmen wordt de uittocht uit Egypte beschreven als het uitleiden van een kudde schapen: “U leidde Uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aäron” (Ps. 77:21). God schakelt Mozes en Aäron in om Zijn volk te leiden, maar blijft Zelf de Herder. Je zou Mozes en Aäron onderherders kunnen noemen. Ook bij de tocht door de woestijn zien we de eigenschappen van Psalm 23 terugkomen. God leidde hen door de wolkkolom, voedde hen met manna en kwartels, beschermde hen tegen farao en later de Amalekieten.

Wanneer Asaf in Psalm 78 deze reis beschrijft, hoor je duidelijk Psalm 23 doorklinken: “Hij liet Zijn volk als schapen wegtrekken en leidde hen als een kudde door de woestijn. Ja, Hij leidde hen veilig, zodat zij niet angstig waren, want de zee had hun vijanden bedolven. Hij bracht hen naar Zijn heilig grondgebied, naar deze berg, die Zijn rechterhand verworven had. Hij verdreef de heidenvolken voor hun ogen, verdeelde hun erfelijk bezit door een meetsnoer en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen” (Ps. 78:52-55).

Uiteindelijk doet God hen bij de berg Sinaï wonen: “Uw kudde woonde daar; U maakte Uw eigendom door Uw goedheid gereed voor de ellendige, o God” (Ps. 68:11). Helaas zien we tijdens de reis ook hoe koppig de schapen van Israël kunnen zijn: “Hij is onze God en wij zijn het volk van Zijn weide en de schapen van Zijn hand. Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet, zoals te Meriba, zoals in de dagen van Massa in de woestijn: daar stelden uw vaderen Mij op de proef, daar beproefden zij Mij, hoewel zij Mijn werk zagen” (Ps. 95:7-9).

Nieuwe onderherders

Aan het einde van zijn leven vraagt Mozes aan God om een opvolger: “Laat de HEERE, de God Die aan alle vlees de adem geeft, over deze gemeenschap een man aanstellen die voor hen uitgaat en die voor hen ingaat, en die hen doet uitgaan en die hen weer doet ingaan, opdat de gemeenschap van de HEERE niet zal zijn als schapen die geen herder hebben” (Num. 27:16-17). God geeft een opvolger in de persoon van Jozua.

Na Jozua wordt de lijn van onderherders voortgezet met ‘de richters van Israël, die God bevolen had om Zijn volk te weiden’ (1 Kron. 17:6). Je zou verwachten dat de volgende onderherder koning Saul is. Maar dat is niet het geval. Het volk zegt later tot David: “Al eerder, toen Saul koning over ons was, was ú het die Israël liet uitgaan en ingaan. Ook heeft de HEERE tegen u gezegd: Ú zult Mijn volk Israël weiden en ú zult tot vorst zijn over Israël” (2 Sam. 5:2).

Koning David als herder aangesteld

Net als Mozes was David herder van beroep en gebruikte de Heere hem om Zijn volk te weiden. God haalde hem bij de schaapskooi vandaan om een leider over Zijn volk Israël te zijn (2 Sam. 5:2; 7:8; 1 Kron. 17:7; Ps. 78:70-72). Al ten tijde van Saul was het David die Israël beschermde tegen vijanden. Bedenk hoe hij Goliath als herdersjongen met een slinger verslaat. David trekt daarbij zelf de vergelijking met het beschermen van zijn schaapskudde (1 Sam. 17:34-37).

Koning Achab als herder afgezet

De volgende koning die als (onder)herder genoemd wordt is Achab. Verbazingwekkend, want hij staat bekend als een van de slechtste koningen. Hem wordt dan ook vooral het einde van zijn herderschap aangezegd. Omdat bij Achab zo nadrukkelijk het afzetten als herder aan de orde komt, mogen we ervan uitgaan dat vanaf David de koningen als herders van het volk worden beschouwd.

