1 Koningen 13 Een merkwaardige geschiedenis

Oud Testament Tekst, Bastin Romijn

Er worden in de Bijbel geschiedenissen beschreven die in eerste instantie meer verbazing opwekken dan dat ze ons verder lijken te helpen. 1 Koningen 13 is hiervan een voorbeeld. Soms moeten we ons neerleggen bij het onbegrijpelijke, maar vaak geeft bestudering van Gods Woord ons verder inzicht. Zo ook in dit geval. Dit hoofdstuk vertelt ons niet alleen over een dieptepunt in Israëls geschiedenis, maar ook over de toekomst als de HEERE Zijn volk zal herstellen en orde op zaken zal stellen. Maar deze geschiedenis houdt ons ook een spiegel voor. Mogen we trouwens anders verwachten, aangezien Bijbelse geschiedenis nooit alleen een verslag van het verleden is?

De tijd van Salomo's regering

Deze geschiedenis sluit aan op de beschrijving van een grote omwenteling in Israëls geschiedenis, die we beschreven vinden in 1 Koningen 10 t/m 12. Onder leiding van koning Salomo beleeft het volk een gouden tijd. Er is vrede en voorspoed in het land. Het bezoek van de koningin van Sjeba (1 Kon. 10:1-13) laat zien hoe ver het gerucht van dit alles tot in de toenmalige wereld was doorgedrongen. Niet voor niets benoemt Gods Woord deze koning en situatie als type (Matt. 12:42) van het Messiaanse rijk (Jes. 2:2-3; 11:10). Salomo’s leven wordt echter in toenemende mate gedomineerd door zijn vele vrouwen en hij vervalt daardoor ook in afgoderij. Hij doet hiermee wat kwaad is in de ogen van de HEERE (1 Kon. 11:4-6). Daarop vertelt de HEERE hem dat daarom na zijn dood een deel van het koninkrijk zal worden afgescheurd en zal worden gegeven aan een van zijn knechten (11:9-13).

Jerobeams roeping

Jerobeam, een knecht van Salomo met de positie van opzichter, wordt door de HEERE aangewezen als de nieuwe koning van het tienstammenrijk. De profeet Ahia vertelt hem dat, als hij gehoorzaam zal zijn aan Gods wet1, het koningschap erfelijk zal zijn in zijn familie; zelfs een periode lang ten koste van het huis van David (1 Kon. 11:39). Als Salomo gestorven is en zijn zoon Rehabeam het volk irriteert met zijn aankondiging van nog hogere lasten, wordt de splitsing een feit. Tien stammen van Israël volgen de nieuwe koning Jerobeam2 en hij regeert tweeëntwintig jaar over het tienstammenrijk ofwel het noordrijk (1 Kon. 14:20).

Geen herstel, maar voortgaande afgoderij

Het aantreden van Jerobeam wekt de verwachting dat er een nieuwe wind gaat waaien, ten gunste van de HEERE. Niets is echter minder waar. Naast de ingrijpende nationale politieke splitsing ontstaat er ook een godsdienstige scheuring. In 1 Koningen 12:26 lezen we dat Jerobeam zich vooral zorgen maakt over hoe hij de volledige controle kan houden over zijn onderdanen. Hij voorziet problemen, omdat de tempel, het centrum van Israëls eredienst, net buiten de grens van zijn grondgebied staat. Jerobeam creëert daarop zelf twee heiligdommen: in Dan en Bethel, aan de noord- en zuidgrens van zijn rijk. In elk heiligdom plaatst hij een gouden kalf3  en hij zegt tegen het volk: “Zie, uw goden, die u uit Egypte hebben doen optrekken” (12:28). Treffend is de overeenkomst tussen wat Jerobeam hier meemaakt en doet (1 Kon. 11:40) en wat het volk eeuwen geleden meemaakte tijdens de woestijnreis vanuit Egypte. Jerobeam denkt met iets nieuws te komen, maar valt - samen met het volk - terug in oud gedrag (Exod. 32:4). Jerobeam stelt ook priesters aan voor de heiligdommen en hij offert ook zelf. Hiermee gaat hij in tegen Gods ordening dat het dienen in het heiligdom als priester of Leviet alleen is voorbehouden aan mannen uit het geslacht van Aäron en uit de stam van Levi (Num. 3:3, 6-10). Jerobeams afgoderij wordt toonaangevend en spreekwoordelijk. Alleen Achab overtreft hem later (1 Kon. 16:31-33). Ruim twintig keer vinden we in Gods Woord de uitdrukking: “Jerobeam, de zoon van Nebat die Israël deed zondigen”. Het volk volgt Jerobeam in zijn afgoderij. Ze vervallen hiermee in een oude fout, waarvan de consequenties bekend zijn. Het gedrag van het volk hoeft ons niet te verwonderen, als we ons realiseren dat hun hart al weg was van de HEERE. We zien de aanloop naar deze situatie al ontstaan in de tijd die beschreven staat in de boeken Richteren en Samuël.

