Levenslessen uit het boek Job (dl. 5) - Bedenkelijke troost van Jobs vrienden

Bijbelstudie-Job.png Naar overzicht Print pagina

Hoewel hun intentie goed lijkt te zijn, blijkt later dat er nog wel enkele kanttekeningen te plaatsen zijn bij de troost en het medeleven van Jobs vrienden. Het spreekwoord luidt niet voor niets: In nood leert men zijn vrienden kennen.

Zeven dagen en zeven nachten zitten de drie vrienden stilzwijgend om Job heen. Je vraagt je af wat er in die tijd allemaal door zijn hoofd is gegaan. Maar als hij na die zeven dagen de stilte doorbreekt, blijkt zijn innerlijke gesteldheid een weerspiegeling van zijn uiterlijke gesteldheid te zijn.

“Daarna opende Job zijn mond en vervloekte zijn geboortedag. Job nam het woord en zei: Laat de dag vergaan waarop ik geboren ben, en de nacht waarin men zei: Er is een jongetje ontvangen. Laat die dag duisternis zijn; laat God er vanuit de hoogte niet naar vragen, en laat er geen lichtglans over schijnen. Laat de duisternis en de schaduw van de dood hem opeisen, laat wolken hem overdekken, laat verduisteringen van de dag hem angst aanjagen!” (3:1-5).

Er is iets geknapt bij Job. Zei hij eerst nog in 2:10: “Zouden wij het goede wel van God ontvangen en zouden we het kwade niet ontvangen?” Nu heeft wanhoop zijn ziel doorboord, zo blijkt ook uit zijn andere woorden: “Want wat mij angst aanjoeg, is tot mij gekomen; dat waarvoor ik beducht was, is mij overkomen. Ik ben niet gerust en ik ben niet stil, ik heb geen rust, er is onrust gekomen” (3:25-26).

Wat aangrijpend hoe hij die onrust beschrijft: “Hoelang duurt het voordat Uw blik zich van mij afwendt, voordat U mij de rust gunt om mijn speeksel door te slikken?” (7:19). Kan dat, als je zo’n krachtig geloof hebt als Job? Ja, want God komt in het leven van Job door lijden heen tot Zijn doel. Luister maar naar Jakobus’ commentaar: “U hebt gehoord van de volharding van Job, en u hebt de uitkomst van de Heere gezien, dat de Heere vol ontferming is en barmhartig” (Jak. 5:11).

De theologie en de vrienden

Die ontferming en barmhartigheid missen we helaas bij Jobs vrienden. Zij verklaren zijn lijden vanuit een kil theologisch en filosofisch perspectief: het zou het gevolg zijn van tekortkomingen en verborgen zonden. Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig!

Het doet denken aan de foute manier waarop de christenheid het lijden van het Joodse volk theologisch heeft proberen te verklaren. Joden zijn Christusmoordenaars. Zij hebben toch gezegd: “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen?” Zij hebben hun verdiende loon gekregen. Ze gaan daarmee voorbij aan:

  • het gebed van de Heere Jezus aan het kruis: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” (Luk. 23:34)
  • Petrus’ toespraak tot zijn volksgenoten in Handelingen 3:15: “De Vorst van het leven hebt u gedood”, om er in vers 17 en 18 meteen aan toe te voegen: “En nu weet ik, broeders, dat u het uit onwetendheid gedaan hebt, evenals uw leiders, maar God heeft op die manier vervuld wat Hij bij monde van al Zijn profeten aangekondigd had, namelijk dat de Christus lijden zou.”