Achabs einde wordt voorzegd wanneer hij samen met koning Josafat van Juda wil optrekken tegen Syrië. Omdat Josafat eerst de Heere wil raadplegen worden vierhonderd profeten bij elkaar geroepen. Zij zeggen allemaal dat de koningen moeten optrekken. Uiteindelijk komt ook de profeet Micha aan het woord en hij profeteert: “Ik zag heel Israël overal verspreid op de bergen, als schapen die geen herder hebben. En de HEERE zei: Dezen hebben geen heer, laat ieder in vrede naar zijn huis terugkeren” (1 Kon. 22:17; 2 Kron. 18:16).

Wat Micha voorzegt, gebeurt ook. Achab en Josafat trekken toch op en Achab wordt door een pijl gedood. Waar bij de aanstelling van Jozua voor gevreesd werd, is nu werkelijkheid: Israël is geworden als schapen die geen herder hebben. De ongehoorzame herder is gedood; de ‘schapen’ mogen nog wel naar hun huis terugkeren.

De profeten

De karakterisering van verspreide schapen zonder herder vinden we diverse keren terug in de profeten.

•   “Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons ieder naar zijn eigen weg” (Jes. 53:6).

•   “Ú hebt Mijn schapen overal verspreid en verdreven, en u hebt niet naar ze omgezien” (Jer. 23:2).

•   “Mijn volk – het waren verloren schapen. Hun herders hadden hen misleid, hen naar de bergen geleid” (Jer. 50:6).

•   “Daarom zijn zij weggetrokken als schapen; zij worden verdrukt, want er is geen herder” (Zach. 10:2).

•   “Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid. Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel” (Ezech. 34:5-6).

Beeld van de schapen

Het laatstgenoemde citaat van Ezechiël is voor deze studie misschien wel het belangrijkst, omdat het komt uit een hoofdstuk dat volledig gewijd is aan het beeld van herders en schapen. Ezechiël 34 begint met een profetie tegen de herders van Israël. Met de eerder behandelde gedeelten in het achterhoofd moeten we daarbij in eerste instantie denken aan de koningen. Op het moment dat Ezechiël dit profeteert zijn zowel Israël als Juda in ballingschap. Er is geen koning. De profetie van Ezechiël moet dus wel gericht zijn aan de voorgaande koningen. Hen is overkomen wat koning Achab als individu overkwam. Vanwege Achabs zonde werd hij gedood en zijn leger als schapen verspreid. Door het falen van de herders zijn zowel Israël als Juda in ballingschap gegaan, want: “het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen” (Ezech. 34:4).

De fouten van de koningen

Ezechiël benoemt een aantal fouten van de koningen. Als eerste de onderdrukking van het volk. De uitdrukking ‘met harde hand’ van vers 4 komt rechtstreeks uit Exodus 1:13, waar de Egyptenaren de Israëlieten met harde hand voor zich lieten werken. God beschuldigt de herders er dus van Zijn volk net zo te hebben behandeld als de Egyptenaren deden, voordat Hij hen uitleidde. Ten tweede buitten de koningen het volk uit voor hun eigen gewin. Dat gaat zelfs zo ver dat de schapen daarbij geslacht worden (vs. 3). Het vergaren van hun rijkdom kostte zelfs mensenlevens. Als derde wijst de profeet op de afgoderij waarin zij het volk hebben meegetrokken. Wanneer God zegt “Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel” (Ezech. 34:6), verwijst dat naar de altaren voor de afgoden. Soortgelijke bewoordingen gebruikte Ezechiël namelijk eerder: “Als hun gesneuvelden te midden van hun stinkgoden rondom hun altaren liggen, op elke hoge heuvel, op alle bergtoppen” (Ezech. 6:13). Misschien is dit nog wel de grootste zonde geweest. Overigens zijn dit precies de dingen waar God in de wetten voor het koningschap voor had gewaarschuwd: terugkeren naar Egypte, rijkdom vergaren en afwijken van Gods verordeningen (Deut. 17:17-19).

