De geschiedenis van de Salkinson-Ginsburgvertaling

Achtergronden Tekst, David van Capelleveen

De geschiedenis van de Salkinson-Ginsburgvertaling van het Nieuwe Testament is tot op heden nauwelijks onderzocht en weinig beschreven. De Joodse vertaler, dichter en zendeling, Isaac Edward Salkinson (ca. 1820-1883), werkte er gedurende het grootste gedeelte van zijn leven aan. Hij stierf toen hij nog maar een paar hoofdstukken verwijderd was van de voltooiing van zijn meesterwerk. Zijn goede vriend Christian David Ginsburg (1831-1914), een Joodse geleerde, maakte vervolgens de vertaling af en redigeerde de eerste en tweede editie van 1885 en 1886. In dit artikel zullen we de totstandkoming van dit bijzondere werk in kaart brengen.

Salkinsons jeugd en bekering

Informatie over Salkinsons leven is schaars. Vooral over de jaren voor zijn bekering tot Christus is weinig bekend. Hiervan zijn de historische gegevens niet alleen gering, maar ook tegenstrijdig. Een aantal bronnen vermelden dat hij is geboren rond 1820 in Vilnius, de hoofdstad van Litouwen, dat in 1775 door het Russische rijk werd gean- nexeerd. Vilnius had indertijd een zeer grote Joodse populatie en een rijk Joods cultureel leven. Een andere bron noemt een klein dorpje buiten Shklov in Wit- Rusland, waar ook veel Joden woonden. Later zou zijn familie naar Shklov verhuizen. Beide plaatsen lagen in het zogeheten chertá osédlosti (het vestigingsgebied), de geografische zone in het Russische rijk waar Joden zich permanent mochten settelen.
Er wordt vaak geschreven dat Salkinson de zoon was van Salomon Ben Baruch Salkind, een dichter en leraar aan een Rabbijnenseminarie in Vilnius. Dit is echter onwaarschijnlijk, omdat Salkind in 1868 stierf en Salkinson al op jonge leeftijd wees werd. Een jubileumuitgave van Salkinsons latere zendingsorganisatie, de British Society for the Propagation of the Gospel Among the Jews, een over het algemeen betrouwbare en zeer relevante bron uit 1894, bevat een korte biografie over Salkinson waar het volgende over zijn jeugd wordt geschreven:
“Zijn ouders waren streng orthodox en hadden de wens dat hij rabbijn zou worden. Vanaf jonge leeftijd werd hij daarom met zorg opgevoed, zodat hij de Tenach al op vierjarige leeftijd kon lezen. Als kind verloor hij zijn vader en zeven jaar later overleed zijn moeder”.
Salkinson zat in zijn jeugd op een aantal Jesjiva’s (Talmoedscholen). Waarschijnlijk begon hij daarna een studie Duitse taal en literatuur op de universiteit van Vilnius. Uiteindelijk was het zijn bedoeling om naar de Verenigde Staten te verhuizen om daar te studeren onder een gerenommeerd rabbijn. De reis zou echter anders verlopen. Onderweg naar Amerika verbleef Salkinson in 1848 enige tijd in Londen, waar enkele missionarissen van de London Missionairy Society hem het Evangelie brachten. Dit leidde er uiteindelijk toe dat hij Jezus als zijn Messias mocht aanvaarden en niet lang daarna volgde zijn doop.

