Israël, je kunt er niet omheen
Als je de Bijbel onbevooroordeeld leest, blijkt dat zeker 75 procent over Israël gaat. Daarbij komt dat een heel groot deel van de Bijbel profetische vergezichten over het wereldgebeuren bevat, waarin Israël een cruciale rol zal spelen. Is onze positie als christenen binnen Gods plan dan minder belangrijk?
Nee, zeker niet. Luister maar wat Paulus over de Gemeente zegt: "Hij heeft alles onder Zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de Gemeente, die Zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt" (Ef. 1:22,23). God heeft dus ook met de Gemeente een plan. Zowel voor nu, om aan de overheden en machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend te maken (Ef. 3:10), alsook in de toekomst om de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen (Ef. 2:7). Maar de positie en roeping als leden van Zijn Lichaam, de Gemeente, zullen we pas goed kunnen verstaan, als we ook een Bijbels zicht krijgen op de positie en roeping die God aan Israël heeft toevertrouwd.
Drie categorieën mensen
In de studie ‘Israël en de Gemeente' zullen we nader ingaan op de relatie tussen Israël en de Gemeente, maar het is nu alvast goed om er even bij stil te staan dat God de mensheid in drie categorieën indeelt, te weten: Joden, heidenen en de Gemeente.
Zo geeft Paulus het advies: "Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de Gemeente Gods aanstoot" (1 Kor. 10:32). Als je dit onderscheid tussen Joden, Grieken (aanduiding voor heidenen) en de Gemeente Gods in gedachten houdt bij het bestuderen van de Bijbel, zul je merken dat de hele Bijbel wel voor ons is, maar niet de hele Bijbel over ons gaat. Denk bijvoorbeeld aan een tekst als Jesaja 41:10: "vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand". Hier spreekt de HEERE tot Zijn volk Israël. We lezen namelijk in de voorgaande verzen: "Maar gij, Israël, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht, Ik heb u verkoren en u niet versmaad."
Mag je zo'n tekst dan niet op jezelf toepassen? Ja natuurlijk, als je tegelijk maar goed in de gaten houdt dat deze woorden in de eerste plaats zijn geadresseerd aan Israël.
En nu we het toch over ‘adressering' hebben. Eigenlijk is de Bijbel een boek vol Goddelijke brieven, waarvan de Afzender altijd Dezelfde is, maar waarvan de adressen verschillend kunnen zijn, te weten: Joden, heidenen en de Gemeente Gods.
Ego- of Christocentrisch
Een misschien nog belangrijker advies voor bijbellezen is om niet egocentrisch, maar christocentrisch te lezen. Dus niet altijd in de eerste plaats de vraag stellen: "Wat kan ik er voor mezelf uithalen?", maar: "Wat leer ik in dit gedeelte over de Heere Jezus Christus". Want uiteindelijk is niet Israël of de Gemeente, maar Christus het grote Onderwerp van de Bijbel. Filippus benoemt het zo mooi als hij tegen Natanaël zegt: "Wij hebben Hem gevonden van Wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten, Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret" (Joh. 1:46). Mozes en de profeten, allemaal schreven ze over Hem, maar wel steeds in relatie tot het volk waaruit Hij is voortgekomen: Israël.
De Gemeente was in die tijd namelijk nog een "geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest" en "ten tijde van vroegere geslachten niet is bekend geworden aan de kinderen der mensen" (Col. 1:26; Ef. 3:1-12).
Een duidelijk voorbeeld van Christus' exclusieve komst voor Israël vinden we in Zijn geboorteaankondiging door de engel Gabriël aan Maria: "En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en Zijn koningschap zal geen einde nemen" (Luk. 1:32-33). We zullen dit onderwerp verder behandelen in ‘de Messiaanse belofte en hun vervulling', maar het is goed om hier alvast te wijzen op een van de belangrijkste redenen van Christus' komst naar deze wereld, namelijk om "de beloften aan de vaderen (van Israël) gedaan te bevestigen" (Rom. 15:8).
Waarom Israël?
En dan komt al gauw de vraag om de hoek kijken: "Waarom Israël?" Heeft God Israël uitverkoren omdat het zo'n groot volk is? Nee hoor. De HERE zegt: "Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken" (Deut. 7:7). Heeft God Israël dan misschien uitverkoren omdat het zo'n gehoorzaam volk is? Ook dat niet. Nog voordat zij het beloofde land intrekken zegt Mozes: "Weet dus dat de HERE, uw God, u dit goede land niet in bezit geeft wegens uw gerechtigheid; gij zijt immers een hardnekkig volk" (Deut. 9:6). Veertig jaar lang heeft de Here tijdens de woestijnreis hun eigenaardigheden verdragen (Hand. 13:18). En toch zegt Mozes: "ú heeft de HERE, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn" (Deut.7:6). In de Staten Vertaling lezen we: "u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken." Het woord ‘eigendom' is de vertaling van het Hebreeuwse woord ‘segoela', dat ook vertaald kan worden met ‘kleinood' oftewel iets heel kostbaars. Israël is dus voor God een kostbaar bezit. Dat blijkt ook uit het feit dat de Here hen tot twee keer toe ‘Zijn oogappel' noemt. En dat maakt het eigenlijk nog persoonlijker. Het volk is een deel van Hemzelf. "Want", zo luidt de waarschuwing in Zacharia 2:8, "wie u aanraakt, raakt Zijn oogappel aan". Israël is dus voor God zowel een kostbaar kleinood als een kwetsbaar bezit, dat beschermd moet worden. En als het toch (aan)geraakt wordt, voelt de Here Zelf de pijn, want hun verdriet is Zijn verdriet en hun pijn is Zijn pijn. Vandaar dat we lezen in Jesaja 63:9: "In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd". Wie het volk van Israël aanraakt, raakt dus de God van Israël aan.
