Petrus' toespraken tot zijn volksgenoten

Bijbelstudie-petrus.jpg Naar overzicht Print pagina

In deze studie kijken we hoe de toespraken van Petrus in Handelingen 2 en 3 elkaar aanvullen en de voorwaarde onthullen voor de wederkomst van Israëls Messias en Zijn rijk op aarde.

Petrus, die ooit de moed had de Heere Jezus te bestraffen toen Hij sprak over Zijn lijden en sterven (Matt. 16:22) en het bericht over Zijn opstanding nog als kletspraat afdeed (Luk. 24:11), blijkt op de Pinksterdag hierover een geweldig inzicht te hebben ontvangen. 

Nadat de opgestane Christus het ‘verstand van Zijn discipelen had geopend, zodat zij de Schriften begrepen’ (Luk. 24:45), is het de Heilige Geest die Petrus op die dag in staat stelt zijn volksgenoten de weg in het profetisch woord te wijzen. Ik schrijf bewust ‘zijn volksgenoten’ omdat zijn boodschap exclusief aan hen is gericht. Zij waren degenen die volgens de wet (Deut. 16:16) op de Pinksterdag vanuit de hele wereld naar Jeruzalem waren opgetrokken.1

VRAAG VAN DE DISCIPELEN

Voor we ingaan op Petrus’ toespraken gaan we eerst even terug naar de vraag van de discipelen vlak voor Jezus’ hemelvaart: “Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?” (Hand 1:6). Een voor de hand liggende vraag, want niet alleen was dit herstel het grote thema voor Zijn dood en opstanding, maar ook daarna. Gedurende de 40 dagen tussen Zijn opstanding en hemelvaart sprak Hij namelijk met hen “over de dingen die het Koninkrijk van God betreffen” (Hand. 1:3). Hun vraag is ook niet of maar wanneer het koninkrijk hersteld zal worden. Daarop antwoordt de Heere Jezus: “Het komt u niet toe de tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft, maar u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde” (vs. 7-8). En dat laatste is precies wat Petrus op de Pinksterdag doet: Zijn getuige zijn, maar let wel, in de context van het beloofde koninkrijk. 

DE RELATIE TUSSEN JEZUS’ OPSTANDING EN KONINGSCHAP

Eerst pareert Petrus de aantijging dat het spreken in verschillende talen het gevolg is van dronkenschap door te wijzen op de (nog niet compleet vervulde) profetie van Joël (vs. 16-21).2 Vervolgens verklaart hij dat de kruisdood van de Heere Jezus in overeenstemming was “met het vastgestelde raadsbesluit en de voorkennis van God” (vs. 23).

Dat ook Zijn opstanding daar onderdeel van uitmaakt, bewijst hij met een citaat uit Psalm 16: “Want David zegt over Hem: Ik zag de Heere altijd voor mij, want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet zou wankelen. Daarom is mijn hart verblijd en mijn tong verheugt zich; ja, ook zal mijn vlees rusten in hoop, want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten en Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien. U hebt mij de wegen ten leven bekendgemaakt. U zult mij vervullen met vreugde door Uw aangezicht” (Hand. 2:25-28). 

En dan volgt Petrus’ uitleg: “Mannenbroeders, het is mij toegestaan over de aartsvader David vrijuit tegen u te zeggen dat hij én gestorven én begraven is, en dat zijn graf tot op deze dag bij ons is. Aangezien hij een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lichaam, voor zover het zijn vlees betrof, de Christus zou doen opstaan om Hem op zijn troon te zetten …” (vs. 29-30). 

Petrus legt dus een causaal verband tussen Christus’ opstanding en de belofte aan David dat ‘een vrucht van zijn lichaam’ op zijn troon zou zitten. Die belofte vinden we behalve in Psalm 132:11 ook in 2 Samuël 7:12-13: “Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.”

Dat het hier niet om Salomo gaat, blijkt uit tenminste drie aanwijzingen:

God Zelf zal deze Nakomeling (letterlijk ‘zaad’) doen opstaan,

David zal dan echter al ‘met zijn vaderen ontslapen zijn’,

Zijn koningschap zal voor eeuwig worden bevestigd. Het betreft dus een Koning Die eeuwig leeft.

In vers 34 en 35 citeert Petrus Psalm 110: “David is immers niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt: “De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd zal hebben als een voetbank voor Uw voeten.” 

Dat Hij is opgevaren naar de hemelen hebben de discipelen zelf gezien, maar dat Gods vijanden als een voetbank aan Hem onderworpen worden, wacht nog op vervulling. 

