Verkenningen in Openbaring

Profetisch Woord | Oud Testament | Nieuw Testament | Typologie en beelden Tekst, Ton Stier

In deze studies willen we enkele hoofdlijnen van het boek Openbaring in beeld te brengen. Een poging daartoe stuit al snel op verschillende verklaringen die er ten aanzien van dit belangwekkende Bijbelboek bestaan.

We beseffen dan ook dat ons kennen nu nog ten dele is en dat veel profetische details pas in de fase van hun vervullingen op hun plaats zullen vallen. Toch is voor een bredere en diepere kennis van het profetisch woord een biddende bestudering van dit laatste Bijbelboek onontbeerlijk. Immers: “Zalig is hij die leest en zijn zij die horen de woorden van de profetie, en die in acht nemen…” (Opb. 1:3)

De zelfverklaring van de schrift

Zeker als het gaat om bestudering van profetie, moeten we allereerst Petrus’ waarschuwing ter harte te nemen “dat geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat; want de profetie is destijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar heilige mensen van God, door de Heilige Geest gedreven, hebben gesproken” (2 Pet. 1:20-21). Doordat we in Openbaring veel beeldspraak tegenkomen, lijkt het boek moeilijk toegankelijk. Maar evenals in verwante profetische boeken als Daniël, Ezechiël en Zacharia, worden deze ook grotendeels door de Schrift zelf verklaard. We noemen enkele voorbeelden:

De rechtstreekse verklaring

- De zeven sterren, zijn de zeven engelen van de gemeenten (1:16, 20);

- De zeven kandelaren, zijn de zeven gemeenten (1:13, 20);

- De zeven vurige fakkels, zijn de zeven Geesten van God (4:5);

- De gouden schalen vol reukwerk, zijn de gebeden van de heiligen (5:8; vgl. 8:3).

De verklaring vanuit de directe context

- De ster die op de aarde valt, is de engel van de afgrond (9:1, 11);

- Een tijd, tijden en een halve tijd (12:14), worden verklaard met 42 maanden (11:2; 13:5) en 1260 dagen (11:3; 12:6);

- De grote hoer, is de grote stad Babylon en haar terreurbewind (17:1, 5, 18);

- De Ruiter op het witte paard (Openb. 19:11-16, 19), is de Koning der koningen en Heere der heren (vs. 16).

Verklaring vanuit andere Bijbelboeken

- De Boom des Levens (2:7; 22:2; vgl. Gen. 2:9; 3:22, 24);

- De ijzeren staf (2:27; vgl. Ps. 2:9);

- De sleutel van David (3:7; vgl. Jes. 22:22).

Openbaring van Jezus Christus

De kernboodschap van het boek vinden we al meteen in het eerste vers: “Openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te laten zien wat spoedig moet geschieden, en die Hij door Zijn engel gezonden en aan Zijn dienstknecht Johannes te kennen heeft gegeven”. ‘Openbaring’ is de vertaling van het Griekse woord: ‘apokalupsis’, dat de betekenis heeft van het wegnemen van een sluier. Je zou het kunnen vergelijken met de onthulling van een monument, waarbij het doek op zeker moment wordt weggenomen. Vanzelfsprekend stond het monument er al enige tijd in afwachting van de openbaarmaking. Evenzo onthult Openbaring dingen die in Gods raad al van eeuwigheid af bekend zijn, maar nu door de Heere zichtbaar worden gemaakt. Johannes getuigt namelijk niet alleen van wat hij gehoord heeft, maar bovenal van “alles wat hij gezien heeft” (1:2, 11- 12, 19-20). Dat zien betreft gebeurtenissen die plaats zullen vinden in een specifieke periode van Gods heilsplan, die de Bijbel de dag des Heeren noemt. Het is op die dag, die overigens een veel langere periode van 24 uur omvat, waarop Johannes zich in de geest bevindt (1:10, verg. Ezech. 37:1). En dat is ook meteen de sleutel die ons toegang verschaft tot een beter verstaan van dit profetische Boek. In onze vorige Beet Hamidrasj over ‘de tijd van het einde’, zagen we reeds dat de Bijbel deze dag des Heeren nergens in verband brengt met de zondag, de eerste dag van de week, maar altijd een aanduiding is van een periode waarin de Heere Zijn stilzwijgen doorbreekt en rechtstreeks op het wereldgebeuren ingrijpt1.

Heel het boek Openbaring moeten we dan ook lezen in de context van de dag des Heeren. Het zijn “woorden van profetie”, waarvan de vervulling nabij is (1:3) en die spoedig moeten geschieden (1:1). Misschien denken we dat die spoed wel meevalt, omdat we inmiddels al zo’n 2000 jaar verder in de tijd zijn. Maar let wel, de ontwikkelingen die in Openbaring worden beschreven, moeten we zien vanuit het perspectief waarin Johannes ze zag: de dag des Heeren. In die tijd zullen geestelijke en fysieke ontwikkelingen elkaar steeds sneller opvolgen. De tijd zal volgens Jezus’ eindtijdrede zelfs ingekort worden omwille van de uitverkorenen (Matt. 24:22).

Dat Openbaring uitsluitend toekomstige gebeurtenissen beschrijft, herleiden we primair op het feit dat Johannes zich bevond op de dag des Heeren. Maar er zijn veel meer argumenten die dat ondersteunen. Spreekt Paulus bijvoorbeeld nog over het verborgen zijn van Christus in God (Kol. 3:3), Johannes daarentegen ziet Christus in Zijn volle heerlijkheid als ‘Zoon des mensen’ (1:13). Een titel die staat voor Christus’ positie als Heerser en Rechter, zoals ook blijkt uit Zijn ander titel ‘Vorst van de koningen der aarde’ (1:5). Maar het blijkt ook uit Zijn verschijningsvorm: “gekleed in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel; en Zijn hoofd en haar waren wit, als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen waren als een vuurvlam, en Zijn voeten waren als blinkend koper, gloeiend gemaakt in een oven, en Zijn stem klonk als het geluid van vele wateren … met uit Zijn mond een tweesnijdend scherp zwaard … en Zijn gezicht was zoals de Zon schijnt in haar kracht” (Opb. 1:13-16). Een beschrijving die overigens naadloos aansluit op Daniëls profetie over de Mensenzoon “aan Wie werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan” (Dan. 7:13-14). Bij het zien van die overweldigende heerlijkheid valt Johannes dan ook “als dood aan Zijn voeten” (1:17, vgl. Ezech. 1:28; Dan. 10:5, 6, 8-14). Het is als het ware een voorproef van het grote moment, waarin het boek Openbaring uitmondt: “Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben. En alle stammen van de aarde zullen rouw over Hem bedrijven. Ja, amen” (1:7).

Engelen

Bij het vergelijken van de Nieuwtestamentische brieven met de zeven brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring, ontdekken we legio verschillen. Zo zijn de Openbaring-brieven niet van apostelen afkomstig, maar is het Christus Zelf, Die Zich via engelen tot de zeven gemeenten richt. Via hen rapporteert Johannes hoe Christus elke gemeente afzonderlijk beoordeelt2. Ook Johannes krijgt trouwens zijn openbaring via een engel, die hem gedurende het hele boek vergezelt. Waarom via engelen? Welnu als het gaat om openbaringen van Gods handelen met Israël, zien we vaak engelen optreden (zie kader).

