De brief aan de Hebreeën Een brugbrief tussen oud en nieuw verbond

Nieuw Testament | Geloofsopbouw Tekst, David Gwilym-Jones | Voormalig secretaris van de SDHS

De titel van de Hebreeënbrief

‘Hebreeën’ is een andere aanduiding voor ‘het Joodse volk’. Of deze titel nu wel of niet bovenaan de originele brief heeft gestaan, over de adressering behoeft weinig twijfel te bestaan. De brief zelf maakt duidelijk dat de lezer geacht wordt flink wat kennis van het Oude Testament in huis te hebben. Met andere woorden: Het is geschreven aan mensen die in de lange geschiedenislijn van Joodse gelovigen staan. Deze lijn begint in het Oude Testament bij Abel en loopt helemaal door tot de nieuwtestamentische gelovigen in het boek Handelingen. Heel hoofdstuk 11 van de brief wordt aan deze Joodse gelovigen gewijd. In deze lijn vinden we mensen die alle beloften van de Heere hebben omarmd, maar ook mensen die de beloften maar gedeeltelijk hebben aanvaard. Bij hen bestond nog enig ongeloof. De ontvangers van de brief waren dus Joodse mensen. Sommigen van hen namen al Gods beloften aan, anderen slechts gedeeltelijk. Het centrale thema dat voor deze twee groepen naar voren wordt gebracht, is het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond. Het eerste verbond faalde, maar het tweede had een zegenrijke uitwerking. Daarbij staat het werk van de Heere Jezus als de verrezen en verheerlijkte Messias1 centraal. Hij is de Zoon van de levende God, de Apostel, de Hogepriester en Middelaar van het nieuwe verbond. Dit thema bepaalt het specifieke doel van de brief te midden van de andere nieuwtestamentische brieven. De brief vormt in feite een verbinding tussen de Geschriften van het Oude en Nieuwe Testament. Door het oude verbond en het nieuwe verbond naast elkaar te zetten, wijst de brief haar lezers op het belang van het geloof in Jezus als Messias.

Geloof als sleutel

De brief benadrukt voortdurend het geloof als de sleutel tot het kennen van God (3:4; 4:2-3; 6:12; 10:38; 11; 12:2). Romeinen 10:17 legt het zo uit: “Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God”. ‘Wanneer we Gods Woord bestuderen, is het belangrijk om op de structuur te letten. Het vers uit Romeinen kunnen we als volgt ordenen: A. Het Woord van God B. Het gehoor A. Het geloof in God Het middelpunt in deze structuur is ‘het gehoor’. We kunnen het Woord van God lezen en zelfs beluisteren, maar zolang we niet werkelijk horen, zodat het tot ons doordringt, kunnen we niet geloven. Want ‘het geloof is uit het gehoor’. De Hebreeuwse en Griekse woorden voor ‘horen’ hebben ook de betekenis van ‘gehoorzamen’ in zich. Werkelijk horen resulteert dus in gehoorzaamheid. We kunnen aandachtige luisteraars zijn en goede lezers, maar toch niets horen. Het ‘niet horen’ is volgens de brief de oorzaak van het falen onder het oude verbond. De schrijver geeft als voorbeeld de Israëlieten die vanwege hun ongeloof het beloofde land en zijn zegenrijke rust niet mochten binnentrekken (3:19). Daar tegenover staan degenen die door hun geloof in de Heere Jezus wel Gods rust binnen mogen gaan (4:3; 10:38).

De ontvangers van de brief

We merkten al op dat we niet uit de titel hoeven af te leiden dat de brief geschreven is aan gelovige Joden of Hebreeërs. De titels van de Bijbelboeken zijn zelf namelijk geen onderdeel van de boeken, maar later toegevoegd. Gelukkig vertelt de brief zelf wie de geadresseerden zijn. Ten eerste door de vele verwijzingen naar de ontvangers. Ten tweede door de onderwerpen die besproken worden. Deze onderwerpen zijn alleen van belang voor Joodse mensen. Er wordt namelijk van veel voorkennis uitgegaan. We zullen zowel de verwijzingen naar de ontvangers als de onderwerpen nader bespreken.

Verwijzingen naar de ontvangers

  1. De vaderen  

Een belangrijke verwijzing naar de ontvangers van de brief is het begrip ‘de vaderen’ (1:1; 3:9; 8:9). Dit begrip staat in nauw verband met de verwijzing naar het zoonschap (12:5-11). Deze termen gaan over dezelfde verbinding tussen de vaderen en het kindschap die Paulus aangeeft in Romeinen 9:4-5: “Zij zijn immers Israëlieten; voor hen geldt de aanneming tot kinderen  en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften. Tot hen behoren de vaderen , en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus voortgekomen, Die God is, boven alles, te prijzen tot in eeuwigheid. Amen!” De term ‘de vaderen’ verwijst telkens naar Israël als volk ten tijde van het Oude Testament. Het zoonschap (of kindschap) verwijst naar een van de manieren waarop God Zijn volk aansprak. 