Jerobeams moderne strategie

De grove zonden waarin Jerobeam valt en waarin hij het volk meesleept, staan dichterbij onze realiteit dan we misschien denken. Afgoderij, ofwel de Heere niet erkennen in de positie die Hem toekomt, wordt in Gods Woord benoemd als het universele kenmerk van de zonde van het schepsel tegenover zijn Schepper (Rom. 1:21). Alleen door genade worden wij weer mensen die in een rechte verhouding staan ten opzichte van de Heere (Ef. 2:1-10). Jerobeam gebruikt godsdienst om het volk aan zich te binden. Dit zien we ook in deze tijd gebeuren. Het creëren van wereldvrede is niet meer alleen een politieke en militaire aangelegenheid, maar ook religie (het creëren van één wereldreligie) wordt als bindmiddel ingezet. Veel grote religieuze leiders spreken zich positief uit ten opzichte van de Nieuwe Wereld Orde, waarin we letterlijk bewegingen met elkaar zien samensmelten. Jerobeam verzint iets wat de aandacht van Jeruzalem en de dienst aan de HEERE afleidt. Ook de wereldreligies worden hierdoor gekenmerkt. Uitspraken vanuit het Vaticaan en uit de hoek van de Wereldraad van Kerken illustreren dit.

Overzicht en structuur

Hieronder vindt u een overzicht van de geschiedenis van Jerobeam naar aanleiding van de beschrijving in 1 Koningen 11 t/m 14, met een toespitsing op 1 Koningen 13.4  Ook in 2 Kronieken 10 en 11 vinden we informatie over Jerobeam.

Loofhuttenfeest

De beschrijving van de geschiedenis die in 1 Koningen 13 centraal staat, begint bij een offerplechtigheid op het altaar in Bethel. De aanloop naar dit gebeuren begint al in de laatste verzen van hoofdstuk 12, namelijk in 12:32-33. Daar wordt gezegd dat het gaat om een door Jerobeam ingesteld feest, met een offerplechtigheid op de vijftiende dag van de achtste maand. Het moet hier wel gaan om Jerobeams versie van het Loofhuttenfeest (Soekot). Dit is het laatste van de grote feesten, waarop aan de HEERE de vruchten van de late oogst werden aangeboden en waarop dagelijks vuuroffers werden geofferd (Lev. 23:33-36). Het Loofhuttenfeest viel normaliter halverwege de zevende maand (15-22 tisri), maar vanwege de latere oogst in het noordrijk kon het daar iets later ook nog gevierd worden.