Engelen in relatie tot Israël

Denk aan het ontvangen van de wet, die “door engelen in de hand van de middelaar [Mozes] is beschikt” (Gal. 3:19); de engel Michaël, die bijstand verleent in de strijd tegen de (engel)vorsten van Perzië en Griekenland (Dan. 10:13, 21); maar ook het volk zal bijstaan in de zwaarste benauwdheid die hen wacht (Dan. 12:1); de engel Gabriël, die Gods boodschap overbrengt aan Daniël, Zacharias en Maria (Dan. 8:16; 9:21; Luk. 1:19, 26). Het is daarom niet verwonderlijk dat in de brief aan de Hebreeën (aan voornamelijk Joodse gelovigen gericht), meer dan andere brieven, engelen het meest frequent ter sprake komen. De apostel begint dan ook niet voor niets met de mededeling dat Christus “zoveel meer is dan de engelen”, maar “vanwege het lijden van de dood voor korte tijd minder dan de engelen geworden was” (Heb. 1:4; 2:9). Kijken we naar de verhouding binnen alle Bijbelboeken, dan spant Openbaring de kroon door in maar liefst 64 van de in totaal 405 verzen over engelen te spreken.

Vergelijking nieuwtestamentische brieven met de Openbaring-brieven

Dat de brieven in Openbaring rechtstreeks door Christus via engelen aan de zeven gemeenten worden geschreven, moeten we zien in de context van de dag des Heeren. Het is duidelijk dat deze vorm van communicatie sterk verschilt van de andere brieven in het Nieuwe Testament. Zo is de brief aan de gemeente te Filippi gericht aan “al de heiligen met hun opzieners en diakenen” (1:1). Die typische gemeentelijke structuur als Hoofd ten opzichte van het Lichaam met al zijn geledingen van herders, leraars, opzieners en diakenen3, zoeken we tevergeefs in de Openbaring-brieven. Vergelijken we verder bijvoorbeeld de brief van Paulus aan de Efeziërs en die van Christus aan de engel van de gemeente te Efeze, dan ademen die brieven ieder een totaal andere sfeer.

Maar, zo kunnen we tegenwerpen, er is toch slechts één universele gemeente van Jezus Christus? Ja, dat klopt voor wat betreft de huidige periode van Gods heilsplan. Maar bedenk dat de Bijbel ook spreekt over de gemeente (Hebr.: kahal) van Israël (zie b.v. Exod. 12:6; 16:3) en “de gemeente van de HEERE in de woestijn” (Num. 20:4). Een bekende tekst in dit verband is Psalm 22:23, waar profetisch de uit de dood verrezen Messias zegt: “Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen, in het midden van de gemeente zal ik U loven”. Het hoeft geen betoog dat de Heere hier spreekt over Zijn broeders als het volk waaruit Hij wat het vlees betreft is voortgekomen (zie o.a. Rom. 9:5). Het tweede deel van deze Psalm gaat dus ook niet over de gemeente als Lichaam van Christus, wat toen overigens nog een verborgenheid was (Ef. 3:2-6), maar over Christus’ koninkrijk op aarde. We lezen in de verzen 28 en 29: “Alle einden der aarde eraan zullen denken en zich tot de HEERE bekeren: alle geslachten van de heidenvolken zullen zich voor Uw aangezicht neerbuigen. Want het koningschap is van de HEERE, Hij heerst over de heidenvolken” (Ps. 22:28-29). Evenals vele andere woorden in de Schrift, wordt ook de betekenis van het begrip ‘gemeente’ door de context bepaald en heeft dus in Psalm 22 primair betrekking op de gemeente van Israël4.

‘Wat u hebt gezien, wat is en zal geschieden’

Hoewel we later uitgebreider in zullen gaan op de indeling van Openbaring, is het goed om al vast stil te staan bij 1:19: “Schrijf nu op wat u hebt gezien, en wat is, en wat hierna zal geschieden”. Deze tekst wordt vaak verklaard als drie periodes die Johannes zou beschrijven, waaraan tevens de indeling van het boek wordt ontleend. “Wat u hebt gezien”, zou betrekking hebben op het verleden; “wat is”, zou gaan over het heden en “wat hierna zal geschieden”, zou gaan over de toekomst. Maar dan is de vraag hoe deze uitleg zich verhoudt tot Johannes’ beschrijving van de toekomstige dag des Heeren. Een letterlijker vertaling5 van vers 19 luidt echter: “Schrijf welke (dingen) u ziet [Grieks: ‘eides’] en welke (dingen) ze zijn [Grieks: ‘eisin’, oftewel, de verklaring van hun betekenis6] en welke zullen geschieden na deze. Anders gezegd: Johannes zag gebeurtenissen (vaak in beelden), mocht ze verklaren en tevens aangeven hoe en wanneer ze binnen de dag des Heeren zullen plaatsvinden.

Kerkgeschiedenis

Sommigen herkennen in de typeringen van de zeven Openbaring-gemeenten, zeven opeenvolgende perioden van de kerkgeschiedenis. Hoe interessant en aannemelijk deze interpretatie ook is, we moeten wel beseffen dat het een beschrijving van de kerkgeschiedenis van Europese bodem en perspectief betreft. De gemeentelijke geschiedenis is echter veel breder. Ze begon met de verkondiging van Joodse apostelen en evangelisten die daartoe de toenmalige wereld zijn overgetrokken. Denk alleen al aan het feit dat Petrus zijn brief uit Babylon schreef (1 Pet. 5:13) en zich richt tot “vreemdelingen in de verstrooiing in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bithynië” (1 Pet. 1:1).7 Daarop voortbordurend, zijn de zeven gemeenten in Openbaring waarschijnlijk bestaande - voornamelijk Joodse - gemeenten geweest, die evenals de gelovigen in Lystra, Ikonium en Antiochië werden vermaand te blijven bij het geloof en “door vele verdrukkingen het koninkrijk Gods moesten binnengaan”8 (Hand. 14:21). De typeringen van deze zeven Openbaring-gemeenten zullen bij aanvang van de dag des Heeren herkenbaar zijn. We doen er mijns inziens daarom goed aan om deze gemeenten primair in die context te identificeren. Het is de tijd waarin Christus’ heerschappij gradueel dominanter zal worden en gepaard zal gaan met heftige confrontaties tussen licht en duisternis.

Kenmerken van de zeven Openbaring-gemeenten

We beperken ons tot enkele opvallende kenmerken van de zeven Openbaring-gemeenten, die zich tegelijk onderscheiden van de nieuwtestamentische brieven:

- De geadresseerden van de brieven zijn ‘de engelen van de gemeente’ voorgesteld als zeven sterren, een herkenbaar beeld uit de droom van Jozef (Gen. 37:9) dat terugkeert in Openbaring 12:1;

- De consequent terugkerende oproep: “Wie oren heeft, laat hij horen”, komt buiten Openbaring alleen voor in het onderwijs van de Heere Jezus aan Zijn volksgenoten (Matt. 11:15; 13:9, 43; Mark. 4:23; 7:16; Luk. 14:35) en staan in de context van het aan Israël beloofde koninkrijk (verg. Jes. 6:9,10);

- Christus wandelt te midden van de gemeenten, afgebeeld als kandelaren, een typisch Joods symbool (2:1);

- Er is regelmatig sprake van rechtstreeks en soms rigoureus ingrijpen van de Heere (2:5, 16, 3:3, 9) met zelfs de dood van kinderen als afschrikwekkend voorbeeld voor de andere gemeenten (2:23);

- Elke brief sluit af met “Wie overwint …” gevolgd door een belofte. Vergelijken we dat bijvoorbeeld met
1 Johannes 5:4,5 dan is de voorwaarde tot overwinning “ons geloof” en volgens Romeinen 8:37 zijn wij reeds “meer dan overwinnaars, door Hem Die ons heeft liefgehad”. Ten aanzien van de zeven Openbaring-gemeenten komt het er echter op aan om te midden van verdrukkingen (zie 2:3, 9, 10, 13) en grote misleidingen (2:2, 14-16, 20; 3:2, 9), die overwinning nog te behalen. Een principe dat we kennen uit de eindtijdrede van de Heere Jezus: “wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden” (Matt. 24:13);

- De beloften die de Openbaring-gemeenten op voorwaarde van overwinning ontvangen, hebben grotendeels een oudtestamentische karakter, zoals eten van de Boom des levens, die in het midden van het paradijs staat (2:7); eten van het verborgen manna (Exod. 16:14, 32-34; Ps. 78:24, 25) en de ontvangst van een witte steen met daarop een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan wie hem ontvangt (2:17, vgl. Jes. 62:2); macht over de heidenvolken en hen hoeden met een ijzeren staf, om hen als kruiken van een pottenbakker te kunnen verbrijzelen (2:26-27, vgl. Ps. 2:9); bekleed worden met witte kleren (vgl. Pred. 9:8; Zach. 3:4) en niet te worden uitgewist uit het boek des levens (3:5, vgl. Ps. 69:29); tot een zuil in de tempel gemaakt te worden met op zich de Naam van God geschreven en de naam van het nieuwe Jeruzalem (3:12).