2. ‘Wij’ en ‘ons’  

Het gebruik van voornaamwoorden als ‘wij’ (bijv. 2:1, 3) en ‘ons’ (1:1; 2:3) is ook een belangrijke verwijzing naar het Joodse volk. Let vooral ook op de context van deze voornaamwoorden, zoals bijvoorbeeld in hoofdstuk 3 en 4. Ze staan telkens tegenover de voornaamwoorden ‘zij’ en ‘hen’. De schrijver schetst daarmee een contrast tussen de ongelovigen van toen en de gelovigen van nu.

3. Het volk  

De zinsnede ‘van het volk’ en het begrip ‘volk’ staan telkens in verband met het volbrachte werk van de Heere en in het bijzonder met het nieuwe verbond (2:17; 4:9; 5:3; 7:5, 11, 27; 8:10; 13:12). Het begrip ‘het volk’ slaat direct op het volk Israël, dat God uit alle volken heeft uitgekozen (Deut. 7:6).

4. Het huis  

De term ‘huis’ in de brief verwijst niet naar een gebouw, maar naar een groep mensen. Het begrip huis wordt in het Oude Testament regelmatig gebruikt om bijvoorbeeld een familie mee aan te duiden. De brief laat telkens zien dat er nu een ‘huis’ is dat het eerste resultaat is van het nieuwe verbond. Het vorige ‘huis’ was het huis van Mozes. Dit huis heeft gefaald, ondanks de trouw van Mozes (3:2-6). Dit wordt beschreven in hoofdstuk 3:7-19. Daar tegenover staat de zegen van de ‘nieuwe2  en levende weg’ in 10:19-22. De mensen die deze weg bewandelen, behoren tot het huis van de Messias als de Zoon (3:6). De verrezen Messias heeft hen Zijn huis binnengebracht door het bloed van het nieuwe verbond (1 Kor. 11:25; Matt. 26:28). Daarom behoren ze nu tot het huis van God. De Messias Zelf is hun grote Priester. Ze zijn deelgenoten van een hemelse roeping (3:1), hebben geproefd van de hemelse gave (6:4) en zijn genaderd tot de berg Sion en het hemelse Jeruzalem (12:22). Het huis van het nieuwe verbond is schitterend! Het is het resultaat van de zaligheid die, tijdens de periode van Handelingen, bevestigd is door hen die de woorden van de Heere Jezus zelf gehoord hebben (2:3). We zullen later op deze zaligheid terugkomen.

De besproken onderwerpen

  1. De grootheid van de Zoon  

Een belangrijk onderwerp in de brief is de grootheid van de Zoon ten opzichte van de engelen. Joodse mensen waren vertrouwd met dit onderwerp door de leer van rabbijnen. Maar ook schrijvers als Philo, die in de tijd van de Heere Jezus leefde, besteedden hier aandacht aan. In Hebreeën 1 ligt de nadruk op de goddelijke natuur van de Zoon. De schrijver citeert daarbij telkens het Oude Testament. Hij is God Zelf (Ps. 45:8; 2:7) en  wordt ook als zodanig aanbeden door de engelen (Deut. 32:43, Septuaginta3 ). Om de Leidsman en Voleinder van het geloof (12:2) en de Middelaar van het nieuwe verbond (12:24) te kunnen zijn, moet Hij de Zoon en God Zelf zijn. De Zoon is namelijk de enige Die God vertegenwoordigde in de periode van het oude verbond. Hij is dan ook de Middelaar van het nieuwe verbond tijdens Zijn eerste komst, en de Vervuller ervan in Zijn tweede komst.

