Heeft Jezus de Wet afgeschaft?

Bijbelstudie-Hoe-kan-ik-als-Jood-in-Jezus-geloven.png Naar overzicht Print pagina

De Joodse dr. Michael Brown geeft gastlezingen op theologische instituten, heeft als auteur tal van boeken en artikelen op zijn naam staan, waaronder een vijfdelige serie: ‘Answering Jewish objections against Jesus’1. Ook debatteert hij met rabbijnen op radio en televisie en laat vanuit de Schriften zien dat Jezus de Messias is. In deze Beet Hamidrasj gaat Brown in op de vraag of de Heere Jezus de wet heeft afgeschaft en hoe we dat moet zien in het licht van de brieven van Paulus.2

VANWAAR JEZUS’ TWISTGESPREKKEN OVER DE WET?

Veel christenen beschouwen Gods Wet (de Thora) als iets negatiefs, maar als Jezus de Wet eenvoudigweg had afgedankt, had Hij niet de Messias kunnen zijn. Het zou voor een godvrezende Jood in de eerste eeuw ondenkbaar zijn geweest dat de Messias zou komen en vervolgens Gods heilige Thora zou afschaffen. In de Bergrede benadrukte Jezus dan ook: “Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is” (Matt. 5:17-18, zie ook vs. 19, 20). “Maar”, vraagt u misschien, “had Jezus niet veel twistgesprekken met de religieuze leiders over de Thora? En heeft Hij niet veel aan de Wet gewijzigd?”

Ik beantwoord die vragen met een opsomming van wat de Heere Jezus deed en leerde in de Evangeliën.

1. JEZUS VERVULDE DE THORA EN DE PROFETEN 
Bij nauwkeurige bestudering valt op dat Jezus in Mattheüs 5:17-18 niet alleen zei: “Ik ben niet gekomen om de Wet af te schaffen”, maar: “Ik ben niet gekomen om de Wet of de Profeten af te schaffen”. Met andere woorden, Hij doelde op de hele Tenach. Merk ook op dat Hij niet zei: “Ik ben niet gekomen om ze te versterken”, maar om ze "te vervullen”. Dat betekent dat de Oudtestamentische Geschriften hun ultieme uitdrukking vinden in Hem.

Om te beginnen vinden de wetten van de Thora over de offerdienst, verzoening, rituele reiniging, priesterschap, Tabernakel/Tempel hun bestemming in de Messias. Heel de Thora wees naar Hem! Daarom beschouwden Zijn volgelingen het einde van de priester- en offerdienst als gevolg van de Tempelverwoesting, niet als een stap terug. Christus had dit aspect van de Wet vervuld en de schaduw vervangen door het wezen (zie de hoofdstukken 8 t/m 10 in de Hebreeënbrief).

We zien ook dat de Heere Jezus de vervulling is van de Bijbelse kalender. Pesach verwijst naar Zijn dood als het Lam van God, waarmee de weg werd bereid tot een grotere uittocht; het feest van de Eerstelingen verwijst naar Zijn opstanding, het Wekenfeest (Pinksteren) correspondeert met de uitstorting van de Heilige Geest en - in de toekomst - het feest van de Bazuinen (in de Joodse traditie Rosj Hasjana) wijst op Zijn wederkomst, Jom Kippoer op de nationale verzoening van Israël en het Loofhuttenfeest op de inzameling van de volken. Alles maakt deel uit van wat Jezus noemde 'de vervulling van de Wet en de Profeten'.

In de Bergrede geeft de Heere vervolgens een eigen gezaghebbende interpretatie van de wetten. Hij brengt meer diepgang in de morele wetten en voorziet in een voorbeeld van interpretatie, die tevens op andere, overeenkomstige wetten, van toepassing zijn (vgl. Matt. 19:16-26). Ook dit kunnen we zien als onderdeel van Zijn ‘vervulling van de wet'.

