Hoe Joods is de Hebreeënbrief?

Bijbelstudie-Hoe-Joods-Hebreeenbrief.png Naar overzicht Print pagina

Het Nieuwe Testament bevat geschriften en brieven die zijn geschreven door Joden. We realiseren ons dat niet altijd, omdat de taal van het Nieuwe Testament Grieks is en de auteurs met hun Griekse namen worden genoemd. Immers niet Hebreeuws of Aramees, maar Grieks was de taal die de meeste Joden in de eerste eeuw spraken. Het Nieuwe Testament is dan ook geschreven in een speciaal soort Grieks (koine Grieks) dat je ook Joods Grieks zou kunnen noemen. Oudtestamentische passages worden vaak geciteerd vanuit de Septuaginta vertaling, de Griekse vertaling van het Oude Testament die in de eeuwen voor de jaartelling in Alexandrië is ontstaan.

Paulus heeft dertien brieven op zijn naam staan, andere geschriften en brieven zijn geschreven door de apostelen en twee broers van de Heere Jezus: Judas en Jakobus. De evangelist Markus was volgens de traditie de metgezel van Paulus op zijn zendingsreizen en mogelijk was alleen Lukas, schrijver van het Evangelie en van Handelingen, van niet-Joodse komaf. Maar zelfs dat is niet helemaal zeker. Er zijn argumenten aan te voeren dat ook hij Joods is. Het Nieuwe Testament zelf laat zich er niet over uit1.
Dat de anonieme brief aan de Hebreeën door een Joodse schrijver is geschreven, lijkt me evident. Hij begint in Hebreeën 1:1 met: “Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen had gesproken door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon”. Zou een niet-joodse gelovige zo beginnen en het woord ‘ons’ gebruiken? De schrijver was goed op de hoogte van de oudtestamentische dienst in de tabernakel en tempel. Hij kende het Jodendom van die dagen van binnenuit.
We weten niet wie de auteur van deze brief was. Van oudsher wordt aangenomen dat dat Paulus was. Dat baseert men onder meer op Hebreeën 10:34: “Want u hebt ook medelijden gehad met mij, in mijn boeien en de beroving van uw eigendommen met blijdschap aanvaard, in de wetenschap dat u voor uzelf een beter en blijvend bezit in de hemel hebt”. Dat zou goed op Paulus kunnen slaan. Maar veel vertalingen volgen andere handschriften en vertalen als de NBG: “Want gij hebt met de gevangenen mede geleden ...” Veel uitleggers (waaronder Luther en Calvijn) betogen om diverse redenen dat de schrijver niet Paulus was. Maar dan moet het in ieder geval iemand uit zijn kring zijn geweest (in Hebr. 13:23 wordt Timothëus genoemd), bijvoorbeeld de Leviet Barnabas, Apollos, Silas of Lukas.
Het Nieuwe Testament is Joods, maar waarin is de brief aan de Hebreeën anders dan de andere boeken van het Nieuwe Testament? En waarin komt het Joodse karakter van de Hebreeënbrief tot uiting? Hieronder wil ik zeven aspecten daarvan belichten.

1. GERICHT AAN SPECIFIEK JOODSE GELOVIGEN

De meeste brieven in het Nieuwe Testament zijn gericht aan christelijke gemeenten in plaatsen of streken (Galaten) of aan personen. Die gemeenten bestonden zowel uit Joodse gelovigen als uit gelovigen met een niet-joodse achtergrond. Vandaar dat veel brieven ingaan op problemen die tussen deze twee stromingen ontstonden (bijvoorbeeld de brief aan de Galaten) en hoe gelovigen uit beide groepen met elkaar kunnen samenleven.
De brief van Jakobus is gericht aan de twaalf stammen in de verstrooiing. Wat haar inhoud betreft, is het zowel op gelovigen van Joodse als van niet-joodse komaf toepasbaar. Dit geldt ook voor de brieven van Petrus, Johannes en Judas, die niet aan een specifieke groep zijn gericht. De brief aan de Hebreeën is evenwel uniek, omdat het zich uitsluitend richt tot gelovigen uit de besnijdenis. 

2. AFVAL

Er is geen brief waarin zo vaak gewaarschuwd wordt om niet af te vallen van het geloof en van de Messias. Zie bijvoorbeeld Hebreeën 2:1: “Daarom moeten we ons te meer houden aan wat door ons gehoord is, opdat wij niet op enig moment afdrijven”.
Meerdere malen wordt gewaarschuwd om niet achter te blijven (Hebr. 4:1; 12:15) en zo het spoor bijster te raken.
Het grootste gevaar dat deze Joodse gelovigen lopen, is dat zij het zicht op Messias Jezus verliezen, waardoor zij weer terugkeren naar het Oude Verbond. Natuurlijk lopen ook gelovigen uit de volkeren gevaar om af te vallen, maar het is wel een verschil of je terugkeert tot heidense afgoden of tot een religie die claimt de enige ware God te dienen. We moeten bedenken dat Joodse volgelingen van de Messias uit de eerste eeuw geen christen werden (in onze betekenis van het woord), maar dat zij zich als complete Joden beschouwden. Immers de Heere Jezus is de vervulling van de wet en van de profeten. Het Oude Testament wijst naar de komende Messias. Echter, in de ogen van hun Joodse volksgenoten waren zij nu aanhangers van een nieuwe ketterse stroming (die van de Weg), die een valse Messias volgden.

