Christus, de Logos

Christologie | Nieuw Testament Tekst, Arno Gaebelein

Honderden pagina’s kunnen geschreven worden over de openingsverzen van het Johannesevangelie en hun oneindig diepe betekenis. Een van de unieke kenmerken is het gebruik van het woord ‘Logos’.

Logos als unieke vorm

Alleen de apostel Johannes noemt de Heere Jezus ‘het Woord’ (Logos). De Joodse filosoof Philo van Alexandrië, die leefde in de dagen van Johannes, spreekt ook over het Woord als Logos. Critici claimen daarom dat Johannes dit heeft overgenomen van Philo, evenals zijn mystieke Joodse filosofie. Deze theorie houdt echter geen stand. De eminente Duitse geleerde Professor Harnack verklaarde dat “de Logos van Johannes niets meer gemeen had met de Logos van Philo dan alleen de naam”.

Logos in de Targoemim

Het is opmerkelijk dat de rabbinale parafrasen van het Oude Testament (Targoemim) honderden malen spreken over de HEERE als ‘het Woord’ (Memra). Dit Aramese woord is hetzelfde als het Griekse ‘Logos’. In een parafrase op Genesis 3:8 lezen wij bijvoorbeeld: “Zij hoorden de stem van het Woord (Memra)”.
Joodse commentatoren schrijven de schepping van de wereld toe aan het Woord. Het was ‘het Woord’ dat communiceerde met de aartsvaders. Volgens hen verloste ‘het Woord’ Israël uit Egypte; ‘het Woord’ woonde in de tabernakel; ‘het Woord’ sprak uit het vuur van de Horeb; ‘het Woord’ bracht hen in het beloofde land. De relatie tussen God en Israël kwam tot stand door ‘het Woord’. In het licht van de openingsverzen van Johannes zijn deze Joodse commentaren méér dan interessant1.
De Eniggeborene wordt ‘het Woord’ genoemd omdat Hij het uitgedrukte Beeld van God is. De onzichtbare gedachte wordt door Hem uitgedrukt door het overeenkomstige Woord. Hij openbaart en vertolkt de gedachten en de wil van God.

Drie geweldige feiten

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” Drie geweldige feiten betreffende onze Heere worden hier geopenbaard.

  1. Hij is eeuwig. Zijn bestaan kent geen begin, want “in den beginne was het Woord”. Hij was altijd. Reeds voordat tijd bestond en dingen werden geschapen, was Hij en is Hij God (verg. Joh. 8:58).
  2. Hij verschilt als Persoon van God de Vader, maar is toch één met Hem. “Het Woord was bij God.”
  3. De Heere Jezus Christus is God, want wij lezen: “Het Woord was God”. Hij kan daarom niet geschapen zijn, zoals de engelen. De verzen die volgen, voegen hier nog aan toe dat Hij de Schepper is van alle dingen en de Bron van al het licht en leven. Dit is de meest complete weerlegging van valse leringen betreffende de Persoon van onze Heere. Het arianisme, dat de Heere Jezus Christus tot een ondergeschikt wezen maakt, is daarmee weerlegd. Alsmede het socinianisme, unitarisme en de leer van de Jehovah’s Getuigen, die beweren dat Christus geen God was, maar een menselijk schepsel.

De nieuwe geboorte

In Hem was het leven, het geestelijke leven. Geestelijk leven en licht is onmogelijk zonder de tweede Persoon van de Godheid.
“Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een ieder mens, komende in de wereld” (vers 9). Maar toen Hij kwam in de wereld die Hij Zelf geschapen had, (her)kende de wereld Hem niet. Zelfs de Zijnen (het Joodse volk) tot wie Hij kwam, ontvingen Hem niet.
Maar toen Hij eenmaal het grote werk aan het kruis had volbracht, werd het goede nieuws bekendgemaakt: “Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden” (vers 12).
Hier wordt voor het eerst de nieuwe geboorte genoemd; als kinderen van God verbonden met de goddelijke natuur door het geloof in Zijn Naam. Die positie van kinderen Gods vinden we als zodanig niet in de voorgaande Evangeliën. Je zou kunnen zeggen dat het Johannesevangelie begint waar de andere Evangeliën eindigen.

In sommigen vertalingen zoals de King James wordt in vers 12 ten onrechte gesproken over ‘zonen van God’. Johannes spreekt altijd over ‘kinderen Gods’ als gevolg van de wedergeboorte. Het begrip ‘zonen Gods’, dat elders in de Schrift op gelovigen van toepassing wordt gebracht, heeft te maken met onze ‘roeping’ in Christus. Als ‘zonen van God’ zijn wij namelijk ook erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.
Onze Heere is nooit een ‘kind van God’ genoemd, Hij is niet opnieuw geboren uit God, zoals wij dat zijn. Hij is ‘Zoon’2.

Genade en waarheid

Vers 14 bepaalt ons bij Zijn incarnatie. Hier lezen wij dat het Woord vlees is geworden; twee perfecte naturen in één Persoon. Desondanks kan Zijn Persoon niet worden gedeeld. Toen Hij de vorm van een schepsel aannam, hield Hij niet op God te zijn; Hij ontledigde Zichzelf van Zijn uiterlijke heerlijkheid, maar niet van Zijn Godheid. Hij werd waarlijk mens, maar was tegelijk heilig en zondeloos. Niet alleen zondigde Hij niet, Hij kon ook niet zondigen.
In Hem werd Zijn heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid van de Enig geborene, vol van genade en waarheid (vers 14). Laten we diep dankbaar zijn voor Zijn onpeilbare genade en volmaakte waarheid en waakzaam zijn ten aanzien van talrijke valse leringen omtrent Zijn Persoon!

Voetnoot:
1. De Joodse parafrasen die wij tegenwoordig kennen, zijn in het Aramees en stammen uit 300 na Christus. Maar ze zijn lang daarvoor geschreven, zij behoren tot de traditie van het Joodse volk.
2. Hand. 4:30 is in sommige vertalingen verkeerd vertaald: er staat geen ‘heilig kind’, maar ‘heilige knecht’.

Sluiten