Salkinson als zendeling en de vertaling van de Romeinenbrief

Salkinson besloot in Londen te blijven. In plaats van de beoogde Rabbijnenstudie verkoos hij zendeling te worden onder zijn eigen volk. Ter voorbereiding begon hij in 1849 een training op het seminarie van de al eerder genoemde British Society for the Propagation of the Gospel Among the Jews. Het is op deze vierjarige opleiding dat Salkinson voor het eerst Christian David Ginsburg ontmoette, die met hetzelfde doel als Salkinson (zending onder het Joodse volk) zijn studie op het seminarium genoot. De vriendschap die ontstond tussen de twee zou cruciaal blijken in de toekomst. Na zijn training vestigde Salkinson zich in Schotland en in 1854 werd hij zendeling bij de organisatie the Friend of Israel. Naast zijn missionaire activiteiten begon hij in Edinburgh ook de opleiding tot pastor in de Schots Presby- teriaanse Kerk. In 1859 werd hij tot geestelijke gewijd.
In 1855 verscheen zijn eerste vertaling: de Romeinenbrief in het Hebreeuws. In een kort autobiografisch stuk over de jaren 1849-1879, schrijft Salkinson over zijn aanvankelijke motivatie het Nieuwe Testament te willen vertalen in het Hebreeuws: “Toen ik voor het eerst het Nieuwe Testament las – het was een Hebreeuwse versie – voelde ik hoe groot de noodzaak was voor een vertaling in idiomatisch Hebreeuws. Zodra ik genoeg kennis had om het Nieuwe Testament in de Griekse grondtaal te lezen, vertaalde ik daarom de brief aan de Romeinen ... Ik kwam er echter achter dat een goede vaardigheid in de kunst van het vertalen langdurige oefening vereist. In elke generatie hebben de Joden grote schrijvers voortgebracht, maar zeer zelden goede vertalers. Daarom zette ik er mij toe om eerst klassieke werken in het Hebreeuws te vertalen”.

Het is interessant dat Salkinson hier zijn andere werken, waar hij over het algemeen veel lof voor ontving, slechts als vingeroefeningen beschouwde ter voorbereiding op de vertaling van het Nieuwe Testament. Duidelijke kritiek op twee al bestaande Hebreeuwse vertalingen van het Nieuwe Testament vinden we in zijn voorwoord van de Romeinenbrief uit 1855. De editie van Fry & Collyer (verschenen tussen 1813-1817) had volgens Salkinson te vreemde structuren en een taalgebruik dat compleet tegenover het Hebreeuws stond. De editie van Greenfeld uit 1831 leed aan het gebruik van te veel Aramese vormen, plat taalgebruik en leunde te veel op het Misjna Hebreeuws. Voor Salkinson waren deze versies onver- enigbaar met het karakter en de stijl van de Schrift. Hij had voor zichzelf dus een gerechtvaardigde reden om een nieuwe vertaling te maken in, zoals hij dat noemde, “de pure Hebreeuwse taal voor het Hebreeuwse volk”. Deze versie zou wél hetzelfde taalkarakter hebben als de Tenach. Zijn vertaling van de Romeinenbrief functioneer- de als een proefuitgave om het publiek te overtuigen dat dit daadwerkelijk mogelijk was. De keuze was juist op deze brief gevallen, omdat de technische problemen van een Grieks-Hebreeuwse vertaling in de brieven van Paulus goed naar voren komen, aldus Salkinson. Hoewel Salkinson aanvankelijk misschien wat twijfelde aan zijn vertaalkwaliteiten werd de Romeinenbrief goed ontvan- gen bij de critici. Hij zou de komende jaren doorgaan met het vertalen van de Evangeliën, maar daarvan nog niets publiceren. Wel verscheen in 1858 een Hebreeuwse vertaling van the Philosophy of the Plan of Salvation, een anoniem verschenen traktaat van de Amerikaan James Barr. Het werd oorspronkelijk geschreven om sceptici te overtuigen van de universele waarheidsclaim van het christelijk geloof. Het werk had een wat meer filosofische inslag en was niet bevooroordeeld tegen het Jodendom. Daarom werd het zeer geschikt gevonden voor de Joodse zending.

Salkinsons vertalingen van klassieke literaire werken

Salkinson bleef bij the Friend of Israel werken totdat in 1862 familieomstandigheden hem noodzaakten te stoppen. In 1864 zou hij als zendeling terugkeren bij de British Society for the Propagation of the Gospel Among the Jews. Zijn vrouw Henrietta stond hem bij in al zijn zendingswerk. Hoewel er over de jaren 1864-1876 van zijn leven weinig bekend is, weten we dat hij in 1876 in Pressburg (het huidige Bratislava) werkte en in datzelfde jaar naar Wenen werd gestuurd, waar hij tot zijn dood in 1883 zou wonen. Wetende dat alle werken van Salkinson in deze jaren in Wenen gepubliceerd werden, is het aannemelijk dat hij als zendeling voornamelijk in de Oostenrijks-Hongaarse Donaumonarchie actief moet zijn geweest.