Voor gelovigen uit de heidenen lag dat anders. Zij moesten hun oude heidense godsdienst totaal achter zich laten en werden in die tijd als volgelingen van Jezus ingelijfd bij het volk van God.
De woorden van de Heere Jezus “Wie vader of moeder liefheeft boven mij, is mij niet waardig”, geldt voor iedere gelovige. Maar voor Joodse gelovigen, zeker wanneer zij door hun volksgenoten omwille van hun geloof worden verstoten, is een breuk met familie en vrienden zeer pijnlijk.

Daarom is het goed mogelijk dat de geadresseerden in een omgeving woonden waar vooral Joden woonden. Immers de Messiasbelijdende gemeenschappen waar ze deel vanuit maken, zijn Joods. Dan zouden ze in het land van Israël gewoond kunnen hebben, bijvoorbeeld in de tijd vlak voor het jaar 70, waarin de tempel en Jeruzalem werden verwoest. De val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel waren traumatische gebeurtenissen voor het Joodse volk. Als de tempel er niet meer was geweest, zou er zeker in deze brief naar verwezen zijn.2

3. VERBOND

Er is geen brief waarin het woord ‘verbond’ zo vaak voorkomt als hier. De schrijver gebruikt hetzelfde woord dat ook in de Griekse vertaling van het Oude Testament voorkomt: ‘diatheke’, dat de vertaling is van het Hebreeuwse woord voor verbond ‘beriet’. ‘Diatheke’ komt in de brieven van het Nieuwe Testament ongeveer vijfentwintig keer voor, waarvan zo’n vijftien keer alleen al in de Hebreeënbrief.
Een belangrijk thema van deze brief is het verschil tussen het Oude en Nieuwe Verbond. De Joodse gelovigen waren Jezus gaan volgen en maakten door het bloed en de offerdood van de Messias deel uit van het Nieuwe Verbond.3

Nu is dit Griekse woord voor verbond in onze vertalingen niet altijd goed te herkennen. Immers in het klassieke Grieks kan dit woord ‘diatheke’ ook ‘beschikking’ of ‘testament’ betekenen. De lezers van de brief, die Grieks kenden, waren daarvan op de hoogte. Maar voor vertalers is het dan wel lastig welke vertaling je moet kiezen. Dat kunnen we illustreren aan de hand van Hebreeën 9:15-17.

“En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe verbond, opdat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verzoening van de overtredingen die er onder het eerste verbond waren, de geroepenen de belofte van de eerste erfenis zouden ontvangen. Immers waar een testament is, daar is het noodzakelijk dat de dood van de maker van het testament vastgesteld wordt. Want een testament is bindend na iemands dood. Het wordt immers nooit van kracht zolang de maker van het testament nog leeft. Daarom is ook het eerste (verbond) niet zonder bloed ingewijd.”

In deze verzen komt het Griekse woord diatheke vier keer voor (in de vertaling zes keer). In vers 15 en 18 wordt het met ‘verbond’ vertaald en in vers 16 en 17 met ’testament’. Joden die thuis zijn in de Septuaginta gaan er automatisch van uit dat ‘diatheke’ de vertaling is van het Hebreeuwse woord voor verbond (beriet), maar ook ‘beschikking’ of ‘testament’ kan betekenen.
Het voert te ver om te bespreken waarom de vertalers hier voor testament hebben gekozen en niet voor verbond. Maar er zijn Messiasbelijdende uitleggers, die daarom vers 16-17 anders willen vertalen, bijvoorbeeld met:
“Want waar sprake is van een verbond, moet noodzakelijk degene die middelaar is gedood worden. Want een verbond wordt bevestigd door slachtoffers (lett. dode lichamen), want het wordt niet van kracht wanneer het onderpand van het verbond nog leeft”.4
Een vertaling van de Hebreeënbrief die zich op Joodse lezers richt, moet goed overwegen hoe deze passages vertaald moeten worden.
Overigens de benaming ‘testament’ voor de twee delen van de Bijbel in onze Bijbelvertalingen is ontleend aan de Latijnse vertaling, de Vulgaat van vers 16 en 17. Dat maakt het voor bijbellezers verwarrend. Het is niet het Oude Testament, maar het Oude (Mozaïsche) Verbond en niet het Nieuwe Testament, maar het Nieuwe Verbond (de vervulling van Jer. 31:31 in Christus).