Gevolgen van de fouten

De slechte leiding van de herders heeft grote gevolgen. De eerste consequentie hebben we eigenlijk al gelezen. Het volk raakte verspreid op ‘elke hoge heuvel’ en ‘op alle bergtoppen’. De koningen hadden het volk meegesleurd in hun afgoderij. De onderherders hadden de schapen weggeleid van de Herder van Israël. Opnieuw is Achab daarvan het beste, of eigenlijk het slechtste, voorbeeld: “Hij handelde zeer gruwelijk door achter de stinkgoden aan te gaan, overeenkomstig alles wat de Amorieten hadden gedaan, die de HEERE van voor de ogen van de Israëlieten verdreven had” (1 Kon. 21:26). Het gevolg van deze dwaling is een oordeel van God Zelf. De tweede consequentie is namelijk dat ze voor de dieren van het veld een prooi zijn geworden (vs. 8). Later in het hoofdstuk zien we dat met de dieren in het veld, de heidenvolken bedoeld worden: “Ze zullen niet meer tot een prooi zijn voor de heidenvolken, en de wilde dieren van de aarde zullen ze niet meer verslinden” (Ezech. 34:28a). Dat is precies wat er gebeurd is toen Israël en Juda in ballingschap gingen. Het volk viel ten prooi aan Assyrië en Babylon. Dezelfde ballingschap maakt ook een einde aan de lijn van koningen als herders. Uiteindelijk zien we dat het volk zelfs niet alleen meer is verspreid in Assyrië en Babylon, maar op heel het aardoppervlak (vs. 6). Waar de schapen bij Achab nog naar huis konden terugkeren, kan dat nu niet meer.

Herstel

Gelukkig blijft de profetie van Ezechiël niet bij het beeld van dwalende schapen: “Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan. Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van donkere wolken. Ik zal ze uitleiden uit de volken, ze bijeenbrengen uit de landen en ze brengen naar hun land. Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de waterstromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land” (Ezech. 34:11-13).

De Heere belooft een herstel voor Israël, dat Hij Zelf als Herder zal bewerken. Hij zal hen redden uit de volken en terugbrengen van heel het aardoppervlak. Wanneer? Op ‘de dag van donkere wolken’. Er zijn meerdere Bijbelgedeelten waarin deze uitdrukking gebruikt wordt. In al die gedeelten wordt de ‘de dag van donkere wolken’ gelijkgetrokken met ‘de dag van de HEERE’ (Ezech. 30:3; Joël 2:1-2; Zef. 1:14-15). Ook wordt deze dag telkens uitgelegd als het moment waarop de heidenvolken geoordeeld zullen worden. De uitleiding van Israël uit de volken zal dus samenvallen met het oordeel over de volken. Precies zoals er bij de uittocht uit Egypte ook een oordeel over Egypte was.

Oordeel tussen de rammen en de bokken

Ezechiël 34 spreekt, naast een oordeel over de dieren van het veld, ook over een oordeel tussen de rammen en de bokken (vs. 17). Zowel de rammen als de bokken behoren tot de kudde. Ze worden dan ook ‘kleinvee en kleinvee’ genoemd. Dit oordeel wordt in Ezechiël 20 dieper uitgewerkt: “Zoals Ik met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte een rechtszaak gevoerd heb, zo zal Ik een rechtszaak met u voeren, spreekt de Heere HEERE. Ik zal u onder de herdersstok doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond. Ik zal van u uitzuiveren wie in opstand komen en wie tegen Mij overtreden. Ik zal hen leiden uit het land waar zij vreemdeling zijn, maar zij zullen op het grondgebied van Israël niet komen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben” (Ezech. 20:36-38).

Dit gedeelte beschrijft hoe er na het uitleiden uit de volken een rechtszaak met het volk zal zijn voordat zij het land in mogen. Opnieuw wordt de Exodus gebruikt als beeld van de toekomstige tijd. Toen mochten degenen die de Heere verworpen hadden het land ook niet zien (Num. 14:23). Voor het toekomstige oordeel gebruikt Ezechiël het beeld van ‘onder de herdersstok doorgaan’. Wanneer een herder zijn schapen telde, deed hij dat door ze onder zijn stok te laten lopen. Tegelijk liet hij zijn stok door de vacht gaan om ze te controleren op verwondingen, ziekten en tekortkomingen. Zo worden de schapen ‘uitgezuiverd’. Alleen degenen die niet in opstand komen, kunnen op het grondgebied van Israël komen.