2. DE HEERE JEZUS STAAT BOVEN DE WET 
Tijdens Zijn leven heeft Jezus nooit iets geschonden dat in de Thora geschreven stond. Toen Hij ervan werd beschuldigd de Sabbat te schenden, ging het feitelijke conflict om de verkeerde toepassing van de Thora en om leringen van mensen, maar niet om een gebod uit de Thora. In talloze gevallen verwierp Hij religieuze tradities, die de betekenis en het doel van Gods wetten verdraaiden (zie Markus 7). Dit gezegd hebbende, moeten we ook begrijpen dat Hij, als Zoon van God, boven de geschreven Wet stond. Hij alleen kon (na een man op de Sabbat te hebben genezen) zeggen: “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook” (Joh. 5:17). In Zijn gezaghebbende positie verklaarde Hij ook dat het gebod over de echtscheiding veel meer als een concessie dan als iets positiefs moest worden beschouwd: “Mozes heeft vanwege de hardheid van uw hart u toegestaan uw vrouw te verstoten; maar van het begin af is het zo niet geweest” (Matt. 19:8). Toen een op overspel betrapte vrouw bij Jezus werd gebracht om gestenigd te worden, bracht Jezus liever de hypocrisie van haar beschuldigers aan het licht, dan dat Hij een uitspraak deed over wel of niet stenigen (zie Joh. 8:1-11). Iets wat de wet overigens wel eiste (Lev. 20:10; Deut. 22:22-24).

3. DE HEERE JEZUS WEES OP DE WARE BEDOELING VAN DE THORA 
Toen de menselijke traditie de ware bedoeling van de Sabbat in de weg stond, ging Jezus op die dag juist genezingen en wonderen verrichten. Zo herinnerde Hij eraan dat de Sabbat was bedoeld als een dag van bevrijding en rust (zie Matt. 11:28-30)3 en dat God hen uit Egypte had bevrijd om hen tot Zich te roepen (Deut. 5:12-15). Zo vinden ook wij, als wij tot de Heere Jezus gaan, rust voor onze zielen. 
Het bracht Hem echter wel in conflict met sommige religieuze leiders, die Hij ervan beschuldigde allerlei extralasten op Gods volk te leggen (Matt. 23:1-4). De woordenwisseling ging dus over door mensen ingestelde tradities en niet over de Thora zelf.

4. JEZUS GAF ONS NIEUW INZICHT OP DE REINIGINGSWETTEN 
Hoewel sommige geleerden, waaronder vooral Messiaanse Joden, zich afvragen of Joden de spijswetten wel moeten afschaffen, is het duidelijk dat de Heere Jezus vooral een dieper inzicht van het begrip 'verontreiniging' gaf. Hij zei: “Er is niets dat van buitenaf de mens binnengaat, dat hem kan verontreinigen; maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het die de mens verontreinigen” (Mark. 7:15). Met andere woorden, wat we eten gaat naar onze maag, wordt door ons lichaam verwerkt en uitgescheiden. Dat proces veroorzaakt geen geestelijke verontreiniging (Mark. 7:19). Maar “van binnenuit, uit het hart van de mensen komen voort kwade overwegingen, alle overspel, ontucht, moord, diefstal, hebzucht, allerlei kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, lastering, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen van binnenuit en verontreinigen de mens” (Mark. 7:21-23). 
Omdat de Thora zo’n nadruk legde op rituele reinheid naast morele reinheid, kon het Joodse volk gemakkelijk denken dat het eten van verboden voedsel of het eten met ongewassen handen (Matt. 15:20) dezelfde soort verontreiniging kon bewerken als morele onreinheid. Jezus maakte duidelijk dat werkelijke verontreiniging geestelijk was en niet ritueel en dat het ging om de hartsgesteldheid.

5. JEZUS OPENDE DE DEUR VOOR DE HEIDENEN OM GODS VOLLEDIGE ZEGEN TE ONTVANGEN, ZONDER DAT ZE JOODS HOEFDEN TE WORDEN
Het is van belang om de twee verslagen in Mattheüs 15 en Markus 7 naast elkaar te leggen: Jezus’ twistgesprek met sommige religieuze leiders over het eten van voedsel met ongewassen handen en de reis van de Heere naar Tyrus en Sidon, waar Hij de dochter van een Kanaänitische vrouw geneest. Waarom is dat zo belangrijk? 