Reukoffer

In vers 1 lezen we dat Jerobeam een reukoffer offert. Het reukoffer onderstreept de ontmoeting met de HEERE en is verbonden met aanbidding en gebed (Exod. 30, 37; Ps. 141:2). Wellicht werden ook traditiegetrouw de Hallelpsalmen gezongen (Psalm 113 t/m 118). “Niet ons HEERE, niet ons, maar geef Uw Naam eer, om Uw goedertierenheid, om Uw trouw” (Ps. 115:1). Een prachtige kopie van de eredienst in Jeruzalem, maar helaas zonder dat de HEERE hierin een plaats heeft. Het zal niet de laatste keer zijn dat dit gebeurt. Ook Jesaja verwijt het volk later lippendienst (Jes. 29:13).

Bethel

Bethel, de plaats van handeling, ligt op de grens van het noord- en zuidrijk; op de grens van het stamgebied van Benjamin (behorend bij Juda) en Efraïm (de hoofdstam van het tienstammenrijk). Bethel – ‘huis van God’ – is een plaats met een rijke geschiedenis. Hier vlakbij was de eerste woonplaats van Abram (Gen. 12:8). Bethel is verbonden met de toekomst en de zegen van Abrahams nageslacht. Hier ontmoette de HEERE Jakob in een droom, toen hij op de vlucht was voor Ezau (Gen. 28). En later nog eens. In Bethel toont de HEERE Zijn trouw en stelt Hij de toekomst van Jakobs nageslacht veilig (Gen. 28:13-14; 35:11-12). Bethel maakte ook deel uit van de offerroute van Samuël (1 Sam. 7:16) en is daardoor verbonden met de dienst van verzoening en het wetsonderwijs.

De man van God

Midden in deze religieuze poppenkast verschijnt er een man Gods op het toneel. Hij is afkomstig uit Juda. Blijkbaar waren er op dat moment in het noordrijk nauwelijks bruikbare dienstknechten voorhanden om deze taak voor de HEERE uit te voeren. In 2 Kronieken 11 lezen we dat Levieten (en waarschijnlijk ook andere dienaren van de HEERE) door Jerobeam uit hun functie waren gezet en waren vertrokken naar het gebied van Juda (2 Kron. 11:14-17). Dat de man van God uit Juda moet komen, benadrukt de belabberde geestelijke toestand in het noordrijk. Net boven Bethel lag Silo en daar woonde de profeet Ahia. Hij was door de HEERE ingeschakeld bij de roeping van Jerobeam (1 Kon. 11:29). We komen hem ook tegen in 1 Koningen 14 als hij het oordeel aanzegt over het huis van Jerobeam. We mogen ervan uitgaan dat ook hij een getrouwe dienstknecht was. Mogelijk heeft de HEERE hem niet meer willen inschakelen voor deze reis vanwege zijn ouderdom (1 Kon. 14:4). Echter, het zou ook kunnen dat de HEERE met een boodschapper uit Juda wil benadrukken dat Jeruzalem de plek is waar Hij woont en de basis is voor Zijn openbaring. Ondanks de ontstane splitsing schemert, door het zenden van een dienstknecht vanuit Juda, ook de feitelijke eenheid van het volk nog door. We weten niet de naam van deze man, maar wel dat hij een man van God is. Als we alle ‘mannen van God’ uit de Bijbel vergelijken, blijkt dat ‘man van God’ ons bepaalt bij een man die de HEERE van harte dient en die het Woord van de HEERE doorgeeft. Soms is dit gekoppeld aan het ambt van profeet (Mozes, Elia, Elisa). In vers 18 lezen we dat de oude profeet uit Bethel de man van God ook ‘profeet’ noemt. Zijn optreden vertoont in ieder geval overeenkomst met dat van de profeten van de HEERE. Hij spreekt namens God: ”Zo zegt de HEERE”.5 Ook geeft hij een teken.

