Israël en de gemeente
Voor een goed Bijbels inzicht is het belangrijk om na te gaan welke plaats zowel Israël als de Gemeente in Gods heilsplan innemen. In de studie 'Israël, je kunt er niet omheen' wezen we al even op het onderscheid dat Paulus maakte tussen de verschillende groepen van mensen met zijn opmerking: "Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot" (1 Kor. 10:32).
Een onderscheid dat echter onder gelovigen in de Gemeente van Christus vervalt. Luister maar wat de apostel in dit verband zegt:
"Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus; want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt" (1 Kor. 12:12-13).
De Gemeente is dus niet een menselijk instituut, maar een Lichaam, een levend organisme van Joodse en niet-Joodse gelovigen wiens identiteit in diepste zin niemand anders dan Christus Zelf is. Zie maar hoe Paulus na zijn bekering geleidelijk afstand neemt van veel religieuze inzettingen omdat hij in Christus Zijn volkomen bestemming gevonden heeft. Over die genoegzaamheid van Christus schrijft hij: "Want in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk; en gij hebt de volheid verkregen in Hem..." (Col. 2:9,10). Ten aanzien van het, binnen het jodendom zeer belangrijke besnijdenis ritueel, verklaart hij: "Want niet híj is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dát is besnijdenis, wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt, maar híj is een Jood, die het in het verborgen is, en de (ware) besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter" (Rom. 2:28,29). Terugblikkend op zijn orthodox religieuze verleden getuigt hij:
"Indien een ander meent op vlees te kunnen vertrouwen, ik nog meer: besneden ten achtsten dage, uit het volk Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk. Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus' wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat" (Fil. 3:5-8).
De middelmuur weggebroken
Als gelovigen uit de heidenen kunnen we ons moeilijk voorstellen wat een enorme verandering van denken deze waarheden voor religieuze Joden als Petrus en Paulus hebben betekend. Een Gemeente bestaande uit Joden en heidenen was voorheen ondenkbaar. Omgang met heidenen was voor Joden eenvoudig ‘not done'. Denk aan de reactie van de Samaritaanse vrouw op Jezus' verzoek om water:
"Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen? Want Joden gaan niet om met Samaritanen" (Joh. 4:9).
Een vergelijkbare reactie vinden we bij Petrus als deze door de Here naar de heidense Cornelius wordt gestuurd. Daar aangekomen zegt Petrus: "Gij weet, hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood..". En dan volgt zijn verklaring, waarom hij toch ging: "doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen" (Hand. 10:28).
Heidenen waren als onbesnedenen voor Joden onder de wet onrein, maar nu er een nieuwe fase in Gods heilsplan is aangebroken, is alles anders geworden. De wet die voorheen als tussenmuur scheiding maakte en zelfs vijandschap tussen Jood en heiden veroorzaakte, is door de dood en opstanding van Christus weggebroken. Paulus schrijft:
"Want Hij (Christus) is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen en de twee, tot één lichaam verbonden weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft" (Ef. 2:14-16).
Tot drie keer toe duidt de apostel Jood en heiden aan als ‘de twee' die echter door Christus één zijn gemaakt, tot één nieuwe mens zijn geschapen en tot één lichaam verbonden zijn en in één Geest toegang tot de Vader hebben (vers 18).
Het bewijsstuk uitgewist
In zijn brief aan de Kolossenzen beschrijft Paulus dit heilsfeit opnieuw, maar dan vooral als een Goddelijk wapenfeit, waarmee satan en zijn trawanten overwonnen zijn.
"Ook u (gelovigen uit de heidenen) heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze (Joden) overtredingen kwijtschold, door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons (Joden) getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen: Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd" (Col. 2:13-15).
Zie je hoe de Here Jezus Zijn vijanden en de vijanden van Zijn volk (de overheden en machten), met Zijn kruisdood een juridische genadeslag heeft toegebracht? De wet, het gerechtelijke bewijsstuk dat tegen Israël getuigde en bedreigde, heeft Hij uitgewist en weggedaan. De wet, die niet alleen scheiding en vijandschap veroorzaakte tussen Joden en heidenen, maar Israël ook voortdurend in staat van beschuldiging stelde en als zodanig een effectief wapen in de hand van de tegenstander was, is door Christus' kruisdood buiten werking gesteld. Satan, ‘de aanklager der broederen' (Opb. 12:10), kon met de wet in de hand het volk aanklagen, zoals hij ook deed bij de hogepriester (Zach. 3:1). Maar dat bewijsstuk heeft God aan het kruis genageld en zo de overheden en machten hun dodelijke wapen uit handen genomen.
De wet stelde Israël voortdurend Gods heilige eis en sancties voor ogen (Deut. 31:24-27).
De wet getuigde tegen Israël, totdat Christus de wet volbracht (Rom. 10:4). Paulus, die zelf zo met die wet had geworsteld (zie Rom. 7:21-24), kon nu aan de Galaten, die ook worstelden met de wet, zijn bevrijdingsgetuigenis geven:
"Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven. Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof van de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven. Ik ontneem aan de genade Gods haar kracht niet; want indien er gerechtigheid door de wet is, dan is Christus tevergeefs gestorven" (Gal. 2:19-21)1.