2. De grote zaligheid  

Een ander onderwerp is het begrip ‘zaligheid’. Hebreeën 2:1-4 heeft het over de ‘grote zaligheid’ die ‘in het begin door de Heere is verkondigd, en die aan ons is bevestigd door hen die Hem gehoord hebben’. Deze tweevoudige bediening was gericht aan ‘de verloren schapen van het huis van Israël’ zoals de Heere Jezus zelf zei (Matt. 15:24). Hij gebood Zijn discipelen ook: “U zult u niet op weg begeven naar de heidenen en u zult geen enkele stad van de Samaritanen binnengaan, maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël” (Matt. 10:5-6). In het huis van Zacheüs zegt Hij: “Heden is dit huis zaligheid  ten deel gevallen, omdat ook deze een zoon van Abraham is. Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is” (Luk. 19:9-10). De Heere Jezus zoekt dus de verloren schapen van het huis van Israël. Dit zet Hij verder uiteen in de drie gelijkenissen van het verloren schaap, de verloren penning en de verloren zoon (Luk. 15:4-32). De apostelen zetten deze lijn door in Handelingen. Petrus zegt tegen de hogepriester: “De God van onze vaderen heeft Jezus opgewekt, Die u omgebracht hebt door Hem aan een kruishout te hangen. Deze Jezus heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker,  om Israël bekering te geven en vergeving van zonden” (Hand. 5:30-31). In Handelingen 4:12 zegt hij ook dat ‘de zaligheid in geen ander is’. Paulus zegt eigenlijk hetzelfde in Handelingen 13:23 en zegt in vers 26: “Mannenbroeders, kinderen van het geslacht van Abraham [Israëlieten], en wie onder u God vrezen [proselieten], tot u is het woord van deze zaligheid gezonden”. Daarom noemt de Hebreeënbrief Jezus ‘de Leidsman van hun zaligheid’ (2:10) en ‘een oorzaak van eeuwige zaligheid voor allen die Hem gehoorzamen’ (5:9). Het negeren of verwerpen van deze grote zaligheid zorgt ervoor dat ontkomen aan de straf niet meer mogelijk is (2:3; 12:25). Het is een rechtvaardige oorzaak en gevolg: wie de zaligheid afwijst, wordt door God afgewezen. Op de lezers van deze brief en een aantal anderen na, verwierp het volk Israël het aanbod van de zaligheid. Daarom werd ‘de zaligheid van God’ naar de heidenen gezonden, en ‘zij zullen wel horen’ (Hand. 28:28). Let op de term ‘horen’ die ook hier terugkomt als voorwaarde voor geloof. De Hebreeën die deze brief lazen, waren dus onderdeel van een gelovig overblijfsel, een klein deel van het volk (Rom. 11:5). Samen met gelovigen uit de heidenen vervulden zij de profetische woorden van Deuteronomium 32:21: “Zíj hebben Mij tot na-ijver gebracht met wat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun nietige afgoden. Ík zal hen daarom jaloers maken door wat geen volk is, door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken” (zie ook Jesaja 65:1, 2).

3. De heerschappij  

Het derde onderwerp is de onderwerping van alle dingen, oftewel de heerschappij. De heerschappij over het Koninkrijk is niet langer in handen van mensen of engelen, maar ondanks de falende mensheid in handen van Jezus als de Zoon des mensen (1:8). God neemt de engelen niet aan, maar het nageslacht van Abraham (2:16). Daarom leed Jezus als het Nageslacht van Abraham en stierf om satan, de huidige machthebber, te overwinnen (2:14-15). Hij werd de verrezen Messias. Zo kon Hij Zijn volk bevrijden van slavernij en hun barmhartige en getrouwe Hogepriester worden (2:17). Je zou zeggen: het herstel van heerschappij over de aarde in een notendop weergegeven. Tijdens Zijn bediening op aarde benadrukte de Heere Jezus voortdurend dat Hij ‘de Zoon des mensen’ was. In de vier Evangeliën komt de term maar liefst 84 keer voor. Zonder uitzondering gaat het over de Heere Jezus Zelf. De term staat meestal in verband met de noodzaak om af te rekenen met satan als machthebber, als voorwaarde voor het komende Koninkrijk. Het is ten diepste oudtestamentisch onderwijs. Daniël 7:13 gaat bijvoorbeeld over de Mensenzoon Die de heerschappij wordt gegeven. De Heere Jezus gebruikt ook zinsneden als ‘de dagen van de Messias’ uit de rabbijnse geschriften. Ze worden door Hem gebruikt, geherformuleerd en  uitgelegd. Hij kijkt vooruit naar Zijn lijden, sterven, begrafenis en opstanding en wijst erop dat dit een vervulling is van de profetieën. Alleen mensen met kennis van het oude verbond, die ‘de vertroosting van Israël’ verwachtten, kunnen dit ten volle begrijpen (Luk. 2:25). Alleen zij kennen de betekenis van ‘de Zoon des mensen’, ‘de Leidsman van hun zaligheid’, en ‘de Hogepriester’ Die door Zijn volbrachte werk hen in het nieuwe verbond heeft gebracht.