De vraag is natuurlijk: vanwaar die beloning voor overwinning? Het zijn beloningen die passen in de sfeer van het toekomstige koninkrijk dat Christus vanuit Jeruzalem op aarde zal vestigen. Een koninkrijk waarin de overwinnaars – zoals degenen die hun leven niet lief hebben gehad tot in de dood (zie 12:11) - met Hem gedurende 1000 jaar zullen heersen. We lezen namelijk: “En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven. En ik zag de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God, die het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden, die het merkteken niet ontvangen hadden op hun voorhoofd en op hun hand. En zij werden weer levend en gingen als koningen regeren met Christus, duizend jaar lang” (20:4).

Overeenkomsten beginperiode handelingen en openbaring

Als we kijken naar het boek Handelingen herkennen we in de beginfase opmerkelijke overeenkomsten met de beginfase van de dag des Heeren zoals omschreven in Openbaring 1-3. Zo verwijst Petrus naar de profetie van Joël over ‘de grote en ontzagwekkende dag van de Heere’ (Hand. 2:20). We zien God rechtstreeks ingrijpen toen de leugen van Annanias en Safira onthuld werd. Ze vielen op slag dood “en er ontstond grote vrees bij allen die dit hoorden” (Hand. 5:4, 5, vgl. Opb. 2:23). Een andere heftige gebeurtenis, maar dan buiten de kring van gelovigen, was de executie van Herodes, die – zittend op zijn rechterstoel - zich met een koninklijke mantel van oogverblindende glans9 als messias10 door het volk liet toejuichen: “Een stem van God en niet van een mens!” Waarna Gods oordeel op hem viel: “En onmiddellijk sloeg een engel van de Heere hem, omdat hij God de eer niet gaf; en hij werd door de wormen gegeten en gaf de geest” (Hand. 12:22-23, verg. Jes. 66:24). Gaandeweg zien we deze typische voorafschaduwingen in Handelingen van de dag des Heeren vervagen en treedt er een nieuwe fase in: de openbaring van het geheimenis omtrent het Lichaam van Christus, “opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelvuldige wijsheid van God bekendgemaakt zou worden” (Ef. 3:10). Het aardse wordt verwisseld voor het hemelse. Het burgerschap van de gelovigen komt in de hemelen, “waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt lichaam, overeenkomstig de werking waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen” (Fil. 3:20-21). Let wel, Gods Woord zegt hier niet dat ons gestorven lichaam veranderen zal, hoewel ook dat natuurlijk waar is in geval we voortijds sterven, maar dat ons huidige vernederd lichaam veranderen zal zodat het gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt lichaam. Uit die verwachting mogen we dagelijks leven, zonder af te doen aan de lering en troost die vanuit heel de Schrift tot ons komt. Waaronder dus ook heel het boek Openbaring! 

Tussen hemel en aarde

Na te zijn ingegaan op de betekenis van ‘de dag des Heeren’, die een belangrijke context voor het boek Openbaring is, worden we in hoofdstuk 4 tot en met 6 meegenomen naar wat zich in de hemel afspeelt. Hemelse en aardse gebeurtenissen en hun onderlinge wisselwerking creëren deels ook de structuur van Openbaring.

Johannes wordt uitgenodigd om kennis te nemen van wat er zich in de hemel afspeelt en begint met: “Hierna zag ik, en zie, er was een deur geopend in de hemel. En de eerste stem die ik als van een bazuin met mij had horen spreken, zei: Kom hier, omhoog, en Ik zal u laten zien wat hierna moet geschieden” (4:1). Het woord ‘hierna’ geeft de voortgang aan van wat Johannes ziet met betrekking tot ‘de dag des Heeren’ (1:10). We moeten ons er daarbij van bewust zijn dat het boek zich niet steeds in chronologische volgorde laat lezen. Johannes getuigt bijvoorbeeld in 5:13: “En elk schepsel dat in de hemel, op de aarde, onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Aan Hem Die op de troon zit, en aan het Lam zij de dankzegging, de eer, de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid”, terwijl de daaropvolgende hoofdstukken nog het heftig verzet tegen Gods heerschappij beschrijven. De stem die Johannes nodigt omhoog te komen, is dezelfde als die in 1:10 en Zich bekendmaakte als ‘de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste’ (1:11).

De troon

Vervolgens wordt de apostel geconfronteerd met een troon: “en Hij Die daar zat, zag eruit als de stenen jaspis en sardius. En er was een regenboog rondom de troon, die er uitzag als een smaragd” (4:3, vgl. Ezech. 1:28). Deze edelstenen weerspiegelen de heerlijkheid en veelkleurigheid van de Heere. Dat alle aandacht uitgaat naar een troon, en Degene Die daarop is gezeten, is niet verwonderlijk. Openbaring staat immers in het teken van de herovering van de aarde, waarvan de heerschappij als gevolg van Adams ongehoorzaamheid in handen viel van satan, ‘de vorst van deze wereld’ (Joh. 12:31; 16:11) en ‘de god van deze eeuw’ (2 Kor. 4:4).

Deze imponerende troon met zijn bliksemstralen, donderslagen en stemmen komen we in de elf verzen van hoofdstuk 4 maar liefst twaalf keer tegen. Hoewel de troon getuigt van heerschappij en oordeel, spreekt de regenboog van smaragd rondom de troon van genade. Het is immers het teken van Gods verbond met de aarde dat deze niet meer door water verzwolgen zal worden (Gen. 9:13). De prachtige groene kleur van de smaragd, ook wel ‘de koning der edelstenen’ genoemd, getuigt van nieuw leven waarmee eens de aarde onder Christus’ heerschappij bekleed zal zijn. Stelde God ooit een grens aan de hoogmoed van de golven van de zee (Job 38:11), voor Gods troon wordt deze tot een glazen zee van kristal (4:6; 15:2), totdat hij op de nieuwe aarde niet meer wezen zal (21:1). De troon is ook het heiligdom waar Gods hemelse dienaren Hem voortdurend aanbidden. De tempel als koninklijke residentie bepaalt ons bij Christus als de Priester-Koning naar de ordening van Melchizedek (Ps. 110:4; Hebr. 5-7). De verklaring van de zeven vurige fakkels voor de troon, staat in hetzelfde vers: ‘de zeven Geesten van God’. Die vinden we ook terug bij het Lam met Zijn zeven horens (beeld van kracht) en zeven ogen: “Dat zijn de zeven Geesten van God, die uitgezonden zijn over heel de aarde” (5:6, zie ook 1:4; 3:1). Geen plek ter aarde, waar de mens zich aan Gods rechtvaardig oordeel kan onttrekken.