Toen Petrus in Handelingen 10 driemaal een visioen ontving, dat hem opdroeg allerlei onreine dieren te doden en op te eten, was Gods boodschap niet dat hij zijn eetgewoonten moest aanpassen. Het was veeleer een les dat Petrus de heidenen niet langer 'onrein' mocht noemen, maar hen - dankzij de Messias - als geestelijk gelijken mocht accepteren. Op dezelfde manier wordt het onderwijs van Jezus over ‘rein’ en ‘onrein’ en geestelijke vervuiling die van binnenuit komt, nu in praktijk gebracht. Hij maakte een lange reis naar een heidens gebied en strekt Zich in genade uit naar een ‘Kanaänitische’ in nood. 

Het aanschouwelijk onderwijs was duidelijk: de heidenen werden niet langer als ‘onrein’ beschouwd als ze hun vertrouwen op de Heere Jezus stelden. Jaren later zou Paulus zeggen: “Want de Schrift zegt: Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Er is immers geen enkel onderscheid tussen Jood en Griek. Want Een en dezelfde is Heere van allen en Hij is rijk voor allen die Hem aanroepen. Want ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden” (Rom. 10:11-13, vgl. Joël 2:32). In het kader van de verlossing heeft Jezus de Messias de scheidsmuren afgebroken, zodat er in dit opzicht ‘geen verschil is tussen Jood en heiden’. Dit was revolutionair en tegelijk een geestelijk struikelblok voor veel Joden van toen en nu.

Meerdere malen stelt de Heere Jezus het grote geloof van de heidense gelovigen tegenover het ongeloof van Zijn eigen volk: “Maar Ik zeg u dat er velen zullen komen van oost en west en zij zullen aan tafel gaan met Abraham, Izak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen, en de kinderen van het Koninkrijk zullen buitengeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gejammer zijn en tandengeknars” (Matt. 8:11-12).

6. DE HEERE JEZUS VERANDERDE ONZE RELATIE TOT DE THORA 
Door het sluiten van een nieuw en beter verbond, staan we in een nieuwe en betere relatie tot God (het grote thema van de Hebreeënbrief, waar het woord ‘beter’ regelmatig terugkomt). Er is geen doodstraf meer voor het niet houden van de Sabbat (en vele andere wetsovertredingen). Er is geen verdoemenis meer door de wet (Rom. 8:1-2). Door onze vereenzelviging met Jezus' dood en opstanding, sterven we aan de zonde en staan we op in een nieuw leven (Rom. 6:1-11). Geleid door de in ons wonende Geest kruisigen we het vlees en wandelen we in nieuwheid des levens (Rom. 8:3-4). We zijn bovennatuurlijk bekrachtigd en Gods wetten staan nu in onze harten geschreven.

Het opzettelijk afwijzen van Gods genade heeft zeker ernstige gevolgen, ernstiger zelfs dan het afwijzen van de Wet van Mozes (zie Hebr. 2:1-4; 10:26-31; 12:25-29). Maar diegenen die de Heere liefhebben en Hem willen dienen hoeven niets te vrezen (zie Joh. 10:27-29). Zij kunnen vertrouwen op Hem, Die een goed werk in hen is begonnen en dat ook zal voltooien (zie Fil. 1:6). 

HEEFT PAULUS DE WET AFGESCHAFT?
Enkele prominente Joodse (en liberaal christelijke) geleerden hebben Paulus aangewezen als ‘stichter van het christendom’. Jezus was een goede Rabbijn, die Zich aan de Thora hield, maar Paulus verwijderde zich van de Joodse wortels van het geloof, schafte de Thora af en begon een nieuwe heidense religie, zo luidt hun argumentatie. 

