De kleren van de Charediem

Kleding-Charediem.png Naar overzicht Print pagina

Dragen ultraorthodoxe Joden alleen maar dezelfde kleding? Op het eerste gezicht lijkt dit zo, en het is voor ons best vreemd. Wij zien onze kledingstijl namelijk als een belangrijke expressie van onze persoonlijke identiteit en willen er juist uniek uitzien. Bij de charediem is er iets anders aan de hand. Wat eigenlijk?

Het geheel van Joodse leefregels waaronder de kledingvoorschriften vallen noemen we tznioet, of in het Jiddisch basheydnkeyt, waarin u ongetwijfeld het woord ‘bescheidenheid’ herkent. Het woord tznioet is afgeleid van de bekende tekst uit Micha 6:8: “Er is jou mens, verteld wat goed is, je weet wat de Heer van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten, en nederig de weg te gaan van je God” (NBV). Het gaat hier dus om de uitdrukking ‘hatz’ne’ah lechet Eloheichah’, het nederig of in bescheidenheid wandelen met God.

Omdat het Jodendom nederigheid benadrukt als belangrijke levenshouding, schrijven de rabbijnen een kledingstijl voor die daarbij aansluit. Het kernpunt van tznioet is dat je jezelf bescheiden kleedt, zodat er geen onnodige aandacht op je wordt gevestigd. Bescheiden betekent niet goedkope of armoedige kleding, want ook dat trekt de aandacht. Het mag stijlvol en mooi zijn, maar het is verboden om bepaalde lichamelijke eigenschappen te benadrukken. Delen van het lichaam die volgens het Jodendom niet bloot behoren te zijn, worden zorgvuldig bedekt. Kleding moet zelfrespect en zelfcontrole uitstralen. De gedachte dat niet het zichtbare lichaam, maar juist de ziel het belangrijkste onderdeel van je persoonlijkheid is, speelt hierbij een belangrijke rol.

Gemeenschappelijk denken

Tznioet gaat over meer dan alleen kleding. Het betreft regels over vele omgangsnormen in het openbare leven, zoals hoe mannen en vrouwen op een gepaste manier met elkaar op straat omgaan. De kledingvoorschriften zijn gebaseerd op een combinatie van Joodse wetgeving en de kledingtradities uit diasporalanden en de gemeenschappen waar men nu leeft. Er daarin is veel meer verscheidenheid dan men misschien denkt.

Dat de charediem (en dan vooral de mannen) identieke kleding dragen heeft historisch gezien meerdere redenen. Zo moesten de Joden in Spanje in de middeleeuwen verplicht herkenbaar zijn. De bekende lange jas (de bekische of rekel) werd later vrijwillig overgenomen van de Poolse adel. Dat de kleuren voornamelijk donker zijn, meestal zwart, maar ook blauw en grijs, komt door een rabbijns besluit uit de achttiende eeuw. Gekleurde jassen konden aanstootgevend zijn voor niet-joden, en mogelijk leiden tot gewelddadige incidenten tegen hen. Het zijn dus vooral sociale aspecten die een belangrijke rol spelen in de kledingvoorschriften. De klederdracht geeft ook aan dat iemand onderdeel is van een specifieke groep, met eigen regels, gewoontes, en natuurlijk eigen kledingvoorschriften. Men kan leden uit de eigen groep eenvoudig herkennen, en ook degenen die er buiten vallen.

De wet van de Joodse vrouw

Voor ultraorthodoxe vrouwen is de tznioet wat omvangrijker dan mannen. Tegelijkertijd is er ook meer vrijheid qua kledingstijl. Veel kledingvoorschriften worden overigens bepaald door de voornaamste en vroomste vrouwen uit de gemeenschap zelf. Deze krijgen dan een status die haast gelijk is aan andere Joodse wetgeving. We noemen dit Dat Jehudit (de wet van de Joodse vrouw). Omdat Dat Jehudit lokaal bepaald wordt, is er wereldwijd in de kledingvoorschriften ook veel diversiteit te vinden. Over het algemeen geldt dat vrouwen kleding moeten dragen die het lichaam goed bedekt, en die geen aandacht vestigt op specifieke lichaamsvormen. Er worden geen broeken gedragen, maar rokken die tenminste tot over de knieën vallen. Vrouwen die getrouwd zijn moeten hun hoofdhaar bedekken (op basis van een interpretatie van Num. 5:18). Daarom dragen ze hoofddoeken, haarnetten, hoeden, baretten, en in sommige gemeenschappen pruiken.

Binnen de lijntjes kleuren

Voor ultraorthodoxe mannen is het verplicht om het hoofd te bedekken. Ze moeten hun gezichtshaar laten staan en mogen het haar bij de zijkanten van het hoofd niet afknippen. Hierdoor komen de bekende lokken tevoorschijn (zie Lev. 19:27). Verder draagt men gebedsriempjes (de tzitzit, zie Num. 15:37–41), die meestal aan de zoom van een onderhemd zitten. Vroeger waren deze riempjes blauw, maar de manier waarop de blauwe verf gemaakt moet worden is verloren gaan. Daarom zijn ze nu meestal wit.

De kledingvoorschriften voor de charediem zijn strikt. Toch is er ook invulling voor een persoonlijke kledingstijl. Binnen de lijntjes van wat volgens de tznioet acceptabel is mag vrij worden gekleurd, maar het gaat om details die buitenstaanders zelden of nooit opvallen. Te denken valt aan het soort sokken dat gedragen wordt, schoenen, de lengte van de jas, de knopen van het overhemd, of de rand van de hoed.

Daarnaast geven deze kleine details ook aan bij welke rabbijnse groep je hoort. Wij zien meestal niets meer dan een zwarte jas en een hoed, maar een getraind oog kan precies zien uit welke rabbijnse dynastie iemand komt en wat zijn rol daarbinnen is.

Zwart/wit denken

Zoals de meeste onderwerpen in het Jodendom vinden we ook in de kledingvoorschriften dus nuance, verschillen, ontwikkelingen, en voortdurend veelkleurige discussies. Zo blijkt dat ‘de mannen in het zwart’ niet bepaald zwart/wit denken over kleding. Nederigheid vormt de basis voor het uiterlijk, en dit moet tot uiting komen in het persoonlijke en het publieke leven. Dit alles vanuit de overtuiging dat de binnenkant veel unieker is dan de buitenkant ooit kan zijn.

Deel dit artikel via


Meer van zulke artikelen lezen?

Neem voor slechts € 12,50 p.j. een abonnement op IB Magazine. Het magazine bevat o.a. getuigenissen van Messiaanse Joden, interessante Bijbelstudies, nieuws, verhalen van de Bijbelverspreiding en achtergrondartikelen. Of abonneer u gratis op onze digitale nieuwsbrief.

Gratis nieuwsbrief IB Magazine

Sluiten