In 1871 verschijnt zijn Hebreeuwse vertaling van Paradise Lost, het epos van John Milton. Verassend genoeg publiceert Salkinson in 1876 ook een vertaling van het werk Urania über Gott, Unsterblichkeit und Freiheit van de Duitse dichter Christoph August Tiedge. Dit is een gedicht geïnspireerd door de ethiek van de filosoof Emanuel Kant. Salkinson vertaalde het omdat het volgens hem zeer gewaardeerd werd in Joodse kringen. In zijn vrije uren werkte hij ook aan twee werken van Shakespeare: Othello verscheen in 1872 en Romeo en Julia in 1878. Al deze publicaties werden zowel in kerkelijke kringen als door de critici en het publiek hoog gewaardeerd.

In deze jaren werkte Salkinson niet aan het Nieuwe Testament. Hij had namelijk in 1870 de bekende Duitse theoloog en Bijbelwetenschapper Franz Delitzsch ontmoet. Deze was op dat moment bijna klaar met zijn eigen Hebreeuwse vertaling van het Nieuwe Testament. Door de warme vriendschap die tussen beiden ontstond en uit respect voor Delitzsch’ eigen vertaling van het Nieuwe Testament, meende Salkinson in eerste instantie zijn vertaling te moeten staken. 

Het was op een zendingsconferentie in 1870 dat de Duitse theoloog en Bijbelwetenschapper Franz Delitzsch en Isaac Edward Salkinson elkaar voor het eerst ontmoetten. Er ontstond direct een hechte vriendschap. Beide zouden verantwoordelijk zijn voor de twee belangrijkste Hebreeuwse Nieuwe Testamenten van de negentiende eeuw. 

Toen Delitzsch (1812-1890) Salkinson leerde kennen, was zijn Nieuwe Testamentvertaling bijna gereed. Hij kon helaas geen uitgever vinden die het hele werk wilde financieren, iets wat Salkinson later ook zou overkomen. Maar er zijn meer parallellen tussen de twee: Evenals Salkinson was Delitzsch zeer ontevreden over de bestaande Hebreeuwse Nieuwe Testamenten. Al in 1838 had hij een eerste pleidooi geschreven voor een nieuwe vertaling en evenals Salkinson maakte hij een proefuitgave van de Romeinenbrief. Dit werk verscheen in 1870. Salkinson las het en bood zijn hulp aan, maar omdat Delitzsch tegen die tijd al zeer ver gevorderd was met de Hebreeuwse vertaling van het Nieuwe Testament kwam dit er niet meer van.

In een later artikel uit 1889 zou Delitzsch uitgebreid reflecteren op zijn eigen werk en dat van Salkinson. Delitzsch was ervan overtuigd dat zijn vertaling aanzienlijk beter zou zijn als zijn vriend hem zou hebben geholpen, maar hij schrijft: “Ik beschouw het nu als vrij vanzelfsprekend dat de man die grote lof had ontvangen voor zijn vertalingen van Tiedge’s Urania, Milton’s Paradise Lost en enkele toneelstukken van Shakespeare, zich niet gemakkelijk ondergeschikt zou maken als mijn werknemer”.

Salkinson besloot aan Delitzsch de ruimte te geven om zijn vertaling te kunnen publiceren. In een brief uit 1877 schrijft hij aan Delitzsch: “Je zult je nog wel herinneren, na je publicatie van Romeinen, dat ik je mijn hulp aanbood om de versie door te zetten en te voltooien. Toen liet je mij echter weten dat het materiaal van het gehele boek al in gereedheid was en dat dit alleen nog gecorrigeerd moest worden. Daarom, en vanwege het grote respect en de ware christelijke genegenheid die ik voor je koester, maakte ik de beslissing om mij te onthouden van verdere arbeid, en besloot ik om het hele terrein vrij te laten voor jouw werk”.