4. MOZES EN AÄRON

De naam Mozes komen we in het Nieuwe Testament voornamelijk tegen in de aanduiding voor de Thora: de wet van Mozes. Mozes als persoon komen we vooral tegen in Hebreeën 3 en 11:23-29. Ook de naam Aäron komen we tegen in deze brief (verder alleen in Luk. 1:5 en Hand. 7:40). Dit is de enige plek in het Nieuwe Testament waarin Christus wordt vergeleken met Mozes en met Aäron.
Hebreeën 3 begint met: “Daarom, heilige broeders, deelgenoten aan de hemelse roeping, let op de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis: Christus Jezus”.
En dan wordt een vergelijking gemaakt met Mozes, de apostel van het Oude Verbond, die door God was gezonden om Zijn volk uit Egypte te bevrijden, en met zijn broer Aäron, de hogepriester van het Oude Verbond. Eerst wordt betoogd dat Christus hoger (d.w.z. belangrijker) is dan Mozes. Immers Mozes was een trouw dienaar in zijn huis (hier wordt verwezen naar Num. 12:7), maar Christus is trouw aan Zijn huis, niet als dienaar, maar als Zoon van God. Want wij, de gelovigen, zijn Zijn huis.
Daarna wordt op dezelfde wijze een vergelijking gemaakt tussen Aäron en Christus. Aäron moest in de tabernakel gaven en offers brengen, opdat de zonden en overtredingen van het volk van God werden verzoend. Maar omdat hij zelf zondig was, moest hij eerst offers brengen voor zichzelf en zijn familie voordat hij ten behoeve van zijn volk kon optreden (Lev. 16:11; Hebr. 5:1-3). De offers van het Oude Testament waren onvolmaakt en moesten iedere dag opnieuw gebracht worden. Christus daarente- gen heeft door zichzelf smetteloos te offeren, voor eens en altijd verzoening bewerkstelligd.

De schrijver van de brief aan de Hebreeën wijst hier op een probleem dat rond de jaartelling in Israël speelde. In die tijd waren er veel hogepriesters die het niet zo nauw namen met de wet. Ze gedroegen zich werelds, waren corrupt en gewelddadig. Daardoor ontstonden er conflicten tussen de (hoge)priesters en de Farizeeën, die zich afvroegen hoe corrupte hogepriesters verzoening kunnen bewerkstelligen. In de eerste eeuw v.Chr. leidde het zelfs tot een burgeroorlog tussen de Sadduceeën, de partij van de priesters en de Farizeeën.
Voor Joden in de eerste eeuw was hun religie op twee pijlers gegrondvest: de Wet van Mozes (aangevuld door de mondelinge wet), waaraan zij zich moesten houden en de offerdienst in de tempel, waardoor zij vergeving konden ontvangen als zij faalden in het houden van de Wet.
Door te benadrukken dat Christus hoger is dan Mozes en Aäron wordt zo duidelijk dat een terugkeer naar deze twee pijlers een heilloze weg is. Terwijl de brief aan de Romeinen benadrukt waarom we ons niet aan de Wet kunnen houden, gaat deze brief vooral in op het tweede aspect: hoe we volkomen gereinigd kunnen worden door het offer van Christus.

5. JEZUS ALS HOGEPRIESTER VAN HET NIEUWE VERBOND

Alleen in de brief aan de Hebreeën komen we tegen dat de Heere Jezus de Hogepriester is van het Nieuwe Verbond. In de andere brieven wordt Hij Messias genoemd, de Zoon van David, maar niet de Hogepriester. Hij is niet alleen het Lam dat is geslacht, maar is ook de Hogepriester die Zichzelf als offer bracht. In Hebreeën 7 wordt gesteld dat de positie van Melchizedek hoger is dan die van Abraham, want Abraham gaf hem een tiende van de buit en werd door hem gezegend. Daarom is ook Abrahams nageslacht, het Levitische priesterschap, onderworpen aan de Messias, waarvan Melchizedek een type is. Het hogepriesterschap van de Messias is niet dat van Aäron, maar dat van Melchizedek (Hebr. 7). Daarom wordt Zijn priesterschap naar de wijze van Melchizedek genoemd. Het is niet tijdig, maar eeuwig. De wet op het priesterschap heeft geen volmaaktheid gebracht, maar de Messias wel, doordat Hij, Die zonder smet of rimpel was, Zichzelf ten offer bracht. 