Denk aan Paulus’ woorden: “Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben” (1 Kor. 15:25). Dat die onderwerping uiteindelijk op aarde zal plaatsvinden, bewijzen onder meer de woorden van de twee mannen in witte kleding: “Deze Jezus, Die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze terugkomen als u Hem naar de hemel hebt zien gaan” (Hand. 1:11).

HEEL HET HUIS VAN ISRAËL

Maar let nu op de laatste woorden van Petrus’ eerste toespraak: “Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt” (2:36). Waarom moest heel het huis van Israël dit zeker weten? Omdat het herstel van het koninkrijk aan Israël zou aanvangen als zij tot geloof zouden zijn gekomen. En dat is precies het onderwerp van Petrus’ tweede toespraak in Handelingen 3.

DE KREUPELE MAN

Voorafgaand aan Petrus’ tweede redevoering worden we geconfronteerd met een opmerkelijke symboliek: een man die vanaf de moederschoot kreupel was en naar de tempel gedragen moest worden om aan de bezoekers een liefdegave te vragen. Een herkenbaar beeld van Israël, dat (evenals de rest van de mensheid) van nature niet in staat is om in Gods wet te wandelen. Denk aan Petrus’ woorden tijdens het apostelconvent: “Welnu dan, waarom verzoekt u God door een juk (de wet van Mozes) op de hals van de discipelen te leggen dat onze vaderen en ook wij niet hebben kunnen dragen?” (Hand. 15:10).

Met klem ontkent Petrus dat de genezing van de verlamde man door eigen kracht of godsvrucht heeft plaatsgevonden (vs. 12). Slechts in de Naam van Jezus Christus de Nazarener3 kon hij lopend, springend en God lovend met Petrus en Johannes de tempel binnengaan (vs. 6-8). Als het volk daarop verwonderd toestroomt, verklaart Petrus: “En Zijn Naam heeft deze man, die u ziet en kent, sterk gemaakt door het geloof in Zijn Naam. En het geloof dat er is door Hem, heeft hem in aanwezigheid van u allen deze volkomen gezondheid gegeven” (vs. 16).

Maar die zegen is niet alleen voor deze individuele Joodse man; heel het volk moest weten dat God Hem tot Heere en Christus gemaakt heeft (2:36). En als heel het volk dat zeker zou weten, oftewel tot geloof zou komen, zou er een tijd van ‘genezing’ voor Israël aanbreken. Petrus verbindt namelijk hun bekering aan een geweldige belofte: “Kom dus tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere, en Hij Jezus Christus zal zenden, Die tevoren aan u verkondigd is. Hem moet de hemel ontvangen tot de tijden waarin alle dingen worden hersteld, waarover God gesproken heeft bij monde van al Zijn heilige profeten door de eeuwen heen” (Hand. 3:19-21). 

De bekering van Israël als volk zal dus niet alleen de uitwissing van hun zonden betekenen, maar ook tijden van verkwikking4 en de komst van de Messias! Inderdaad moest Hij tijdelijk in de hemel ontvangen worden “tot de tijden waarin alle dingen worden hersteld”. 

Dat is het getuigenis van ‘alle heilige profeten door de eeuwen heen’. 

APPÈL OP HET GEWETEN 

Het is opvallend dat Petrus in beide toespraken heel sterk het geweten van zijn volksgenoten aanspreekt (2:23; 3:13-14). En dat is begrijpelijk, omdat berouw en bekering alleen door schuldbesef bewerkt kan worden. Hosea is een van de vele profeten door wie de Heere dit expliciet heeft aangekondigd: “Ik ga en keer terug naar Mijn woonplaats (Zijn hemelvaart), totdat zij zich schuldig weten en Mijn aangezicht zoeken. In hun benauwdheid zullen zij Mij ernstig zoeken” (Hos. 5:15).

EEN PROFEET UIT UW BROEDERS

En dan vervolgt Petrus zijn toespraak met de profetie van Mozes over de Profeet die God uit hun broederen5 zou laten opstaan (Deut. 18:15, 18; zie ook: Joh. 1:25, 46; Hand. 7:37): “Want Mozes heeft tegen de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal voor u een Profeet laten opstaan uit uw broeders, zoals ik; naar Hem moet u luisteren in alles wat Hij tot u zal spreken” (vs. 22). Het is alsof je de echo hoort van Gods woorden tijdens Jezus’ verheerlijking op de berg in gezelschap van Mozes en Elia: “Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem!” (Matt. 17:5). 

Overigens zal luisteren geen vrijblijvende keuze zijn, want “het zal zo zijn dat al wie niet geluisterd zal hebben naar deze Profeet, uit het volk uitgeroeid zal worden” (Hand. 3:23).