Hemelse dienaren

Allereerst zien we de 24 ouderlingen, bekleed met witte klederen, gouden kronen op hun hoofd en zittend op 24 tronen (4:4). Dan breekt het moment aan dat zij hun kronen neerwerpen voor Hem “Die waard is te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de kracht”. Want – en dat zal straks aan de hele aarde openbaar worden – “U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil bestaan zij en zijn zij geschapen” (4:11). Hoe zinloos lijden, verdriet en verdrukking soms ook lijken, God komt in al Zijn werken tot Zijn doel. Immers alles is om Zijn wil geschapen! Er is veel gespeculeerd over wie die 24 ouderlingen zijn. De Bijbel identificeert ze niet als verloste zondaars11, maar als gezaghebbende hemelse wezens (ouderlingen met kronen), die de buitenste ring van de troon vormen. Het getal 24 (2x12) doet denken aan de door David aangestelde 24 tempelhoofden, die via loting uit de zonen van Eleazar en Ithamar waren samengesteld (1 Kron. 24:4, 5). Eveneens waren er 24 Levitische poortwachters (1 Kron. 26:17-19)12. Hun dienst in het aardse heiligdom wordt hier gespiegeld door 24 ouderlingen en hun dienst in het hemels heiligdom.

De binnenste kring om de troon wordt gevormd door de vier dieren, vol ogen van achteren en van voren, wiens gelijkenis Johannes achtereenvolgens beschrijft als een leeuw, een kalf, een gezicht als van een mens en een vliegende arend (4:7). Mogelijk houden deze beelden verband met de getuigenissen van de vier evangelisten, met hun respectievelijke accenten op Jezus’ Koningschap, Knechtschap, Mensheid en goddelijkheid. Hun zes vleugels en hun uitroep: “Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, Die is, en Die komt!” (4:8) doet sterk denken aan de roep van de serafs in het visioen van Jesaja 6. De profeet ziet de Heere in Zijn hemelse tempel, zittend op Zijn hoge en verheven troon. Ezechiël, die evenals Johannes vier vergelijkbare hemelse wezens ziet, identificeert ze echter als cherubs (Ezech. 1:5-14; 10:20). Zowel deze vier dieren als de 24 ouderlingen, komen we uitsluitend tegen in relatie tot de troon van God, waarbij opvalt dat de 24 ouderlingen de vier dieren volgen in hun aanbidding van Hem Die op de troon gezeten is (4:8-10; 5:8, 14; 19:4). Er is dus sprake van een hemelse hiërarchie. Zo kondigen de vier dieren achtereenvolgens met de roep ‘kom’, de gebeurtenissen van de eerste geopende zegels aan (hfdst. 6) en geeft een van hen de zeven gouden schalen van Gods toorn aan de zeven engelen (15:7). Kort samengevat beschrijft Openbaring 4 dus de volmaakte heerlijkheid van de Heere, Die uiteindelijk op aarde Middelpunt van aanbidding zal worden. Dat het zover nog niet is, blijkt wel uit de heftige gebeurtenissen in de hemel die in hoofdstuk 6 worden beschreven.

Het lam

Bijzonder zijn de beschrijvingen in Openbaring van de Heere Jezus (zie pag. 8 e.v.), Die in hoofdstuk 5 voor het eerst als het Lam wordt getypeerd. Gezien het voluit Joodse karakter van Openbaring, is dit een verwijzing naar het Paaslam dat voor de uittocht uit Egypte geslacht moest worden. Het aan de bovendorpel en beide deurposten gestreken bloed behoedde het volk voor de dood van hun eerstgeboren zoon. Openbaring bevat dan ook opvallend veel parallellen met de verlossing van Israël uit Egypte, alsmede Gods oordelen over dat land. Niet verwonderlijk als we bedenken dat Israëls uittocht uit Egypte heel vaak model staat voor haar toekomstige wereldwijde verlossing (Jer. 16:14; 30:3; Ezech. 20:36-38; Hos. 2:14; Micha 7:15, 16; Hag. 2:6-9).

Het Lam ‘staat als geslacht’ (5:6). Een merkwaardig beeld, want een geslacht Lam ligt en staat niet. We zien hier echter de relatie tussen Christus’ lijden en heerlijkheid. Denk aan de tekenen van Zijn kruislijden waarmee Hij aan Thomas Zijn opstanding bewijst (Joh. 20:27) en waarop deze reageert met: “mijn Heere en mijn God” (Joh. 20:28). En zo is “het Lam Dat geslacht is (!), het waard om de kracht te ontvangen, en rijkdom, wijsheid, sterkte, eer, heerlijkheid en dankzegging” (5:12). Tijdens de dag des Heeren zal het alles overtreffende gezag van het Lam voor de bewoners op aarde steeds merkbaarder worden.

Ten slotte is het nog goed het onderscheid op te merken tussen “Hem Die op de troon zit” (5:1, 7, 13; 6:16; 7:10, 15; 19:4; 21:5) en het Lam Dat – als uitvoerende macht van de Vader - “te midden van de troon staat” (5:6, vgl. 14:1). Hetzelfde onderscheid zien we in Daniël 7:9 en 13 tussen ‘de Oude van dagen’ en ‘Iemand als een Mensenzoon’. Een onderscheid dat uiteindelijk zal wegvallen als Gods heilplan voltooid zal zijn zoals door Paulus samengevat: “En wanneer alle dingen aan Hem onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem Die alle dingen aan Hem onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn” (1 Kor. 15:28).

De heiligen

Opvallend zijn de veelvuldige verwijzingen naar ‘de heiligen’. Als eerste wordt de Heere Jezus ‘de Heilige’ genoemd (3:7), Die door de vier dieren dag en nacht met de roep ‘heilig, heilig, heilig’ wordt omgeven (4:8). Hij is de heilige en waarachtige Heerser (6:10). Dan hebben we de heiligen (meervoud), wiens gebeden als reukwerk op een gouden schaal voor God opstijgen (5:8; 8:3-4), die een nieuw lied zingen (14:3) en zich met het bloed van het Lam gekocht weten ‘uit elke stam, volk en natie’ (5:9). Dat deze heiligen het onder de heerschappij van het beest zwaar te verduren hebben, blijkt uit 13:7: “En het beest werd macht gegeven om oorlog te voeren tegen de heiligen en om hen te overwinnen …”. Let wel, die overwinning heeft betrekking op hun tijdelijke fysieke ondergang. Feitelijk zijn zij overwinnaars over satan “door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot in de dood. (12:11). God zal hun lijden ruimschoots vergoeden: “Zalig zijn de doden die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten van hun inspanningen, en hun werken volgen met hen” (14:13, verg. 6:11).

Daniël spreekt over het volk van de heiligen (7:27; 8:24), dat natuurlijk een aanduiding is van het gelovig Joodse overblijfsel dat straks aan het hoofd van de volken gesteld zal worden (Dan. 7:27; Deut. 26:19; 28:1, 13). Diezelfde Joodse context vinden we in het ‘lied van Mozes’ en ‘het lied van het Lam’, dat zij zingen en waarin het Lam ‘de Koning van de heiligen’ wordt genoemd (15:3). Merk op dat het hier dus niet gaat om de Gemeente, die in de Bijbel wordt getypeerd als een Lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. Het gaat hier om een volk, waarvan Christus de Koning is.

Het bloed van deze heiligen zal door God gewroken worden (16:6), waarmee hun gebed wordt verhoord: “Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen?” (6:10). Allemaal typische kenmerken van ‘de dag des Heeren’, die naadloos aansluiten bij de ‘wraakpsalmen’ die dan hun eindvervulling krijgen. Denk aan Davids gebed: “O God, breng de goddeloze om!” (Ps. 139:19)13. Niet bepaald een gebed dat we als Gemeente in deze tijd bidden! Het gaat hier echter om ‘de dag der wrake’ (onderdeel van de ‘dag des Heeren, zie o.a. Jer. 46:10), waarin met name het terreurregime van Babylon aan het rechtvaardig oordeel van God zal worden onderworpen (18:6-10; 19:1, 2). Dat is overigens ook de context van de zeer ernstige verzen over Babel in Psalm 137:8-9! Als ‘de vrouw van het Lam’ zal dit ‘volk der heiligen’ met smetteloos fijn linnen worden bekleed (19:8) en onder Zijn heerschappij een beschermde legerplaats krijgen toegewezen (20:9).