Eén Herder

Na de oordelen volgt de climax van Ezechiël 34: “Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn. En Ik, de HEERE, zal een God voor ze zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in hun midden. Ík, de HEERE, heb gesproken” (Ezech. 34:23-24). Na de vele jaren waarin het volk zonder herder is geweest, komt er een nieuwe Herder. Deze Herder zal volmaakt de rol vervullen die David gekregen had. Opvallend is dat God in dit hoofdstuk zegt dat Hij Zijn schapen Zelf zal weiden en dat Zijn Knecht David dat zal doen (vgl. vers 15 en 23). Deze nakomeling van David is dus de HEERE Zelf (zie ook Jer. 23:5-6). Hij zal de volmaakte Herder en Koning van Israël zijn!

Jesaja 53

Deze uitleg van Ezechiël 34 kunt u eigenlijk zo naast de andere citaten uit de profeten over dwalende schapen leggen. U zult zien dat ze perfect in elkaar passen. De gedeelten vertellen telkens hetzelfde verhaal van afgoderij, oordeel en herstel. De enige uitzondering is Jesaja. Hij gebruikt de uitdrukking ‘dwalende schapen’ in een totaal andere context: “Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons ieder naar zijn eigen weg. Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen op Hem doen neerkomen. Toen betaling geëist werd, werd Híj verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open. Als een lam werd Hij ter slachting geleid; als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open” (Jes. 53:6-7). Het dwalen van de schapen slaat nog steeds op het leven in ongerechtigheid, zonder God als Herder. Maar Jesaja geeft aan dat er voor het herstel eerst betaling nodig is. Maar ook daarvoor biedt de Herder een oplossing. Jesaja laat zien dat de Knecht, Die bij Ezechiël de Herder-Koning is, eerst Zelf als Zijn schapen zou worden. Als ‘een schaap dat stom is voor zijn scheerders’ zou Hij het oordeel, dat Zijn schapen verdiend hadden, plaatsvervangend ondergaan. Het enige wat ze nu nog hoeven te doen voor het herstel is dát offer van hun Herder aannemen.

Schapen in het Oude Testament

In het Oude Testament schetst God dus een beeld van het volk Israël als een schaapskudde waarvan Hij Zelf de Herder is. De eerste keer dat Hij hen uitleidt als een Herder is bij de uittocht uit Egypte. Vanaf dat moment stelt Hij onderherders aan om Zijn volk te leiden. De koningen zijn als liefdeloze herders echter alleen uit op eigen winst en trekken het volk zelfs weg van hun ware Herder. Het gevolg is dat er een einde komt aan de lijn van herders en het volk verstrooid raakt over de wereld. Er is echter hoop. God belooft dat er een dag komt waarop Hij Zelf zal ingrijpen. Hij zal als Nakomeling van David komen en Zijn volk opnieuw uitleiden. Wij mogen die Nakomeling kennen als de Heere Jezus. Hij zal de heidenvolken en diegenen die Hem verworpen hebben echter oordelen. Voordat de dag van herstel en oordeel aanbreekt, moest Hij eerst worden als Zijn schapen om verzoening te doen voor hun dwaling.

Schapen in het Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament zien we dat het beeld van de Herder en Zijn schapen direct weer wordt opgepakt. Dat begint al in het eerste vers waarin de Heere Jezus wordt geïntroduceerd als de Nakomeling, en dus ook de Opvolger, van David (Matt. 1:1). Wanneer we verder lezen in Mattheüs komen we de wijzen uit het Oosten tegen. Als zij bij Herodes vragen naar de Koning van de Joden, citeren de Schriftgeleerden Micha: “En u, Bethlehem, land van Juda, bent beslist niet de minste onder de vorsten van Juda, want uit u zal de Leidsman voortkomen Die Mijn volk Israël weiden zal” (Matt. 2:6). Op basis van deze profetie wist men dat de Herder van Israël geboren zou worden in Bethlehem. Het is dezelfde streek waarin de herders ’s nachts de wacht hielden over hun kudde toen er een engel van de Heere bij hen kwam (Luk. 2:8-9). Vervolgens vinden deze herders de Heere Jezus in een voerbak voor de dieren. Het leven van de lang beloofde Herder van Israël begon in een verblijfplaats voor dieren! We zagen al dat de Knecht niet alleen Herder zou zijn, maar Zelf ook een Lam zou worden. Ook die lijn vinden we terug in het begin van het Nieuwe Testament: “De volgende dag zag Johannes Jezus naar zich toe komen en hij zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt!” (Joh. 1:29)