6. JEZUS’ DIENST IN DE HEMELSE TABERNAKEL

Het woord ‘tabernakel’ vinden we uitsluitend in de brief aan de Hebreeën (Hebr. 8:2, 5; 9:11, 21 en 13:10) en nergens anders in het Nieuwe Testament.
De Messias verricht Zijn dienst als hogepriester in de hemelse tabernakel. Hij is immers de Middelaar van het nieuwe verbond, waarbij de wet in de harten geschreven wordt. Daarmee is het verbond van de Sinaï verouderd en heeft afgedaan, zodat het geen rol meer speelt. Het verbond van de Sinaï met zijn wetten en offers behoorde bij de aardse tabernakel en werd met bloed ingewijd. Toch kon dit onmogelijk de weg tot God vrijmaken. Iedere dag weer moesten er bloedige offers gebracht worden. De Messias echter heeft door Zijn eenmalige smetteloze offer in het hemelse heiligdom de zonde tenietgedaan en de weg tot God geopend. Daardoor kunnen wij een eeuwige erfenis ontvangen. De offers onder het verbond van de Sinaï waren niet in staat om de zondige natuur van de mens teniet te doen. Daarom moest de Messias komen om een volmaakt offer te brengen. Door het geloof kunnen wij nu met vrijmoedigheid tot God naderen en ingaan in Zijn (hemelse) heiligdom. Daarin moeten wij volharden, want terugkeer naar de oude situatie leidt uiteindelijk tot verderf.

7. VERWIJZINGEN NAAR DE JOODSE BIJBELUITLEG

Er zijn in de brief aan de Hebreeën veel verwijzingen naar de Joodse Bijbeluitleg, zoals die ook in de eerste eeuw bestond. Om slechts enkele voorbeelden te noemen. Hebreeën 11:37 noemt gelovigen die vanwege hun geloof in stukken zijn gezaagd. De Joodse lezers dachten hierbij aan een oude Joodse overlevering over de dood van Jesaja. Toen de koning hem wilde doden, zocht hij zijn toevlucht in een holle boom, die zich achter hem sloot. Daarom werd de boom in stukken gezaagd.
In Hebreeën 12:16 lezen we: “Laat niemand een ontuchtpleger zijn of een onheilige, zoals Ezau die voor één enkele maaltijd zijn eerstgeboorterecht verkocht”. Of ‘ontuchtpleger’ ook op Ezau slaat, is niet duidelijk, maar Ezau werd in de Bijbeluitleg van die tijd ontuchtpleger genoemd. 

CONCLUSIES

Als wij de brief aan de Hebreeën lezen, is het belangrijk om steeds in gedachten te houden aan welke doelgroep deze is geschreven. Hebreeën 12:4 waarschuwt: “U hebt nog niet tot bloedens toe weerstand geboden tegen de zonde ...” Wij zijn geneigd om, als we dit op onszelf toepassen, het te betrekken op de zonde waarmee we op dat moment worstelen. Daar is niets mis mee, maar het is wel goed om te beseffen dat dit vers staat in de context van het gevaar om terug te keren naar het Oude Verbond. Hebreeën 6:4-6 bevat een waarschuwing tegen afvalligheid. Ook dit slaat in de eerste plaats op de terugkeer naar de oude situatie en niet op de terugkeer naar het heidendom.
Om hierboven genoemde en nog vele andere redenen is de brief aan de Hebreeën dan ook voor hedendaagse orthodoxe Joden goed leesbaar. Vaak begrijpen zij er meer van dan Bijbellezers zonder orthodox Joodse achtergrond.

 

 

Voetnoten:

  1. Meestal wordt Kol. 4:10 en 11 aangehaald als bewijs dat Lukas niet-Joods was. Hier worden Aristarchus, Markus en Jezus, genoemd Justus, de enigen van de besnijdenis genoemd, hetgeen dan impliceert dat Lukas (in vers 14) dat niet was. Echter als je het correct vertaalt (zie de Voorhoeve Vertaling), kun je die conclusie niet trekken.
  2. Een aanwijzing dat het vlak voor het jaar 70 was, vinden we mogelijk in Hebr. 8:13: “Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen”.
  3. Vandaar dat de beker met wijn in het avondmaal het teken is van het Nieuwe Verbond (Matth. 26:28; Mark. 14:24 en Luk. 22:20). Zoals de oudtestamentische offerdienst kenmerk is van het Oude Verbond, is de offerdood van de Heere Jezus het kenmerk van het Nieuwe Verbond.
  4. Vergelijk hiermee de vertaling van Robert Young in zijn Analytical Concordance, die “onderpand van het verbond” weergeeft als “covenant victim”.

Deel dit artikel via


Meer van zulke artikelen lezen?

Neem voor slechts € 12,50 p.j. een abonnement op IB Magazine. Het magazine bevat o.a. getuigenissen van Messiaanse Joden, interessante Bijbelstudies, nieuws, verhalen van de Bijbelverspreiding en achtergrondartikelen. Of abonneer u gratis op onze digitale nieuwsbrief.

Gratis nieuwsbrief IB Magazine

Sluiten