Dat Job een andere kennis van zijn Messias heeft gehad, leidt geen twijfel. Midden in zijn vijfde toespraak, waarin hij op aandoenlijke wijze zijn diepe lijden beschrijft, doet hij plotseling die hoopvolle uitspraak: “Ik weet echter: mijn (!) Verlosser leeft” (19:25). Wat Jobs vrienden te zeggen hebben

Elifaz

“Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei: Als wij een woord tot jou trachten te richten, bezwijk je dan? Echter, wie zou nu zijn woorden kunnen inhouden? Zie, je hebt velen onderwezen, en je hebt slappe handen versterkt. Je woorden hebben degene die struikelde, opgericht, en de knikkende knieën heb je sterk gemaakt. Maar nu overkomt het jezelf, en je bezwijkt; het treft je, en je wordt door schrik overmand. Is je vrezen van God dan niet je verwachting, de oprechtheid van je wegen je hoop? Denk er toch aan: wie is ooit als onschuldige omgekomen, en waar zijn er ooit oprechten uitgeroeid?” (4:1-7).

Anders gezegd: Je woorden dekken niet je daden. Je hebt mooie woorden voor anderen, maar als het jezelf overkomt word je door schrik overmand.

Eigenlijk is het een gemene zinspeling op wat Job had gezegd: “Ik ben niet gerust en ik ben niet stil, ik heb geen rust, er is onrust gekomen” (3:26). Zijn woorden komen als een boemerang terug. Vreselijk, als je mensen in vertrouwen neemt, die later jouw woorden tegen je gebruiken.

Niet alles wat Elifaz in zijn monologen zegt, is onterecht. Paulus citeert zelfs de woorden van Elifaz in 1 Korinthe 3:19, “dat God de wijzen in hun sluwheid vangt” (5:13). En zo zegt Elifaz meer dingen die in beginsel correct zijn, maar in een verkeerde context worden gesproken. Het is waar dat het met de goddelozen niet goed afloopt, maar dat was in de context van Jobs geschiedenis niet het punt. Het geheim is: “Een woord op het juiste moment gesproken, is als gouden appels in zilveren schalen” (Spr. 25:11). En daarom kon Job cynisch zeggen: “Werkelijk waar, jullie zijn het volk met wie de wijsheid zal sterven!” (12:2).

Theologie in een doosje

Laten we nu in algemene zin kijken naar de verschillende perspectieven van waaruit de drie vrienden spreken. Het blijkt een theologie waarin God in een doosje wordt geplaatst. Het is een presentatie van een gesimplificeerd godsbeeld. Een beeld dat wij in onze begrippen kunnen inpassen, en dat niets wil weten van wat Jesaja over de HEERE zegt: “Met wie heeft Hij beraadslaagd dat hij Hem inzicht zou geven, Hem het pad van het recht zou leren, Hem kennis bij zou brengen of Hem de weg van veel verstand zou doen kennen?” (Jes. 40:14).

Er is in dit verband een interessante analogie met Johannes 9 waar de discipelen over een blindgeborene zeggen: “Rabbi, wie heeft er gezondigd, hij of zijn ouders, dat hij blind geboren zou worden? Jezus antwoordde: Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet, maar dit is gebeurd opdat de werken van God in hem geopenbaard zouden worden” (vs. 2-3). In deze geschiedenis draait het niet om zonden of tekortkomingen, maar om de openbaring van Gods werken en Zijn verheerlijking. De blindgeborene komt tot geloof in de Heere Jezus als de Zoon van God en aanbidt Hem (9:38). Jezus’ commentaar luidt dan ook: “Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat zij die niet zien, zien zouden, en die zien, blind zouden worden” (vs. 39). De blindgeborene kan vanaf zijn genezing zowel fysiek als geestelijk zien, in tegenstelling tot een ‘kort-door-de-bocht-theologie’ van de Farizeeën die de waarheid versluiert. “Deze Mens is niet van God, want Hij neemt de sabbat niet in acht” (9:16). De blindgeborene komt daarentegen met het enige juiste antwoord: “Als Deze niet van God was, zou Hij niets kunnen doen”. Met als gevolg: “En zij wierpen hem de synagoge uit” (vs. 33-34). En zo wordt ook Job als het ware door zijn vrienden buiten de gemeenschap geplaatst.