Schapen zonder herder

In de Evangeliën wordt Ezechiël 34 meerdere keren letterlijk aangehaald. Zo lezen we dat de Heere Jezus bij het zien van de menigte ‘innerlijk met ontferming bewogen was over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, zoals schapen die geen herder hebben’ (Matt. 9:36; Mark. 6:34). Wie twijfelt of met deze menigte specifiek Israël wordt bedoeld, moet een aantal verzen verder lezen: “Deze twaalf zond Jezus uit en Hij gebood hun: U zult u niet op weg begeven naar de heidenen en u zult geen enkele stad van de Samaritanen binnengaan, maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël” (Matt. 10:5-6). Wanneer er later een Kananese vrouw bij Jezus komt, zegt Hij: “Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël” (Matt. 15:24). De Heere Jezus is dus als Herder van Israël nauw betrokken bij Zijn schapen. Het zien van hun situatie doet Hem innerlijk veel verdriet!

Onderwijs van de Heere Jezus

Dit verdriet van de Herder klinkt duidelijk door in het onderwijs van de Heere Jezus. Meerdere keren gebruikt Hij het beeld van de herder en zijn schapen. Het bekendste gedeelte is Johannes 10 waarin de Heere Jezus Zich voorstelt als de Goede Herder en de Deur van de schapen. Een gedeelte dat vaak op alle gelovigen toegepast wordt. Wie in een christelijke omgeving is opgegroeid heeft het zo van jongs af aan geleerd in kinderliedjes. Voordat we het onderwijs van de Heere Jezus over de schapen bestuderen, moeten we echter bedenken:

Het Oude Testament gebruikt tenminste 32 keer het beeld van de schapen uitdrukkelijk voor Israël. De Heere Jezus spreekt over ‘de verloren schapen van het huis Israël’ (Matt. 10:6; 15:24) en voegt er aan toe, uitsluitend voor hen gekomen te zijn. Pas in Handelingen gaat het Evangelie voor het eerst naar de heidenen. Grote verbazing bij Petrus en de andere aanwezige Joden dat ook op heidenen de gave van de Heilige Geest was uitgestort (Hand. 10:45). Paulus zegt dat het geheimenis dat heidenen deelgenoten zijn van de belofte in Christus ‘in andere tijden niet bekendgemaakt is’ (Ef. 3:5-6). Als de Heere Jezus het over schapen heeft, moeten we dus in eerste instantie aan Israël denken. Met dit in het achterhoofd gaan we een aantal gedeeltes uit Zijn onderwijs langs.

De Goede Herder

In Johannes 10 stelt de Heere Jezus Zich voor als de Goede Herder. Daarmee verwijst Hij naar Ezechiël: “Ik zal over hen één Herder doen opstaan” (Ezech. 34:23). Aanleiding voor de gelijkenis zijn de uitspraken van de Farizeeën in het voorgaande hoofdstuk. Omdat de genezen blinde man getuigt van Jezus, hebben zij hem uit de synagoge geworpen. Tot deze Farizeeën, die beweerden te kunnen zien, maar in feite geestelijk blind waren, zegt de Heere Jezus: “Wie de schaapskooi niet door de deur binnengaat, maar van elders naar binnen klimt, die is een dief en een rover. Maar wie door de deur naar binnen gaat, die is herder van de schapen” (Joh. 10:1-2). Een schaapskooi was in die tijd een eenvoudige omheining zonder dak waar een kudde ’s nachts verbleef. Soms waren dat kuddes van meerdere herders tegelijk. Er was maar één opening, daarin sliep de herder zelf of een poortwachter. Overdag nam de herder zijn schapen mee naar de weide.