Is er enige waarheid in deze bewering?
Een aantal verzen in Paulus' brieven lijken de theorie dat hij de Thora heeft tenietgedaan te ondersteunen, zoals: “Want Hij is onze vrede, Die beiden één gemaakt heeft. En door de tussenmuur, die scheiding maakte, af te breken, heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees tenietgedaan, namelijk de wet van de geboden, die uit bepalingen bestond, opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen en zo vrede zou maken, en opdat Hij die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft” (Ef. 2:14-16)4.

Toch zijn er twee belangrijke argumenten die hier tegenin gebracht kunnen worden.
Ten eerste had Paulus veel positiefs te zeggen over de Thora. “Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet … Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed … Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde” (Rom. 7:7, 12, 14).5

Ten tweede kunnen we in het boek Handelingen lezen, dat Paulus zelf in gehoorzaamheid aan de Wet leefde. Als de Thora zo slecht was geweest en hij hem had afgeschaft, waarom scheerde hij in Handelingen 18 dan zijn hoofd kaal, omdat hij een gelofte had gedaan, zoals voorgeschreven in de Thora (zie vers 18)? Niemand had hem hiertoe gedwongen. Als Paulus de wet had afgeschaft, waarom was hij het dan niet eens met de geruchten ‘dat hij alle Joden die onder de heidenen wonen, leerde afvallig te worden van Mozes, doordat hij zei dat zij de kinderen niet moeten besnijden en ook niet moeten wandelen overeenkomstig de gebruiken van de wet’ (21:21)? In tegendeel, hij deed zijn best om te laten zien – met de woorden van Jacobus - dat “allen kunnen weten dat er niets waar is van wat hun over u verteld is, maar dat zo wandelt dat u ook zelf de wet in acht neemt” (vers 24; zie ook 22:3-5; 23:6-9; 26:4-7; 28:17). Merk ook op dat Paulus vrije toegang had tot de synagogen. Dit betekent dat hij als Jood erkend werd (Hand. 13:13-15; 14:1; 16:4).

Hoe kunnen we dan deze twee - schijnbaar in tegenspraak met elkaar zijnde - Paulussen met elkaar verzoenen? De ene was voor de Thora en de ander was tegen de Thora; de ene leefde naar de Wet en de ander zei dat hij niet langer onder de Wet leefde?

Ik geloof dat een aantal conclusies onvermijdelijk zijn.

1. Hoewel Paulus als een Thora praktiserende Jood leefde (met als uitzondering misschien het breken van bepaalde wetten, zoals de spijswetten, om het Goede Nieuws aan de heidenen te kunnen brengen), leerde hij duidelijk dat wij – zowel Joodse als heidense gelovigen – niet onder de wet zijn, wat op zijn minst drie toepassingen heeft. 

Ten eerste zijn we niet onder de veroordeling van de wet (Rom. 8:1-4); ten tweede zijn we niet onder het systeem van rechtvaardiging van de wet (Rom. 3:19-24); ten derde zijn we niet onder de wet als tuchtmeester om ons tot de Messias te brengen (Gal. 3:23-25).

2. Voor Paulus stond Jezus de Messias centraal en niet de Thora. Waren deze twee volgens hem in tegenspraak met elkaar? Zeker niet. Maar het feit dat Jezus de Thora en de Profeten vervuld had, betekent dat alles wees naar Hem. Alleen iemand die volkomen gericht was op Jezus en voor wie de Thora op de tweede plaats kwam, kon zeggen:

“Hoewel ik reden heb om ook op het vlees te vertrouwen; als iemand anders denkt te kunnen vertrouwen op het vlees, ik nog meer: besneden op de achtste dag, uit het geslacht van Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, wat de wet betreft een Farizeeër, wat ijver betreft een vervolger van de gemeente, wat de rechtvaardigheid betreft die in de wet is, onberispelijk. Maar wat voor mij winst was, dat heb ik om Christus' wil als schade beschouwd. Ja, beslist, ik beschouw ook alles als schade vanwege de voortreffelijkheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere, om Wie ik dat alles als schade ervaren heb. En ik beschouw het als vuiligheid, opdat ik Christus mag winnen, en in Hem gevonden word, niet met mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof in Christus is, namelijk de rechtvaardigheid uit God door middel van het geloof; opdat ik Hem mag kennen, en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap met Zijn lijden, doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig word, om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden” (Fil. 3:4-11). 