Een boodschap voor het altaar

In vers 2 lezen we dat de man van God zicht richt tot het altaar. Het zou meer voor de hand liggen dat hij zijn boodschap zou richten tot de koning, die verantwoordelijk is voor de verworden situatie. Die persoonlijke boodschap voor Jerobeam komt er zeker wel, maar pas na deze geschiedenis. Waarom de man van God dit doet, vertelt het vervolg van vers 2. Op dit altaar zullen de afgodenpriesters geofferd worden en mensenbeenderen, naar we aannemen ook van de priesters die verbonden zijn aan deze afgodendienst. We weten uit het vervolg van de geschiedenis dat dit ruim driehonderd jaar later gebeurd is, onder leiding van koning Josia (2 Kon. 22-23). Niet de aanwezigen, maar het altaar zal gaan meemaken dat de HEERE te midden van Zijn volk de dingen gaat recht zetten. De boodschap heeft dus een enorme reikwijdte.

Koning Josia

De enige (nieuwe) naam die we in dit gedeelte tegenkomen is Josia. Dit accent is van grote betekenis. Waarom wordt, van alle negenendertig koningen na Salomo, Josia genoemd? Allereerst kunnen we stellen dat Jerobeam en Josia elkaars tegenpolen waren. Jerobeam I was de eerste koning in Israël die het volk openlijk voorging in de zonde. Josia was de laatste koning van Juda die de HEERE van harte diende (2 Kon. 23:25), de laatste koning die een reformatie op gang bracht, voordat ook de ballingschap voor het tweestammenrijk aanbrak. Jerobeam bond het volk aan zichzelf, maar Josia bracht het terug bij de HEERE. Hij ging hierin zelfs verder dan de andere koningen van Juda die wel de HEERE dienden, maar die niet de hoogten afbraken. Hizkia is hierop de uitzondering. Hij brak wel de hoogten af (2 Kon. 18:3-7) en was een voorbeeld in vertrouwen op de HEERE (2 Kon. 18:3-7). Josia was een voorbeeld in bekering (2 Kon. 23:25). Jerobeam vierde het laatste van de grote feesten, maar vergat de essentie van het eerste feest, Pesach, waarin het draait om de verlossing uit Egypte en het apart gezet worden voor de HEERE. Josia vierde in aansluiting op ‘zijn’ reformatie het eerste feest (2 Kon. 23:21-22), waarin hij tot uitdrukking bracht dat het volk de HEERE toekomt. Josia effende zo als het ware de weg voor het laatste feest, wat vanwege de vreugde om het binnenhalen van de gehele oogst een profetische verwijzing is naar het herstelde Israël. Het is dus bijzonder dat Josia in deze profetie bij naam wordt genoemd. Dat gebeurt in de Bijbel alleen bij koning Kores (2 Kron. 36:22-23; Jes. 45) en bij de Messias (Jes. 7:14). Het getuigenis met betrekking tot Josia is een typologische verwijzing naar het koningschap van de Messias en het grote herstel van Israël (Jer. 31:31-33). Josia’s naam betekent ‘de HEERE geneest’. Zo zal het straks letterlijk gebeuren (Hos. 6:1 en 14:5). Het volk Israël zal ook weer eensgezind de HEERE dienen (Ezech. 37:15-28). Deze man van God staat met het doorgeven van deze boodschap in de lijn van alle profeten en ‘mannen van God’, die gewezen hebben op Israëls herstel en de Koning uit Davids geslacht. Deze profetie wordt letterlijk vervuld (2 Kon. 23:15). De HEERE houdt Zijn Woord.

Het teken

Op dát moment kon niemand de waarheid van deze profetie controleren (Deut. 18:21-22). Daarom geeft de man van God ook namens de HEERE een teken. Het altaar zal scheuren en de as zal eraf vallen. In vers 5 lezen we dat dit ook gebeurt. Het reukwerk in de tabernakel en later de tempel moest voortdurend branden (Exod. 30:8). Hier maakt de HEERE een einde aan het reukoffer. De HEERE laat hiermee merken dat Hij in dit altaar en de offers geen behagen heeft.