De zeven zegels

De hoofdstukken 6 en 8 beschrijven heftige gebeurtenissen, die het gevolg zijn van de opening van de zeven zegels van de boekrol door het Lam. Vanuit de hemel ziet Johannes wat er op aarde gebeurt. Het begint met vier ruiters, aan wiens verschijningen en werken de eindtijdrede van de Heere Jezus in Mattheüs 24 veel context geeft.

Openbaring 6 en 8

Mattheüs 24

1e zegel: Gekroonde ruiter op wit paard met boog, “overwinnend om te overwinnen” (6:2)

Misleidingen: ‘ik ben de Christus’ (vs. 4-5)

2e zegel: Ruiter op rode paard, neemt vrede weg (6:4)

Oorlogen en geruchten van oorlogen (vs. 6-8, vgl. 1 Thess. 5:3)

3e zegel: Ruiter op zwarte paard veroorzaakt hongersnood (6:5-6)

Hongersnoden, veelal gevolg van oorlogen (vs. 7)

 

4e zegel: Ruiter op grauw paard: de dood (6:7)

Doden a.g.v. besmettelijke ziekten, aardbevingen, enz. (vs. 7)

5e zegel: zielen onder het altaar, die omwille van het Woord waren omgebracht. Zij roepen om vergelding, maar moeten wachten tot het getal van hun lotgenoten compleet is (6:9, 10)

“Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en u doden…” (vs. 9, 21)

6e zegel: grote aardbeving, de zon wordt zwart, de maan als bloed en de sterren vallen van de hemel, de hemel wordt geopend als een boekrol: de grote dag van de toorn van het Lam aangebroken (6:12-17)

“En meteen na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden. En dan zal aan de hemel het teken van de Zoon des mensen verschijnen …” (vs. 29-30)

7e zegel veroorzaakt een half uur stilte en vormt de overgang naar de beschrijving van zeven bazuinoordelen (8:1-2).

De gebeurtenissen die Johannes vervolgens beschrijft zijn aanvullend op de eindtijdrede van de Heere Jezus.

144.000

Tussen de beschrijving van de zeven zegels en de zeven bazuinen vinden we opnieuw een aanduiding voor de Joodse context van Openbaring, namelijk Gods 144.000 dienaren, die door Hem uit alle stammen van de Israëlieten14 aan hun voorhoofd worden verzegeld (7:4). Die verzegeling maakt hen immuun voor de strafgerichten die de aarde zullen treffen (7:1-2). We noemden al de parallel met de strafgerichten over het land Egypte en de ‘verzegeling’ van de Israëlieten in het land Gosen, dat niet getroffen werd.

De zeven bazuinen

Alle huidige klimaatzorgen ten spijt; ze zullen in het niet vallen bij de bazuinoordelen, die vooral de aarde en de wateren zullen treffen en daarmee hen die op de aarde wonen. Naar mijn inzicht vallen de zeven bazuinoordelen in hetzelfde tijdsbestek als de zeven zegeloordelen. Opnieuw dus geen sprake van chronologie. Beide eindigen namelijk met de komst van Christus en Zijn koningschap.

Oorzaak:

Gevolgen:

1e Bazuin: hagel en vuur, vermengd met bloed op de aarde geworpen (8:7)

Verbranding 1/3 deelvan de bomen en al het groene gras (8:7)

2e Bazuin: iets als een brandende berg in zee geworpen (8:8)

1/3 deel van de zee werd bloed, dood van 1/3 deel zeedieren en

1/3 van de schepen vergaat (8:8, 9)

3e Bazuin: Brandende ster, Alsem genaamd, viel op 1/3 deel rivieren (8:10)

1/3 deel wateren veranderde in alsem, met veel doden tot gevolg.

4e Bazuin: Zon, maan en sterren voor 1/3 verduisterd (8:12, 13).

Aarde gedurende dag en nacht voor 1/3 verduisterd.

5e Bazuin5: Opening put afgrond: sprinkhanen als schorpioenen, enz. (9:1-11)

Vijf maanden pijniging van diegenen die niet door God aan hun voorhoofd waren verzegeld. Dood wordt tevergeefs gezocht.

6e Bazuin: Paarden met hoofden als leeuwenkoppen, staarten als slangen, enz. (9:13-21)

1/3 deel van de mensen gedood. De overigen bekeren zich niet van aanbidding demonen, afgoden, moorden, toverij, ontucht en diefstal. (Vgl. de dagen van Noach in Gen. 6)

7e Bazuin: Christus’ koningschap definitief aangebroken, alsmede Zijn toorn over de volken (11:15-18).

Beloning van dienstknechten, profeten en heiligen (11:18). Denk aan beloofde beloning voor “wie overwint ...” in de zeven gemeenten (2:7, 11, 17, 26; 3:5, 12, 21).

Opstand van de volken tegen Christus’ heerschappij (11:18, vgl. Ps. 2)

De zeven schalen van Gods toorn

Deze schaaloordelen worden aangeduid als de laatste plagen waarmee de toorn van God tot een einde komt en bij de uitgieting van de zevende schaal wordt bevestigd met ‘het is geschied’ (15:1; 16:17, zie ook 21:6). Op Golgotha sprak het bloedend Lam: “Het is volbracht” (Joh. 19:30), nu spreekt het toornend Lam: “Het is geschied”. De nadruk bij de zeven schaaloordelen ligt op de toenemende intensiteit van en de hardvochtigheid van de bewoners der aarde. Ondanks dat zij, evenals destijds farao, Gods machtige tekenen met eigen ogen zien, verharden zij zich en lasteren God. Consequentie: afsluiting van de weg tot bekering (Exod. 9:12, 35; 10:20, 27; 11:10; 14:8; 2 Thess. 2:10-11).

Oorzaak

Gevolgen

1e schaal uitgegoten over de aarde (16:2)

Kwaadaardige en schadelijke zweren aan degenen met het merkteken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden.

2e schaal uitgegoten in de zee (16:3)

Zee wordt bloed als van een dode; zeedieren sterven.

3e schaal uitgegoten in de rivieren en bronnen (16:4-7)

Water wordt bloed: oordeel over degenen die bloed van profeten en heiligen vergoten. Tweevoudige proclamatie: Gods oordeel is rechtvaardig!

4e schaal uitgegoten over de zon (16:8-9)

Verzengende hitte, lastering van Gods Naam i.p.v. bekering.

5e schaal uitgegoten over de troon van het beest en zijn koninkrijk (16:10-11). Betreft Gods oordeel over Jeruzalems opponent: de grote stad Babylon.

De God van de hemel (tegenstelling t.o.v. afgoden op aarde) gelasterd en wederom geen bekering.

6e schaal uitgegoten over de Eufraat (16:12)

Drie onreine geesten uit de demonische drie-eenheid van de draak, het beest en de valse profeet, die de koningen uit het oosten doen opgaan voor de op een na laatste strijd: Armageddon6.

7e schaal over de lucht met een duidelijke markering: “Het is geschied” (16:17-21).

Bevestiging 15:1: “zeven engelen met de zeven laatste plagen. Want daarmee zal de toorn van God tot een einde gekomen zijn.”

Uitzonderlijk grote aardbeving: Gods toorn over Babylon, dat in drie stukken uiteenvalt, ook andere steden storten in, uitzonderlijk grote hagelstenen. Gevolg: godslastering i.p.v. bekering7.