4. Meer dan Mozes  

Een onderwerp dat we reeds tegenkwamen bij de verwijzing naar het ‘huis’ is de vergelijking met Mozes. Hebreeën spreekt over de verrezen Messias als Zoon, Apostel en Hogepriester Die meer is dan Mozes (3:1-3). De tekst in Johannes 1:17 dat ‘de wet door Mozes gegeven is’, maar dat ‘genade en waarheid er door Jezus Christus zijn gekomen’ is de sleutel om dit gedeelte te begrijpen. Mozes was het kanaal waardoor God de wet kon geven. Tegelijk getuigde hij van wat later kwam: “En Mozes is wel trouw geweest in heel Zijn huis, maar als dienaar, om te getuigen van wat later gesproken zou worden” (Hebr. 3:5). Zo zien we het verschil in bedieningen van Mozes en Jezus Christus. Mozes was een dienaar, Jezus is de Zoon. Als dienaar was Mozes verantwoordelijk gesteld over Zijn huis: Zijn volk onder het oude verbond. Jezus Christus openbaarde God Zelf en bracht Zijn eigen volk een nieuw ‘huis’ op grond van een nieuw verbond en op grond van Zijn eigen bloed. Daarom gebruikt Johannes twee keer het lidwoord ‘de’: de  genade en de  waarheid kwamen door Jezus Christus. Mozes gaf slechts door wat hij ontving, Christus gaf, wat Hij bezat. Dat is de reden dat het nieuwe verbond in tegenstelling tot het oude onfeilbaar is! Deze waarheid werd door de ongelovige farizeeën en Joden in Johannes 9:28 niet begrepen. Tegen de door Jezus genezen blindgeborene zeiden ze: “U bent een discipel van Hem, maar wij zijn discipelen van Mozes”. Waarop de man antwoordt: “Er is toch iets wonderlijks in dat u niet weet waar Hij vandaan komt en dat Hij toch mijn ogen geopend heeft” (Joh. 9:30). Hoe konden zij discipelen van Mozes zijn en tegelijk weigeren om in Hem te geloven? Mozes had toch duidelijk van Hem gesproken? Filippus geeft dat ook aan: “Wij hebben Hem gevonden over Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en ook de profeten” (Joh. 1:46). De Heere Jezus Zelf bevestigt dit in Johannes 5:45-47: “… die u aanklaagt, is Mozes, op wie u uw hoop gevestigd hebt. Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven; want hij heeft over Mij geschreven. Maar als u zijn Schriften niet gelooft, hoe zult u Mijn woorden geloven?” Na Zijn opstanding zegt Hij het opnieuw tegen Zijn ongelovige discipelen: “O onverstandigen en tragen van hart! Dat u niet gelooft al wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? En Hij begon bij Mozes en al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was” (Luk. 24:25-27). De trouwe bediening van Mozes wordt tegenover die van de Heere Jezus gezet (3:2). Het grote verschil zit hem in de natuur van beide personen. De eerste was een zorgzame dienaar, de ander de Zoon zelf en de bouwer van Zijn eigen huis. Vanwege wie Hij is en wat Hij heeft gedaan, is Hij meer heerlijkheid waard dan Mozes (3:3).

Voor Joodse gelovigen

Zo zien we dat de brief op vele manieren een brug is tussen het oude en nieuwe verbond. Alleen mensen die kennis hadden van het Oude Testament, die stonden in de rij van gelovigen en de vervulling van Gods beloften aan Israël verwachtten, konden de Hebreeënbrief begrijpen. Hun hoop was gevestigd op de beloften die ze begrepen en omarmden.

 

1. Het woord ‘Messias’ komt niet letterlijk voor in de brief omdat deze in het Grieks geschreven is. De Griekse term voor Messias is Christus. Dit woord wordt wel regelmatig gebruikt. 2. Het Griekse woord dat voor ‘nieuw’ (S.V.: ‘versen en levenden weg’) gebruikt wordt komt alleen op deze plek in het Nieuwe Testament voor. Het heeft de betekenis van ‘recent’. Het woord drukt uit dat het zo ‘recent’ is als ‘zojuist geslacht’. Een opvallende betekenis in dit verband! 3. De schrijver citeert uit de Septuaginta (Griekse versie van het Oude Testament). Daar staat het vers als volgt: “Jubelt gij hemelen met Hem en Hem moeten alle engelen Gods huldigen; jubelt gij natiën om Zijn werk, en laten alle zonen Gods zich in Hem versterken, want Hij wreekt het bloed van Zijn zonen, en Hij zal zich wreken en recht vergelden aan Zijn vijanden en Hij zal hen die Hem haten vergelden en de Heer zal het land van Zijn volk reinigen”.

Sluiten