Jerobeams reactie

Jerobeam vindt dat het nu tijd is om in te grijpen. Waarschijnlijk wordt hij getriggerd door het nieuws dat iemand uit Davids geslacht het laatste woord zal hebben over alles wat hij tot stand heeft gebracht. Dat is voor Jerobeam een onverdraaglijke gedachte. Jerobeam geeft een bevel: “Grijp hem”.6  Zijn hand verstijft echter. Het Hebreeuwse grondwoord hiervoor is: ‘verdorren, uitdrogen’. Een veelzeggend woord wat ons bepaalt bij Gods almacht en Zijn oordeel, specifiek na ongehoorzaamheid (Gen. 8:7; Joz. 2:10; 4:23). Dit woord wordt ook vertaald met ‘beschaamd staan’ (Jes. 30:5; Jer. 6:15). Opnieuw bepaalt de HEERE Jerobeam bij Zijn positie. Zelfs het feit dat het hier een hand betreft, zouden we daarop kunnen betrekken. De geschiedenis is doortrokken van het getuigenis over de grote daden die ‘door de hand van de HEERE’ tot stand zijn gebracht. Jerobeam, die alles zo graag in eigen hand wil houden, moet hier ondervinden dat Iemand zijn Meerdere is. Jerobeam vraagt de man van God om de HEERE te smeken om zijn hand te herstellen. Opvallend is de wijze waarop Jerobeam over God spreekt: “… uw God ”. Jerobeam benoemt de HEERE niet meer als zijn eigen God (vgl. 1 Kon. 2:3). Op het gebed van de man van God herstelt de HEERE de hand van Jerobeam. Dit schept misschien een beeld van een grillige God, een God die Zich bedenkt, maar niets is minder waar. De HEERE overziet het geheel en daar doet Zijn handelen met deze hand niet toe of af. Hoofdstuk 13 sluit af met de vermelding dat Jerobeam zich ondanks alles verhardt in de zonde (1 Kon. 13:33-34). We mogen de genezing van zijn hand dus zien als een nieuwe kans die hij krijgt na deze eerste waarschuwing. Helaas blijft Jerobeams hart even ongehoorzaam als daarvoor. Het vervolg van deze geschiedenis draait om de instructie die de man van God van de HEERE heeft gekregen (vers 9 en 17). Deze studie zullen we in het volgende nummer plaatsen.

1. Een koning moest zich houden aan de regels die de HEERE voor hem had opgesteld (Deut. 17:14-20). De wet van Mozes speelde hierbij een grote rol (Deut. 17:18-20). 2. Jerobeam, de zoon van Nebat, wordt doorgaans aangeduid als Jerobeam I. Later komen we in het tienstammenrijk ook nog Jerobeam, de zoon van Joas, tegen (2 Kon. 14:23-29). Deze laatste koning wordt aangeduid als Jerobeam II. Interessant is de link met Amos, die ten tijde van Jerobeam II de val van het tienstammenrijk voorzegt en door Amasia, de priester van Jerobeam in Bethel, wordt aangegeven bij de koning. Amos krijgt daarop het advies om zijn biezen te pakken en naar Juda te gaan (Am. 7:10-17). 3. Waarschijnlijk gaat het hier, net als bij het gouden kalf bij Horeb, om een stierkalf naar Egyptisch model. Daarmee hadden de Israëlieten in Egypte kennis gemaakt. De meest bekende Egyptische stier was de Apisstier, de verschijningsvorm van de god Ptah. Deze stier was het symbool van levenskracht, voorspoed en vruchtbaarheid. Deze stier had een zonneschijf tussen de horens. 4. Met dank aan de Companion Bible. 5. Het is opvallend dat we ook bij de nieuwtestamentische ‘man (mens) van God’ de combinatie tegenkomen van het dienen van de Heere en het doorgeven van het Woord zoals het gesproken moet worden (1 Tim. 6:11; 2 Tim. 3:16-17). 6. Dit wordt alleen nog gezegd van de Heere Jezus (Matt. 26:48).

Sluiten