Oproep tot bekering

Als we op ons laten inwerken wat de wereld volgens het boek Openbaring nog te wachten staat, kan droefheid ons hart vervullen. Ook Daniël, wiens profetieën evenals die van Johannes deels gaan over de dag des Heeren, was verbijsterd en zelfs enige dagen ziek (Dan. 8:27). Toch mogen we niet het grote beginsel uit het oog verliezen dat “God niet wil dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen” (2 Pet. 3:9). Want ook tijdens de laatste heftige fase voor Christus’ wederkomst blijft Gods aanbod van genade en oproep tot bekering uitgaan.

Die oproep tot bekering kan rechtstreeks en heel persoonlijk zijn, zoals de Heere Jezus doet in de zeven brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3. Het kan ook door middel van strafgerichten, waarmee de Heere bijvoorbeeld in Amos 4 Zijn volk tot inkeer riep. Hij gebruikte gebrek aan brood (vs. 6), onthouding van regen (vs. 7,8), zond sprinkhanen (vs. 9), pest en het zwaard (vs. 10) en keerde hen zelfs ondersteboven zoals Sodom en Gomorra. Hoewel Hij hen zelfs als een stuk brandhout aan de vlammen had ontrukt (vs. 11), lezen we na elk van deze vijf tuchtigingen: “toch hebt u zich niet tot Mij bekeerd.” En dat is deels ook waar Openbaring ons bij bepaalt: het menselijk hart dat zich ondanks Gods liefde en genadeaanbod tegen Hem blijft verzetten. God verheerlijkt Zich echter altijd: hetzij langs de weg van bekering en genade, hetzij langs de weg van Zijn rechtvaardig oordeel over degenen die Zijn genade afwijzen. Dat Zijn oordelen ook in de toekomst rechtvaardig zullen zijn, bewijzen de ‘eindtijddossiers’ die de Heere al vooraf in het boek Openbaring heeft vrijgegeven.

Gods oproep tot bekering aan de zeven gemeenten

Behalve de gemeenten te Smyrna en Filadelfia worden de zeven gemeenten opgeroepen zich te bekeren.

Efeze: “… bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik spoedig bij u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert” (2:5). Pergamus: “Bekeer u. En zo niet, dan kom Ik spoedig bij u en zal Ik tegen hen oorlog voeren met het zwaard van Mijn mond” (2:16).

Thyatira: “En Ik heb haar (de vrouw Izebel) tijd gegeven, opdat zij zich van haar hoererij zou bekeren, maar zij heeft zich niet bekeerd. Zie, Ik werp haar te bed met hen die overspel met haar plegen, in grote verdrukking, als zij zich niet bekeren van hun werken” (2:21-22).

Sardis: “… bekeer u. Als u dan niet waakzaam bent, zal Ik bij u komen als een dief en u zult beslist niet weten op welk uur Ik bij u zal komen” (3:3).

Laodicea: “… zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zult kunnen zien. … Wees dan ijverig en bekeer u” (3:16,19).

Een derde deel van de mensen gedood

Vergelijkbaar met Amos 4 zien we – zij het op veel grotere schaal – dat bij de zegelgerichten (Opb. 6) de nadruk ligt op vernietigende natuurverschijnselen. Daarentegen worden de schrikwekkende plagen in Openbaring 9 (5e en 6e bazuingericht), waarbij maar liefst een derde van de mensheid omkomt, veroorzaakt door mysterieuze wezens uit de afgrond. In de brief van Judas, die we kunnen beschouwen als een inleiding op het boek Openbaring, lezen we over ‘engelen die hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben en God voor het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien in de duisternis in verzekerde bewaring heeft gesteld’ (1:6). Mogelijk gaat het hier om vergelijkbare gevallen wezens, die door God worden losgetalen om de mensheid te confronteren met de huiveringwekkende consequenties van je ‘heil’ zoeken in het rijk der duisternis. Desalniettemin blijven zij de demonen aanbidden, evenals de afgoden van goud, zilver en steen en gaan voort met geweldplegingen, tovenarij, ontucht en diefstal (9:20-21).18  Zo toont de Heere het morele bankroet van de mensheid, alsook de feiten op basis waarvan Hij als Rechter tot steeds zwaardere strafgerichten moet overgaan.

144.000 verzegelde dienaren

Nog voordat we lezen over het merkteken van het beest op de rechterhand of het voorhoofd, waarmee velen als satans ‘trofee’ gemarkeerd zullen worden (13:16-17), doet de Heere opnieuw iets heel bijzonders. Hij verzegelt 144.000 dienaren uit alle stammen van de Israëlieten (7:4-8)19. Hun verzegeling maakt hen immuun voor zowel het terreurregime van de twee beesten (uit respectievelijk de zee en de aarde, zie hfst. 13), als de schade die door de vier engelen aan de aarde zal worden toegebracht (7:3).

Wat weten wij van deze 144.000? Allereerst zijn het dienaren van God (7:3)20. Dat werden ze niet op het moment van verzegeling, maar dat waren ze ongetwijfeld al voor die tijd. Deze Israëlitische gelovigen zullen vermoedelijk buiten Israël wonen, waar zij de Heere al te midden van de volken dienden.

De menigte door niemand te tellen

Welk dienstwerk zullen de 144.000 verrichten? Het is opvallend dat Johannes, aansluitend op hun verzegeling, een menigte mensen ziet die, in tegenstelling tot het exacte getal van 144.000, door niemand te tellen is (7:9). Zij hebben hun gewaden gewassen in het bloed van Lam (7:14). Zou er een verband kunnen zijn met het getuigenis van deze 144.000 verzegelden en deze gelovigen “uit alle naties, stammen, volken en talen”, die in de hemel zijn opgenomen en staan vóór de troon en vóór het Lam (7:9)?

Een belangrijk kenmerk van deze ontelbare gelovigen is dat zij komen uit de grote verdrukking (7:14). Niet dus uit ‘een verdrukking’, maar uit ‘de grote verdrukking’, een term die de Bijbel reserveert voor het ultieme dieptepunt van wereldwijd demonische geweld tegen het Joodse volk, met Jeruzalem als episch centrum.

Dat deze verdrukking niet tot Joden in Israël en Jeruzalem beperkt zal blijven, daarvan herkennen we nu al de voortekenen. Zo worden Joden in de diaspora, die geen enkele betrokkenheid hebben bij Israëls politiek, afgerekend op bijvoorbeeld het Israëlisch-Palestijnse conflict.

In Zijn eindtijdrede geeft de Heere Jezus overlevingsinstructies voor het deel van het gelovig overblijfsel dat zich in deze grote verdrukking in Jeruzalem en Judea bevindt (Matt. 24:21). Daniël profeteert daarbij over de rol van Israëls beschermengel Michaël: “In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, hij die uw volksgenoten bijstaat. Het zal een benauwde tijd zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest tot op die tijd. In die tijd zal uw volk ontkomen: ieder die gevonden wordt, opgeschreven in het boek” (Dan 12:1). Jeremia profeteert over de verlossing uit die ongekende verdrukking: “Wee! Want die dag is groot, er is er geen als hij. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, toch zal hij daaruit verlost worden” (Jer. 30:7).

Als Johannes dus spreekt over een grote menigte die niemand tellen kan, uit alle naties, stammen, volken en talen, moeten we volgens mij dus vooral denken aan een gelovig Joods overblijfsel. Mede door het getuigenis van hun 144.000 verzegelde volksgenoten zullen zij uit21 allerlei volken en gebieden tijdens ‘de grote verdrukking’ vóór de troon en vóór het Lam worden bijeengebracht. Gekleed met witte gewaden en palmtakken is het de plaats waar God alle tranen van hun ogen zal afwissen. Mogelijk completeren zij het getal van de geslachte zielen onder het altaar, die eveneens bekleed met witte gewaden met luide stem roepen: “Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen? … En tegen hen werd gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het aantal van hun mededienstknechten en hun broeders, die evenals zij gedood zouden worden, volledig zou zijn geworden. (6:10-11).