Israël was als schapen die ’s nachts zonder herder in de schaapkooi verbleven. Het is een duidelijke beschuldiging aan het adres van de Farizeeën. Zij zijn in de gelijkenis rovers die op een onwettige manier de schaapskooi binnenkomen en slachtoffers maken, zoals ze de genezen blinde man de synagoge uitwierpen. De Herder Zelf kwam door de opening naar binnen om Zijn schapen naar buiten te leiden. De Heere Jezus kwam op een wettige manier de schaapskooi binnen. Alles wat Hij deed was namelijk in lijn met het Oude Testament. De geschiedenis van de blindgeborene is daar een voorbeeld van. De genezing was namelijk een teken waarmee Hij zowel geestelijk als letterlijk liet zien de Messias te zijn (Jes. 29:18; 35:5). In de blindgeborene herkennen we ook een schaap dat luistert naar de stem van de Herder. “Hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten” (Joh. 10:3). De man luisterde toen de Heere hem gebood: “Ga heen, was u in het badwater Siloam (wat vertaald wordt met: Uitgezonden)” (Joh. 9:7). De man wordt letterlijk naar buiten geleid, uitgezonden. Binnen de schaapskooi zijn er dus schapen die aan de Herder toebehoren en naar Zijn stem luisteren zoals de blindgeborene. Maar helaas zijn er ook schapen die dat niet doen.

Vervolgens leidt de Goede Herder Zijn schapen naar buiten (vs. 3, 4). In kinderliedjes wordt vaak gezongen dat ‘de Goede Herder ons veilig naar de stal zal brengen’. Die gedachte is wel begrijpelijk, omdat de Heere Jezus later spreekt over Zichzelf als de Deur waardoor schapen naar binnen gaan (vs. 9). Maar letterlijk staat daar ‘ingaan’, wat neutraler is. In hetzelfde vers staat bijvoorbeeld ook: “hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden”. Het doel van de Goede Herder is dat de verloren schapen van Israël weide vinden! Maar om die weide in te gaan, moeten ze via de Herder Die in de deuropening van de schaapskooi staat.

Het ‘weide vinden’ is opnieuw een verwijzing naar Ezechiël 34: “In goede weide zal Ik ze weiden en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Ze zullen daar neerliggen in een goede weideplaats en ze zullen grazen in de voortreffelijkste weide op de bergen van Israël” (Ezech. 34:14). Willen de verloren schapen van Israël het land Israël weer in, dan zal dat via de Heere Jezus moeten. Hij wil niets liever dan hen onder Zijn bescherming naar die weide brengen. Naast de aardse zegening van het land mogen we in de weide ook een geestelijke zegening herkennen: het uitleiden uit de wet om hen te brengen onder het nieuwe verbond (vgl. Ezech. 20:37 en Gal. 4:4-5). Eerder zagen we dat Ezechiël niet spreekt over de Herder Die Zijn leven geeft. Jesaja 53 vertelt wel over het Lam dat Zijn leven zal geven. In Johannes 10 verbindt de Heere Jezus deze gedeeltes als het ware aan elkaar door te zeggen dat Hij als de Goede Herder Zijn leven voor de schapen zal geven (vs. 11, 15, 17, 18).

Andere schapen

Voordat we verder gaan naar een volgend gedeelte is er een uitspraak in Johannes 10 waar we apart bij stil moeten staan. In vers 16 zegt de Heere Jezus: “Ik heb nog andere schapen, die niet van deze schaapskooi zijn; ook die moet Ik binnenbrengen, en zij zullen Mijn stem horen en het zal worden één kudde en één Herder” (Joh. 10:16). Vaak wordt het begrip ‘andere schapen’ uitgelegd als gelovigen uit de heidenen die bij Israël gevoegd zouden worden. Maar, zoals eerder gezegd, geeft Paulus aan dat de eenheid van Jood en heiden in Christus ‘in andere tijden niet bekend is gemaakt’ (Ef. 3:5). Het zou ook niet logisch zijn dat het om heidenen gaat, aangezien we net hebben geconstateerd dat het ‘binnenbrengen’ slaat op het brengen naar het land Israël.

Wanneer we Ezechiël er weer bij pakken, blijkt er een logischer verklaring te zijn. “Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn. Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke afgoden en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn. En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden” (Ezech. 37:21-24). Vergelijk vooral de zinsneden ‘binnenbrengen’ en ‘één kudde en één Herder’ uit Johannes 10 met ‘naar hun land brengen’ en ‘voor hen allen zal er één Herder zijn’.