Ernstige woorden, die een inkijkje geven hoe ook in de toekomstige Messiaanse theocratie gehoorzaamheid een zaak van leven of dood zal zijn6, waarbij tevens ‘de groten der aarde’ zich aan Hem zullen moeten onderwerpen. Tot hen klinkt de oproep: “Nu dan, koningen, handel verstandig. Laat u onderwijzen, rechters van de aarde. Dien de HEERE met vreze, verheug u met huiver. Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt, wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.” Waarna troostrijke woorden volgen die voor alle tijden en voor alle mensen gelden: “Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!” (Ps. 2:10-12).

KINDEREN VAN DE PROFETEN

Nadat Petrus benadrukt dat deze dagen door alle profeten vanaf Samuël zijn aangekondigd, noemt hij zijn volksgenoten: ‘kinderen van de profeten’ (vs. 25). En daarmee bevestigt hij weer de woorden van zijn eerste toespraak: “Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal” (2:39). 

De ‘allen die veraf zijn’ heeft betrekking op het volksdeel dat zich bevindt in de diaspora (zie 2:9-11). Ook zij zijn kinderen van de profeten en hebben deel aan het verbond, waarvan Petrus zegt: “dat God met onze vaderen sloot, toen Hij tegen Abraham zei: En in uw Nageslacht zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden” (3:25).

Daarmee brengt hij zijn toehoorders terug bij de roeping en de belofte die God aan Abram in Genesis 12:1-3 gegeven heeft. Een belofte waarin Israël als eerste de zegen was toebedeeld, want zo eindigt Petrus’ tweede toespraak7: “God, Die Zijn Kind Jezus heeft doen opstaan, heeft Hem eerst naar u gezonden om u hierin te zegenen dat Hij ieder van u zou afbrengen van zijn slechte daden” (3:26). 

Het is de volgorde waaraan de apostelen steeds trouw zijn gebleven, maar die ook een pijnlijke keerzijde heeft als de boodschap wordt afgewezen. Zoals in Antiochië, waar Paulus en Barnabas hun volksgenoten waarschuwen: “Het was nodig dat het Woord van God eerst tot u gesproken zou worden, maar aangezien u het verwerpt en uzelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, zie, wij wenden ons tot de heidenen” (Hand. 13:46). En zo gebeurt het uiteindelijk ook. 

Heeft de vervangingstheologie dus een punt, met hun overtuiging dat Gods beloften aan Israël daarmee zijn overgegaan op de kerk? Nee, zeker niet. Luister maar naar de belangrijke verklaring van Paulus aan de gelovigen uit de heidenen: “Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis, opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog (!), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan. En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen” (Rom. 11:25-27). 

Kortom, Israëls verharding is voor een ‘deel’, heeft een ‘totdat’ en het wegnemen van hun zonden en het herstel van het koninkrijk ligt verankerd in een onwankelbaar verbond!

En dan volgt er voor ons als gelovigen in deze gemeentelijke fase van Gods heilsplan een belangrijke verantwoordelijkheid: “Zoals ook u immers voorheen God ongehoorzaam was, maar nu ontferming verkregen hebt door hun ongehoorzaamheid, zo zijn ook zij nu ongehoorzaam geworden, opdat ook zij door de ontferming die u bewezen is, ontferming zouden verkrijgen!” (Rom. 11:30-31).  

 

Voetnoten:

1    De ‘hier verblijvende Romeinen’ (2:10) waren Joden met een Romeins staatsburgerschap zoals ook Paulus die had (Hand. 22:28). De genoemde proselieten waren niet-joden die tot het jodendom waren overgegaan. Pas in Hand. 10 lezen we hoe via Petrus de deur tot het heil ook voor de heidenen wordt geopend (zie o.a. Matt. 16:19).

2   Petrus zegt niet: ‘dit is de vervulling’, maar ‘dit is wat gesproken is door de profeet Joël’.

3   Zo stond Hij onder het volk bekend (zie o.a. Matt. 2:23; 26:71; Mar. 10:47; 16:6; Hand. 2:22; 4:10)

4   Mogelijk ook een aanwijzing voor de komst en aanwegzigheid van Elia als wegbereider van de Messias (zie www.israelendebijbel.nl/terugkomstelia)

5   Vgl. Rom. 9:6; Hebr. 2:17.

6   Het oordeel over Annanias en Safira in Hand. 5 kan daarvan als een voorafschaduwing gezien worden.

7   Heel abrupt, zie 4:1

Deel dit artikel via


Meer van zulke artikelen lezen?

Neem voor slechts € 12,50 p.j. een abonnement op IB Magazine. Het magazine bevat o.a. getuigenissen van Messiaanse Joden, interessante Bijbelstudies, nieuws, verhalen van de Bijbelverspreiding en achtergrondartikelen. Of abonneer u gratis op onze digitale nieuwsbrief.

Gratis nieuwsbrief IB Magazine

Sluiten