Het lied van de 144.000

In Openbaring 14 komen we de 144.000 opnieuw tegen met op hun voorhoofd, de plaats waar zij verzegeld waren, de naam van de Vader van het Lam (vs. 1). Vrijgekocht van de aarde zingen zij in de hemel een nieuw lied, dat alleen zij konden leren. De ‘concertzaal’, waar zij hun unieke lied voor de vier dieren en de 24 ouderlingen ten gehore zullen brengen, is op de hemelse berg Sion. Het aardse Jeruzalem, met de aardse berg Sion en de aardse tempel zijn namelijk afbeeldingen van het hemelse Jeruzalem, de hemelse berg Sion en de hemelse tempel22.

De twee getuigen

Openbaring 11 bepaalt ons opnieuw bij een bijzondere manifestatie van Gods genadeaanbod. Het betreft Zijn twee getuigen, die 1260 dagen lang in Jeruzalem zullen profeteren. Hun in rouwkleding uitgesproken profetieën zullen ernstige waarschuwingen bevatten voor de dingen die staan te gebeuren. De namen van deze twee getuigen noemt de Bijbel niet. Dat zij macht hebben de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt en macht hebben over de wateren om die in bloed te veranderen, en de aarde te treffen met allerlei plagen (11:6), doet vermoeden dat we met Mozes en Elia van doen hebben.

Zij waren het ook, die op de berg der verheerlijking aan de Heere Jezus verschenen. Van Elia weten we in ieder geval met zekerheid dat hij moet komen voordat de grote en ontzagwekkende dag van de HEERE aanbreekt (Mal. 4:5, zie ook Matt. 17:3). Dat zij ‘de twee olijfbomen’ en ‘de twee kandelaars’ (11:4) worden genoemd, verbindt hen met het vijfde visioen van Zacharia waar zij worden geïdentificeerd als de twee gezalfden, die bij de Heere van heel de aarde staan (Zach. 4:14).

1260 dagen lang zal hun optreden duren23, waarna zij door het beest uit de afgrond worden gedood (11:7). Net zoals de Egyptische tovenaars de tekenen van Mozes deels konden imiteren, zal ook dit lugubere wezen de tekenen van de twee getuigen nabootsen door zelfs vuur uit de hemel te laten neerdalen (13:13).

We zagen al dat het ombrengen van de gelovigen slechts een schijnoverwinning van satan is. De Heere staat namelijk garant voor hun opstanding uit de dood die aan de hele wereld zal worden getoond. De vreugde van hun vijanden om hun dood duurt dan ook maar drieënhalve dag. Dan brengt God een levensgeest in hen, doet hen op de voeten staan (in analogie met Ezech. 37:10), gevolgd door een luide stem uit de hemel: “Kom hier omhoog. En zij gingen omhoog naar de hemel, in de wolk, en hun vijanden keken hen na” (11:12).

Is er een krachtiger teken en oproep tot bekering dan door hun profetieën, hun opstanding uit de dood en hun zichtbare hemelvaart denkbaar?

Toch zullen velen meer geloof hechten aan de imitatietekenen van het beest uit de zee, wiens dodelijke wond als een soort pseudo-opstanding zal genezen (13:11). Ondanks dat zullen in die tijd ook zeer veel inwoners van Jeruzalem zich bekeren. Op hetzelfde uur dat de twee getuigen (zoals eens de Heere Jezus) zichtbaar ten hemel varen, zal een grote aardbeving het tiende deel van Jeruzalem doen instorten, waarbij zevenduizend bekende mensen gedood zullen worden. Letterlijk staat er zevenduizend ‘namen van mensen’. In ons taalgebruik zouden we spreken over ‘mensen van naam’.

Het gaat dus om een selectieve groep mensen, die mogelijk naam hebben verworven bij de geestelijke verloedering van de heilige stad, die dan geestelijk genoemd zal worden Sodom en Egypte (11:8). We lezen echter dat “de overigen zeer bevreesd werden, en eer gaven aan de God van de hemel” (11:13). Het gaat hier dus om een zeer groot aantal bekeerlingen. Hoeveel inwoners de stad dan zal hebben, weten we niet, maar ter indicatie: de oppervlakte van het huidige Jeruzalem is 125 km2 en de stad heeft ruim 90.000 inwoners.

Zoals we al in de introductie aangaven, blijft de Heere genadig en houdt Hij de mogelijkheid van bekering ruimschoots open.

De engel met het eeuwige Evangelie

Zagen we reeds dat een groot deel van Jeruzalems inwoners de God van de hemel de eer gaf, in Openbaring 14 lezen we over de oproep tot bekering door een engel die hoog aan de hemel vliegt. Hij verkondigt ‘het eeuwig evangelie’ aan hen die op de aarde wonen en aan elke natie, stam, taal en volk’ (vs. 6). De in Openbaring veelvoorkomende uitdrukking ‘hen die op de aarde wonen’ benadrukt soms de tegenstelling tot hen die in hemel wonen (zie o.a. 6:10; 8:13). Hier lijkt het echter om het land Israël te gaan.

Er staat namelijk “hen die op de aarde (Grieks: ge, ook te vertalen met ‘land’) wonen en aan elke natie, stam, taal en volk”. Het land onderscheidt zich dus hier van “elke natie, stam, taal en volk”.

Hoe dan ook, dit ‘eeuwig evangelie’ zou je het basis­evangelie kunnen noemen dat zich beperkt tot de oproep God te vrezen, te eren en te aanbidden (let op de stijgende lijn) “Die de hemel, de aarde, de zee en de waterbronnen gemaakt heeft” (14:7).

Het gaat hier dus in feite om de erkenning van God als Schepper van hemel en aarde. Naar hetzelfde getuigenis verwijst ook Paulus met de woorden: “Want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit Zijn werken gekend en doorzien, namelijk én Zijn eeuwige kracht én Zijn Goddelijkheid, zodat zij (nl. die dat getuigenis verwerpen) niet te verontschuldigen zijn” (Rom. 1:20).

Spreekt de apostel in dit gedeelte nog over ‘het ophopen van Gods toorn tegen de dag van Gods toorn’ (Rom. 2:5), de bewuste engel in de hemel waarschuwt dat “het uur van Zijn oordeel is gekomen” (14:7).

Ga uit

Ten slotte noemen we de luide oproep aan een deel van het Joodse volk dat zich in Babylon bevindt: “Ga uit haar weg, Mijn volk, opdat u geen deelhebt aan haar zonden, en opdat u niet van haar plagen zult ontvangen” (18:4).

De aanspreekvorm ‘Mijn volk’ maakt duidelijk dat het hier om een gelovig overblijfsel van Israël gaat dat zich dan in Babel bevindt. Een ander deel is dan vermoedelijk reeds in de woestijn, waar de Heere voor hen een veilige plaats gereedmaakt, waar zij 1260 dagen gevoed zullen worden (12:6, vgl. 1 Kon. 17-3-5).

Babel is niet alleen de grote opponent van Jeruzalem, het is ook het rijk waarmee – toen de legers van Nebukadnezar Jeruzalem verwoestten – de tijden der heidenen begonnen.