Sinds de scheuring van het koninkrijk na Salomo zijn de twaalf stammen nooit meer volledig bij elkaar gekomen. Na de ballingschap is een groot deel van het tweestammenrijk en een gedeelte van het tienstammenrijk teruggekomen in het land. De Heere Jezus grijpt in Johannes 10:16 terug op de belofte uit Ezechiël dat Hij in de toekomst alle stammen weer zal samenvoegen. Niet langer zullen ze zijn als ‘schapen zonder herder’. Als nakomeling van David zal de Heere Jezus hun Herder-Koning zijn.

Het verloren schaap

In Mattheüs 18:11-13 en Lukas 15:3-7 spreekt de Heere Jezus over het verloren schaap. Het woordgebruik sluit naadloos aan op de lijn zoals we die tot nu toe gevolgd hebben. Hij beschrijft hoe een herder negenennegentig schapen in de woestijn achterlaat (Luk. 15:4), om een afgedwaald schaap in de bergen te zoeken (Matt. 18:12). We zagen al dat de woestijn de plaats is waar God een rechtszaak voert met zijn volk (Ezech. 20:36). De bergen zijn het gebied waar de afgedwaalde schapen van Israël ronddolen (Ezech. 34:6). Net als in Johannes 10 zijn ook in Lukas 15 de Farizeeën aanleiding voor de gelijkenis. “Al de tollenaars en de zondaars nu kwamen bij Hem om Hem te horen. En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden onder elkaar en zeiden: Deze Man ontvangt zondaars en eet met hen” (Luk. 15:1-2). De Heere Jezus vergelijkt de tollenaars en zondaars met afgedwaalde schapen. Ook hier is de verwijzing naar Ezechiël 34 een beschuldiging aan het adres van de Farizeeën. “Het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen” (Ezech. 34:4). Het noemen van de woestijn kunnen we als een waarschuwing voor de Farizeeën opvatten: ‘Er komt een moment dat de Opperherder terugkomt en met jullie in het gericht zal gaan in de woestijn’.

De schapen en de bokken

Mattheüs 25:31-46 vertelt over een ander gericht. Het spreekt over een oordeel tussen ‘de schapen en de bokken’. Op het eerste gezicht doet het erg denken aan Ezechiël 34:17-22. We zagen al dat daar een rechtszaak tussen de Herder-Koning en de schapen van Israël wordt beschreven. De Heere Jezus geeft duidelijk aan dat het hier over een andere rechtszaak gaat: “Wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. En voor Hem zullen al de volken bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden zoals de herder de schapen van de bokken scheidt” (Matt. 25:31-32). Deze rechtszaak van de Koning is met de volken. Er zijn vier partijen te onderscheiden: de Koning (vs. 34), Zijn broeders (vs. 40), de schapen en de bokken (vs. 33). De Koning is de Zoon des mensen, de Heere Jezus Zelf (vs. 31). De schapen en de bokken samen zijn ‘al de volken’ (vs. 33). De schapen zijn de rechtvaardigen die goed met de broeders zijn omgegaan, zij beërven het Koninkrijk (vs. 34, 40). De bokken zijn de vervloekten die slecht met de broeders zijn omgegaan, hun wacht de straf (vs. 41). De Heere Jezus legt hier niet uit wie Hij met Zijn broeders bedoelt. Maar eerder noemde Hij zijn volgelingen zo (Matt. 12:50; 28:10). Ik geloof persoonlijk dat het hier over gelovigen uit het Joodse volk gaat. Ten eerste hebben we gezien dat het geheimenis dat heidenen deelgenoten zijn van de belofte in Christus, nog niet bekend was gemaakt. Het kan dus niet om christenen uit de heidenen gaan. Ten tweede speelt dit gedeelte ten tijde van de vestiging van het Koninkrijk. Dat kunnen we opmaken uit het feit dat Jezus Zichzelf hier Koning noemt en spreekt van ‘het Koninkrijk beërven’. Dat Koninkrijk staat altijd in verband met Israël. In dat Koninkrijk komt Israël namelijk tot haar oorspronkelijke bestemming als ‘koninkrijk van priesters’ (Ex. 19:6; Hand. 1:6). De komst van het Koninkrijk is daarom tegelijk het herstel van Israël. Bij het herstel hoort logischerwijs een oordeel over het onrecht dat hen is aangedaan. Bedenk ook dat voorafgaand aan het Koninkrijk ‘al de volken van de aarde zullen zich tegen Jeruzalem verzamelen’ (Zach. 12:3). De Herder van Israël zal dus opstaan om Zijn kudde schapen te beschermen, en de aanvallers van Zijn kudde te berechten als schapen en bokken. 