Heilshistorische ontwikkeling
Voor een goed begrip van Gods Woord is het heel belangrijk dat we de verschillende heilsfeiten in hun historische samenhang leren zien. Hoewel we weten dat "Gode al Zijn werken van eeuwigheid bekend zijn" (Hand. 15:18 S.V.), ontwikkelen die werken zich in een bepaalde tijdslijn.
Denk bijvoorbeeld aan de veel voorkomende uitdrukking in het Oude Testament ‘te dien dage', waarna een profetische beschrijving volgt van gebeurtenissen die pas in een verre toekomst hun beslag zullen krijgen. Gebeurtenissen die veelal zullen plaatsvinden in ‘de dag des HEREN', de periode waarin God rechtsreeks in het wereldgebeuren zal ingrijpen.
Zo zien we ook dat de ontwikkeling van de Gemeente, waarin gelovige Joden en heidenen tot één nieuwe mens zijn geschapen, door Paulus vanuit een bepaalde tijdsontwikkeling wordt beschreven.
We lezen Efeziërs 2:11-13:
"Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus."
Er was dus een ‘vroeger' en een ‘te dien tijde' dat heidenen als onbesnedenen (besnijdenis was het verbondsteken tussen God en Israël), geen aanspraak konden maken op de zegeningen van dat verbond. Heidenen waren te dien tijde zonder hoop en zonder God in deze wereld. Het was de tijd waarin Israël onder de wet in verzekerde bewaring werd gehouden (zie Gal. 3:23) en als het ware ‘ommuurd' door de wet, voor heidenen ontoegankelijk was. Maar thans zijn de heidenen nabij gekomen, door het bloed van Christus.
Een geheimenis geopenbaard
Bedenk echter dat deze wending in Gods heilsplan, namelijk dat Joden en heidenen in één Lichaam tot één nieuwe mens geschapen werden, niet alleen onder de wet onmogelijk was, maar ook tot die tijd door God verborgen was gehouden! Lees maar wat Paulus hierover schrijft:
"het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten".
En dan verklaart hij het geheimenis met de woorden:
"dit geheimenis, dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie.." (Ef. 3:5-7)
Let opnieuw op het tijdselement dat de apostel hier inbrengt: "dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen..". We moeten de onthulling van dit geheimenis dus ook niet willen zoeken voor de aanvang van Paulus' bediening. Lees maar wat hij schrijft in de verzen 8 en 9:
"Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen wat de bediening van het geheimenis inhoudt, dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen" (zie ook Col. 1:26).
Met als gevolg dat thans (!) door middel van de Gemeente de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden gemaakt aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten (vs. 10).
Als we dit geopenbaarde geheimenis van de Gemeente goed verstaan, zullen ook veel Bijbelse waarheden met betrekking tot Israël automatisch op hun plaats vallen. We gaan dan Gods plan met Israël en de Gemeente in ontwikkelingsfasen verstaan. Als we Israël en de Gemeente goed in de Bijbel van elkaar kunnen onderscheiden, zal ons dat ook bewaren voor de zogenaamde vervangingstheologie (zie ‘de giftige wortels van het antisemitisme')
Laten we nu eens kijken hoe Israël en de Gemeente van elkaar in de Bijbel zijn te onderscheiden:Israël: Gemeente:
| Israël: | Gemeente |
| 1. Aards volk (Gen. 12) | Hemels volk (Fil. 3:20) |
| 2. Begint bij Abraham | Begint na de val van Israël (Rom. 11:11) |
| 3. Etnisch nageslacht van Abraham, Izak, Jacob | Joden en heidenen |
| 4. Christus als Koning | Christus als Hoofd |
| 5. Geopenbaard in het O.T | Een geheimenis in het O.T. (Ef. 3:5) |
| 6. Bruid van Christus (Jer. 31, Hos. 2:18) | Lichaam van Christus (1 Cor. 12:13) |
| 7. Aardse toekomst (Micha 4:1-4) | Hemelse toekomst (Fil. 3:20) |
Maar er zijn ook overeenkomsten, waarvan we er slechts enkele noemen:
Beide zijn een schepping Gods
Israël: "Maar nu, zo zegt de HERE, uw Schepper, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël: Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn" (Jes. 43:1).
Gemeente: de twee tot één nieuwe mens geschapen (Ef. 2:15)
Beide geroepen om getuigen zijn:
Israël: "Dan zullen alle volken der aarde zien, dat de naam des HEREN over u uitgeroepen is, en zij zullen voor u vrezen" (Deut. 28:10).
Gemeente: "Opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden" (Ef. 3:10),
Beide geroepen tot dienst aan en verheerlijking van God.
Israël: "Gij zijt, luidt het woord des HEREN, mijn getuigen, en mijn knecht, die Ik verkoren heb, opdat gij het weet en in Mij gelooft en inziet, dat Ik dezelfde ben; vóór Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn" (Jes. 43:10).
"Het volk dat Ik Mij geformeerd heb, zal mijn lof verkondigen" (Jes. 43:21).
Gemeente: "Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst" (Rom. 12:1).