Sinds die dramatische gebeurtenis is Israël nooit meer een soevereine staat onder een door God bedoeld theocratisch bestuur geweest. Maar met de oproep aan een gelovig overblijfsel om de stad te verlaten en de daaropvolgende grootste aardbeving (16:19) is het grote keerpunt aangebroken. Want niet Babylon, maar Jeruzalem is de stad die God verkoren heeft om Zijn Naam te vestigen
(1 Kon. 9:3; 11:36). Vandaar de massale triomfkreet: “Halleluja, want de Heere, de almachtige God, is Koning geworden. Laten wij blij zijn en ons verheugen en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en Zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt” (19:6-7).

De bruiloft van het lam

Een groter contrast dan in Openbaring 19 is bijna ondenkbaar: het oordeel over Babylon, de hoer der heidense volken, ten opzichte van de bruiloft van het Lam en Zijn in smetteloos fijn linnen geklede vrouw. Het oordeel over Babylon wordt in de hemel met instemming ontvangen (19:2) en bevestigt dat de Heere het koningschap heeft aanvaard (19:6).

Daarmee komt een einde aan ‘de tijden der heidenen’ waarin Jeruzalem door de heidenen vertrapt en onderworpen was (Luk. 21:24, Opb. 11:2).

Er is vreugde want de bruiloft van het Lam is gekomen en Zijn vrouw heeft zich voor deze plechtigheid gereed gemaakt (zie ook Ps. 45:10-16).

Haar is daarvoor gegeven zich met smetteloos fijn linnen te kleden. Dat het hier beeldspraak betreft, blijkt uit de nadere verklaring: “de rechtvaardigheden van de heiligen” (19:8). Meteen daarop volgt de beschrijving van het oordeel over het beest, de valse profeet en de volken en in hoofdstuk 20 de binding van de satan in de afgrond. Wat een heerlijke tijd zal er dan onder Christus’ heerschappij vanuit Jeruzalem voor de aarde aanbreken. Dan zal ook de profetie van Hosea 2:18-19 voor Israël in vervulling gaan: “Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen: ja, Ik zal u tot Mijn bruid nemen in gerechtigheid en in recht, in goedertierenheid en in barmhartigheid. In trouw zal Ik u voor Mij als bruid nemen; en u zult de HEERE kennen”. Toch moet de satan aan het eind van die duizend jaar voor korte tijd worden losgelaten om aan te tonen dat velen zich helaas slechts veinzend aan Hem onderworpen hebben (Ps. 18:45; 66:3; 81:16).

Op de nieuwe aarde die dan volgt, zal de huwelijksverbintenis tussen het Lam en Zijn volk volmaakt zijn: “En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen van God uit de hemel, gereedgemaakt als een bruid die voor haar man sierlijk gemaakt is” (21:1-2; 9-27). Lazen we al over de 144.000 uit elke stam van Israël, hier vinden we hun twaalf namen op de poorten van de stad geschreven, alsmede de namen van de twaalf apostelen op haar twaalf fundamenten (21:12,14).

In 22:17-18 komt nog eenmaal de oproep: “En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; en laat hij die wil, het water des levens nemen, voor niets.” En dan eindigt het boek met de prachtige belofte van de Heere en de instemming van Johannes: “Hij Die van deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.”  

Voor meer verkenningen in het boek Openbaring, zie hier.

Voetnoten:
1. Zie voor ‘de Dag van de Heere’: Jes. 2:12; 13:6, 9; Ezech. 30:3; Joël 1:15; 2:11, 11, 31; 3:14; Amos 5:18; Obadja 1:15; Zef. 1:7, 14; Mal. 4:5; Hand. 2:20; 1 Thes. 5:2; 2 Thes. 2:2 (sommige handschriften geven ‘dag van Christus’, maar uit de context is ‘dag van de Heere’ - zoals de NBG weergeeft - meer voor de hand liggend); 2 Pet. 3:10.
2. Het Griekse woord voor engel (angelos) heeft primair de betekenis van boodschapper en wordt bijvoorbeeld in Jakobus 2:25 gebruikt voor de twee verspieders die door Jozua in Kanaän als boden (angelos) waren uitgezonden. Maar omdat overal elders in Openbaring met ‘angelos’ consequent engel wordt bedoeld, lijkt het aannemelijk om bij ‘de engel van de gemeente’ eveneens aan een hemels wezen te denken.
3. Zie o.a. 1 Kor. 11 en 12; Ef. 4:11-16; 5:23; Kol 2:19; 3:15.
4. Denk ook aan Matt. 16:18, waar ‘mijn gemeente’ nog staat in de context staat van Ps. 22:23. De tussenmuur, die scheiding maakte, was toen nog niet afgebroken (Ef. 2:14-16).
5. Bron: StudieBijbel Online.
6. Zie vers 20, waar we hetzelfde patroon vinden: het zien van 7 sterren en de 7 gouden kandelaren en wat ze zijn (eisin), oftewel de verklaring.
7. Bedenk ook dat vanaf de Pinksterdag “Parthen, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea, Cappadocië, Pontus en Asia, Frygië, Pamfylië, Egypte, en de streken van Libië” ongetwijfeld de Evangelieboodschap van Petrus naar hun woongebieden hebben meegenomen (Hand. 2:9,10).
8. Dat binnengaan van het koninkrijk moest dus nog plaatsvinden, eenvoudig omdat het koninkrijk nog niet was aangebroken en – bij wat we nu weten – is uitgesteld.
9. Aldus Flavius Josephus.
10. Verg. Opb.1:10b, 13; Job 37:2
11. Hoewel die indruk in 5:9,10 wel wordt gewekt, kan het ‘gekocht zijn’ geen betrekking hebben op de vier dieren die het lied meezingen. De meeste Griekse handschriften geven dan ook in vs. 9: “…U bent geslacht en hebt gekocht..” (‘ons’ ontbreekt) en in vs. 10: “U hebt hen (i.p.v. ‘ons’) tot koningen en priesters gemaakt” (verg. 1:6; 20:6).
12. In vers 27 staat letterlijk ‘twee twee’; dat maakt dus vier. Zie ook voetnoot HSV. Dat brengt het totaal op 24.
13. Zie o.a. ook Ps. 55:24; 64:8; 75:9; 94:23; Jes. 11:4.
14. Letterlijk: ‘zonen van Israël’.
15. Vanaf hier beginnen ook de drie weeën, die aanduiding zijn van intensiteit en parallel lopen met de 5e, 6e en 7e bazuin (8:13; 9:12; 11:14). De 1e wee i.c.m. de 5e bazuin; de 2e i.c.m. de 6e bazuin en de 3e i.c.m. de 7e bazuin.
16. De allerlaatste strijd vinden we aan het eind van het duizendjarig rijk (20:7-10).
17. Let op het verschil met de gevolgen van de aardbeving die Jeruzalem (dan geestelijk genaamd ‘Sodom en Egypte’) zal treffen: “En de overigen werden zeer bevreesd, en gaven eer aan de God van de hemel” (11:8, 13).
18. Zie in dit verband ook Jes. 28:15 waar de leiders van Jeruzalem een verbond met de dood sluiten, de leugen tot een toevluchtsoord maken en zich verbergen in bedrog.
19.Voor meer informatie over de genoemde stammen zie www.israelendebijbel.nl/openbaring
20. Grieks: ‘doulos,’ in die tijd aanduiding voor een lijfeigene.
21. Vertaling van het Griekse ‘ek’ dat b.v. gebruikt in de tekst: “Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen” (Matt. 2:15).
22. Naar deze hemelse tempel wordt veelvuldig verwezen, zowel als plaats van aanbidding als van oordeel (3:12; 7:15; 11:19; 14:15,17; 15:5,6,8; 16:1,17). In het nieuwe Jeruzalem zal ‘de almachtige God en het Lam haar tempel zijn’ (21:22). Zie ook Hebr. 12:22-24.
23. Zie voor de betekenis van deze periode, de studie over de jaarweken op
www.israelendebijbel.nl/70jaarweken

Sluiten