De besnijdenis

Jodendom Tekst, Alfred Esch

Hoewel het besnijden ook bij andere volken en godsdiensten (moslims) gezien wordt, is de Beriet Mielah, het ‘Verbond van de besnijdenis’ wel specifiek Joods. Waar elders het besnijden van jongens vaak deel uitmaakt(e) van een magisch initiatieritueel, is er bij Israël duidelijk sprake van een verbondssluiting met de God van Abraham, Izak en Jakob.

De Bijbelse grond voor de besnijdenis, ook wel Beriet Avraham, het ‘Verbond van Abraham’ genoemd, vinden we in Genesis 17:10,11: “Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u; dat al wat mannelijk is, u besneden worde. En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u”.

Zo werd Abraham, op zijn negenennegentigste, de eerste besnedene van Gods volk. Tot op vandaag worden zijn mannelijke nakomelingen, volgens voorschrift (Lev. 12:3) op de achtste dag besneden.

Vanouds was het de taak van de vader, als priester van het verbond, om zijn zoon te besnijden. Sinds eeuwen wordt de handeling nu echter verricht door een Mohel, een Joodse man van onbesproken gedrag, die zich er in heeft bekwaamd en een examen heeft afgelegd bij het rabbinaat. Hoewel het geen grote ingreep is, wordt die toch met de grootste zorgvuldigheid en hygiëne verricht.

Vaak is de besnijdenis een hele ceremonie, een plechtige feestdag met familie en vrienden als getuigen. Als de baby door de Gevatterin of Sandeket (= peetmoeder, vaak een oma) de kamer wordt binnengedragen heffen de aanwezigen de eerste woorden van Psalm 118:26 aan: Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN!

Het kind wordt overgedragen aan de peetvader (Gevatter of Sandek), die het jongetje op schoot houdt terwijl de Mohel, onder het uitspreken van toepasselijke bijbelteksten, de voorhuid verwijdert. Dat gebeurt tegenwoordig met een vlijmscherp mesje en niet meer met een stenen mes zoals Zippora en Jozua gebruikten! Als de wond verbonden is, gaat de Sandek staan met de baby op zijn armen en bidt de Mohel het kind Gods zegen toe en geeft het plechtig zijn Hebreeuwse naam. Na nog een zegenbede brengt de Gevatterin de ‘zoon van Israël’ weer terug naar zijn moeder en kan het feest(maal) beginnen.

In Nieuwtestamentische tijden was de besnijdenis niet zelden een twistpunt. Sommige Farizeeën vonden dat zij die gelovig waren geworden (uit de heidenen) besneden moesten worden (Hand. 15:5). Hoewel Paulus Timotheus besneed ‘om der Joden wil’ (Hand. 16:3), zei hij tegen de Galaten (5:2): “zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn; Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende” (5:6).

Juist omdat de besnijdenis zo nauw samenhangt met de Joodse identiteit, wekte het zowel spot als haat bij de vijanden van Gods volk. In 168 v.Chr. vaardigde Antiochus (Epiphanes) IV een decreet uit waarin de doodstraf stond op het besnijden. Ook onder de Romeinse keizer Hadrianus werd de besnijdenis gestraft als een halsmisdaad.

Desondanks bleef het volk trouw aan Gods gebod en vrijwel alle Joodse jongetjes (zowel orthodox als seculier) worden nog steeds besneden.

Medici ontdekten dat, als gevolg van het besneden zijn van de Joodse mannen, bij Joodse vrouwen vrijwel geen baarmoederhalskanker voorkomt. Ook nu bleek weer: Gods instellingen zijn steeds tot zegen voor de Zijnen!

Sluiten