Gods liefde voor Israël
Op de vraag waarom God Israël heeft uitverkoren om Zijn volk te zijn, antwoordt Mozes: "omdat de HERE u liefhad en de eed hield, die Hij uw vaderen gezworen had" (Deut. 7:8). God geeft geen verklaring voor Zijn liefde, want God is liefde en "bewijst Zijn liefde doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is" (1 Joh. 4:8; Rom. 5:8).
Zo zijn er eigenlijk twee belangrijke verbindingen tussen God en Israël: Zijn liefde en de eed die Hij aan hun vaderen gezworen heeft. Maar "als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen?" vraagt Paulus, anticiperend op de twijfel die sommigen over de toekomst van Israël hebben. Het antwoord is: "volstrekt niet" (Rom. 3:3). Stel je voor dat God Zijn beloften aan Israël, om reden van hun ongehoorzaamheid, niet zou kunnen waarmaken, wat zou dan de basis voor onze zekerheid voor vergeving van zonden en eeuwig leven zijn? Maar omdat God trouw is aan Israël, mogen ook wij zeker weten dat Hij trouw is jegens ons, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet (2 Tim. 2:13).
Wat hebben we aan Israël te danken?
Heb je je tenslotte wel eens gerealiseerd, wat we als gelovigen allemaal aan de God van Israël en het volk van Israël te danken hebben?
We hebben via hen de Bijbel ontvangen, of zoals Paulus in Romeinen 3:2 schrijft: "hunner zijn de woorden Gods toevertrouwd". Let vooral op het woord ‘toevertrouwd'. Joodse profeten, apostelen en evangelisten hebben de woorden van de Bijbel onder inspiratie van de Heilige Geest opgeschreven (2 Tim. 3:16; 2 Pet. 1:21). Maar daar is het niet bij gebleven. Joden hebben die woorden ook generatie op generatie nauwkeurig overgeleverd (zie artikel David Ginsburg). Is het niet wonderlijk dat ondanks het feit dat het volk zo vaak de Here God ongehoorzaam is geweest, zij toch altijd met grote accuratesse voor de overlevering van de Bijbel hebben zorggedragen?
Philo van Alexandrië, een tijdgenoot van de apostelen, heeft eens gezegd: "De Joden zouden liever tienduizend maal sterven, dan dat ze zouden toelaten dat een enkel woord van hun Geschriften veranderd zou worden". De Bijbel, het Woord van God, waardoor we iedere dag Gods stem mogen beluisteren, hebben we dus aan het Joodse volk te danken!
Maar ook Christus, het levende en vleesgeworden Woord, is uit hen voortgekomen. Paulus zegt in Romeinen 9:5: "hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen". De Here was en is een Jood en was ook als zodanig tijdens Zijn aardse dienst herkenbaar. Denk maar aan wat de Samaritaanse vrouw tegen Hem zei: "Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen?" (Joh. 4:9)
Wat de geschiedenis van Israël betreft zegt Paulus in 1 Korinthiërs 10:11: "Dit is hun overkomen tot een voorbeeld voor ons en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is." De geschiedenis van Israël staat dus niet op zichzelf, maar heeft een belangrijke voorbeeldfunctie voor ons dagelijks christenleven.
Maar misschien nog belangrijker voor ons is wat Paulus over hun meer recente geschiedenis zegt, namelijk dat "door hun val het heil tot de heidenen is gekomen, om hen tot naijver op te wekken" (Rom. 11:11). Er is dus een wonderlijk verband tussen hun val, oftewel hun verwerping van het Evangelie en ons behoud. De Here Jezus had de discipelen vlak voor Zijn hemelvaart opgedragen om Zijn getuigen te zijn in Jeruzalem, geheel Judea en Samaria, tot het uiterste der aarde (Hand. 1:11). Maar hetzelfde boek Handelingen, waarin deze opdracht staat opgetekend, vermeldt dat Israël als volk het Evangelie categorisch afwees tot zelfs in Rome, het toenmalige uiterste der aarde. En daar zegt Paulus tot de Joodse leiders: "Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!" Sindsdien hebben gelovigen uit de heidenen een grote verantwoordelijkheid om hen door hun houding tot naijver of jaloersheid te verwekken, maar ook om hen met het Evangelie van Jezus Christus bekend te maken, dat nog altijd "een kracht Gods is tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek" (Rom. 1:16).
Achter die opdracht ligt opnieuw een profetische dimensie: "Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden?" (Rom. 11:15).
Wat een prachtig plan heeft God met Israël. Jij en ik mogen er aan meewerken om hen bekend te maken met hun eigen Messias met het geweldige vooruitzicht, dat eens hun aanneming tot zegen van de hele wereld zal zijn. Precies zoals Jesaja ruim 2700 jaar geleden heeft geprofeteerd:
"En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem" (Jes. 2:2-3).
Met als uiteindelijk doel dat "de aarde vol zal zijn van kennis des HEREN, zoals de wateren de bodem der zee bedekken" (Jes. 11:9).
Nee, Israël... je kunt er niet omheen, nu niet, straks niet en ‘nooit niet'!