In dit licht schreef Paulus dat God ‘al wat in de hemelen en op de aarde is onder één Hoofd, (dat is Christus), heeft samengevat’ – en niet de Thora (zie Ef. 1:10NBG). 

Een simpele, zij het lange bezigheid, zal dit bevestigen: Lees de brieven van Paulus en laat Jezus weg. Dan blijft er niets over! Probeer dan de Thora weg te laten: Jezus blijft nog steeds over! 

3. Paulus ging krachtig in tegen iedere vorm van etnische of geestelijke exclusiviteit. Daarom bestreed hij iedere gedachte dat Joden op een hoger plan stonden dan gelovigen uit de heidenen (Rom. 2:25-27; 3:9; 10:11-13) of dat Joden een soort van gegarandeerde en zekere geestelijke status hadden omdat ze Joden waren (Johannes de Doper sprak hen hier ook op aan; zie Matt. 3:7-10). Er zijn een aantal goddelijke voorrechten aan het Joodse volk gegeven (Rom. 3:1-3; 11:16), maar niet een hogere geestelijke status buiten het geloof in Jezus.

4. Paulus benadrukte de overtreffende grootheid van Gods Nieuwe Verbond en de heerlijkheid van leven in de Geest. Het eerste verbond was glorieus, maar het was niet te vergelijken met de heerlijkheid van het nieuwe verbond: “Immers, zelfs hetgeen verheerlijkt was, is in zoverre niet verheerlijkt, als déze heerlijkheid het te boven gaat. Want als het verdwijnende met heerlijkheid gepaard ging, veel meer is dan het blijvende in heerlijkheid” (2 Kor. 3:10-11NBG, heel 2 Kor. 3 is relevant). 

De nadruk hier en op andere plaatsen, ligt duidelijk op het wandelen in nieuwheid des levens door de kracht van de Geest: “Maar ik zeg: Wandel door de Geest en u zult zeker de begeerte van het vlees niet volbrengen … Als u echter door de Geest geleid wordt, bent u niet onder de wet … Maar wie van Christus zijn, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd. Als wij door de Geest leven, laten wij dan ook door de Geest wandelen” (Gal. 5:16, 18, 24-25; zie ook Rom. 8:1-14). 

5. Paulus begreep dat, hoewel we nog steeds in deze wereld leven, de nieuwe orde (in de hemelse gewesten red.) was aangebroken.
"Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus" (Ef. 1:3; zie ook 2:6). Dat verandert ook onze verhouding ten opzichte van de Thora, alsmede de nieuwe manier van omgaan met de zonde en het vlees (zie Kol. 3:1-14).

Voetnoten:  
1. Beantwoording Joodse bezwaren tegen Jezus
2. N.a.v. zijn boek: ‘60 vragen van Christenen over stromingen, opvattingen & tradities binnen het Jodendom’ 
3. Deze verzen zijn een inleiding op het verslag over de Sabbat, dat volgt in Matt. 12:1-14.
4. Zie ook Rom. 2:28-29; 3:20; 4:13-15; 6:14; 7:5-6, 8-9; 10:4; 1 Kor. 7:19; 15:56-57; Gal. 4:15-16; 3:10-13; 3:23-25; 5:4, 18; 6:15.
5. Zie ook Rom. 2:13; 2:25; 3:31; 8:3-4.

Deel dit artikel via


Meer van zulke artikelen lezen?

Neem voor slechts € 12,50 p.j. een abonnement op IB Magazine. Het magazine bevat o.a. getuigenissen van Messiaanse Joden, interessante Bijbelstudies, nieuws, verhalen van de Bijbelverspreiding en achtergrondartikelen. Of abonneer u gratis op onze digitale nieuwsbrief.

Gratis nieuwsbrief IB Magazine

Sluiten