Petrus’ aanstelling

In Johannes 21:15-19 komen we opnieuw de schapen tegen. Na Zijn opstanding vraagt de Heere hier tot drie keer toe aan Petrus of hij Hem liefheeft. In Zijn liefde en genade geeft de Heere Petrus de gelegenheid om zijn drievoudige verloochening te herstellen. Maar dit gesprek heeft nog een diepere betekenis. Naast drie vragen zijn er namelijk ook drie opdrachten: “Weid Mijn lammeren, hoed Mijn schapen, weid Mijn schapen”. Ik geloof dat de Heere Jezus hier, wetende dat Hij binnenkort Zelf fysiek afwezig zal zijn, een nieuwe onderherder aanstelt. Petrus krijgt het beheer over de kudde, in die zin dat hij het Evangelie aan zijn volksgenoten mag brengen (Gal. 2:7-8). Zo mag hij de verspreide schapen voorbereiden op de komst van de Herder. Het beloofde herstel zal namelijk komen wanneer de schapen Zich weer tot hun Herder keren. Petrus spreekt tot ‘Israëlitische mannen’ (Hand. 3:12) als hij zegt: “Kom dus tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere, en Hij Jezus Christus zal zenden, Die tevoren aan u verkondigd is. Hem moet de hemel ontvangen tot de tijden waarin alle dingen worden hersteld” (Hand. 3:19-21a).

Petrus mag daar ook vrucht op zien. Later schrijft hij aan ‘hen die in de verstrooiing zijn’ (1 Petr. 1:1): “Want u was als dwalende schapen; maar u bent nu bekeerd tot de Herder en Opziener van uw zielen” (1 Petr. 2:25). Maar we mogen weten dat in de toekomst die vrucht vele malen groter zal zijn, als al de schapen ‘Zijn stem zullen horen en het zal worden één kudde en één Herder’. Niet langer zal Israël zijn ‘als schapen zonder herder’. Het Nieuwe Testament bevestigt dat de beloftes uit het Oude Testament stuk voor stuk worden waargemaakt. De Heere Jezus is reeds als de Goede Herder gekomen om Zijn leven af te leggen voor Zijn schapen. Hij heeft de belofte van de profeten herhaald dat er volledig herstel zal komen. Met Zijn sterven heeft Hij voorzien in de voorwaarde voor het herstel. In de toekomst zal het herstel komen, wanneer Hij Zijn kudde terugbrengt naar het Land, het oordeel over hun vijanden velt en als Herder-Koning zal regeren.

Ook een Herder voor ons?

Hoe heerlijk deze boodschap ook is, er zullen mensen zijn die hier moeite mee hebben. Voor veel mensen is het beeld van Jezus als hun Goede Herder erg dierbaar, net als de toepassing van Psalm 23 op hun eigen leven. Dat de Bijbel uitsluitend over de Heere Jezus als de Goede Herder van Israël spreekt hoeft ons geen verdriet te doen, maar mag ons vertrouwen in Hem juist versterken. De wetenschap dat Hij door de hele Bijbel heen de Herder van Zijn volk blijft, leert ons hoe groot Zijn liefde en trouw zijn. Die liefde en trouw gaan in de Bijbel in de eerste plaats uit naar de verloren schapen van het huis van Israël. Maar dat wil niet zeggen dat we de beeldspraak van de schapen nooit op onszelf mogen toepassen. Zo noemt Paulus ook de lokale gemeente in Efeze ‘een kudde’ (Hand. 20:28). Door genade mogen wij al die eigenschappen van onze Heere als Herder ook herkennen in ons eigen leven. Vanuit die ervaring kunnen we zeggen: “De Herder van Israël is ook voor mij als een Herder geworden”. 

Sluiten