Maar dan volgt die troostrijke ontmoeting tussen de Heere en de van blindheid genezen man: “Jezus hoorde dat zij hem uit de synagoge geworpen hadden, en toen Hij hem gevonden had, zei Hij tegen hem: Gelooft u in de Zoon van God? Hij antwoordde en zei: Wie is Hij, Heere, zodat ik in Hem kan geloven? En Jezus zei tegen hem: Die u gezien hebt én Die met u spreekt, Die is het. En hij zei: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem” (9:35-38). En zo komt het ook op een bijzondere wijze goed tussen God en Job.

Terugkomend op Elifaz, moeten we constateren dat zijn wijsheid gebaseerd was op persoonlijke ervaring. Hij zegt: “Maar zoals ik gezien heb: zij die onrecht ploegen en moeite zaaien, oogsten dat ook” (4:8). Maar wat heeft hij dan gezien? Zijn antwoord doet vermoeden dat hij put uit occulte bronnen. “Verder, er is in het geheim een woord tot mij gebracht; mijn oor heeft er een fluistering van opgevangen. In de beangstigende gedachten van de visioenen in de nacht, als een diepe slaap op de mensen valt. Angst en huiver kwamen over mij, en zij joegen de veelheid van mijn beenderen angst aan. Een geest trok aan mijn gezicht voorbij; hij deed het haar van mijn lichaam te berge rijzen. Hij bleef staan, maar ik herkende zijn gedaante niet; er was een gestalte voor mijn ogen. Er was stilte, en toen hoorde ik een stem, die zei: Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God? Zou een man rein zijn voor zijn Maker?” (4:12-17).

Bildad

Bildad beroemt zich op de traditie van de vaderen: “Want doe toch navraag bij de vorige generatie, bereid je voor op een onderzoek naar hun vaderen. Immers, wij zijn van gisteren en weten niets, want onze dagen op aarde zijn een schaduw. Zullen die je niet onderwijzen, tot je spreken, en uit hun hart woorden voortbrengen?” (8:8-10). De apostel Petrus waarschuwt echter voor ‘de overlevering van de zinloze levenswandel van de vaderen’ (1 Pet. 1:18-19). Zowel het Jodendom als het christendom hebben veel tradities en overleveringen voortgebracht, die een kritische benadering en toetsing aan Gods Woord vereisen.

Zofar

Zofar is de intellectueel, die steunt op de menselijke rede als basis voor zijn monologen. Je zou hem kunnen typeren als de betweter, die zich verheft boven Gods Geest en die met z’n ‘weet je dit’ ook nog suggereert dat het Job aan kennis ontbreekt. Zijn woorden zijn dan ook stuitend. “Ik heb een bestraffing gehoord die mij schande aandoet; maar de Geest zal op grond van mijn inzicht (!) voor mij antwoorden. Weet je dit? Dat altijd al, vanaf het moment dat God de mens op de aarde geplaatst heeft, het gejuich van de goddelozen van korte duur geweest is, en de blijdschap van de huichelaar maar voor een ogenblik, ook al klimt zijn hoogmoed op tot de hemel, en raakt zijn hoofd tot aan de wolken. Hij zal, evenals zijn uitwerpselen, voor altijd vergaan; wie hem gezien hebben, zullen zeggen: Waar is hij?” (20:3-7).

Jobs Pleitbezorger

Zijn vrienden mogen hem dan in de steek laten, maar Job weet: “Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige, en mijn Pleitbezorger is in de hoogten. Mijn vrienden bespotten mij, maar mijn oog weent tranen tot God. Laat hij een man verdedigen bij God, zoals een mensenkind voor zijn vriend doet” (16:19-21). Wie zou Jobs pleitbezorger tegenover zijn kritische vrienden kunnen zijn? Net als Job mogen wij het antwoord weten: “Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan de rechterhand van God is, Die ook voor ons pleit” (Rom. 8:34).

Deel dit artikel via


Meer van zulke artikelen lezen?

Neem voor slechts € 12,50 p.j. een abonnement op IB Magazine. Het magazine bevat o.a. getuigenissen van Messiaanse Joden, interessante Bijbelstudies, nieuws, verhalen van de Bijbelverspreiding en achtergrondartikelen. Of abonneer u gratis op onze digitale nieuwsbrief.

Gratis nieuwsbrief IB Magazine

Sluiten