Toen Salkinson deze brief schreef, bleek Delitzsch’ Nieuw Testament inmiddels al te zijn gepubliceerd. Salkinson werd vervolgens door zijn zendingsorganisatie gevraagd om een Talmoedische Christologie te schrijven die gebruikt kon worden in het zendingswerk. Salkinson wilde echter bij nader inzien toch liever zijn vertaling van het Nieuwe Testament afmaken. Niet omdat hij ontevreden was over het werk van Delitzsch, zoals sommigen later suggereerden, maar uit oprechte bezorgdheid dat zijn volksgenoten een vertaling van een niet-Jood zouden weigeren en zo de kans op het Evangelie zouden mislopen. Dit bracht hem er uiteindelijk toe om zijn werk voort te zetten. In een brief uit 1883 aan de ‘Trinitarian Bible Society’, die de Salkinson-Ginsburg editie1 uiteindelijk zou publiceren, schrijft hij: “Het is verre van mij om ook maar ergens superioriteit in te claimen, of zelfs gelijkheid met iemand als Delitzsch. Ik heb veel te danken gehad aan zijn superieure geleerdheid en het is mijn gebed dat zijn Hebreeuwse versie vele lezers naar het kruis mag leiden, want er is een groep Joodse lezers die prima tevreden zullen zijn met een dergelijke versie. Maar er is ook een andere groep lezers die er bezwaar tegen zullen hebben ... deze groep wil graag een versie van de hand van een Joodse schrijver en iemand die geoefend is in de kunst van het vertalen”.

De vriendschap tussen Salkinson en Delitzsch is op zijn minst opmerkelijk te noemen, aangezien ze haaks staat op de latere rivaliteit tussen de aanhangers van hun vertalingen. Deze rivaliteit kan worden verklaard door de gespannen voet waarop de ‘Trinitarian Bible Society (later verantwoordelijk voor de Salkinson-Ginsburg editie) en de ‘British and Foreign Bible Society’ (uitgever van Delitzsch’ werk) ten opzichte van elkaar stonden. Zo ontstond een onnodige - voornamelijk met de pen uitgevochten - strijd over welke vertaling het beste was. De twee vertalers zelf hadden echter niets anders dan het grootste respect voor elkaar. Sterker nog, Delitzsch zou later toegeven dat Salkinson van zijn vertaling had geleend en dat hij op zijn beurt weer van de Salkinson-Ginsburg gebruik had gemaakt om zijn eigen werk te verbeteren.

Salkinson en Wilkinson

Vanaf 1877 hervatte Salkinson zijn vertaling van het Nieuwe Testament in Wenen. Een onbekende Russisch Joodse dokter deed hier proeflezingen van zijn manuscripten en voorzag hem van kritiek. Aan het einde van 1881 waren de brieven van Paulus, de Algemene brieven en Openbaring klaar. In de daarop volgende vier maanden voltooide Salkinson zijn vertaling van de Evangeliën, waarvan hij het grootste gedeelte al jaren geleden had gemaakt. Op Handelingen na was nu het gehele werk zo goed als voltooid en werd het tijd om een uitgever te zoeken. Daarvoor reisde Salkinson in 1882 naar Engeland. Zijn zendingsorganisatie probeerde nog de ‘British and Foreign Bible Society’ te overtuigen ook Salkinsons werk te gebruiken, maar deze weigerde. Salkinsons pogingen een andere uitgever te vinden, bleken tevergeefs, totdat hij in de herfst van 1882 zijn oude vriend John Wilkinson ontmoette.

Wilkinson (1824-1907) was zendeling en tevens directeur van de ‘Mildmay Mission to the Jews’, een kleine, door hem in 1876 opgerichte organisatie in Londen. In de jaren 1851-1853 was hij een medestudent van Salkinson en Ginsburg op het seminarie van de ‘British Society for the Propagation of the Gospel Among the Jews’. In zijn dagboeken2 beschrijft Wilkinson hoe Salkinson een dag met hem doorbracht in London. Daar smeekte hij hem om hulp met het vinden van een uitgever. Wilkinson stelde de ‘Trinitarian Bible Society’ voor, maar moest ook toegeven dat hij niet zoveel van de organisatie afwist. Hij beloofde ze aan te schrijven, waarna Salkinson onverrichter zake weer naar Wenen vertrok.

Salkinson en de Trinitarian Bible Society

In dezelfde tijd had de ‘Trinitarian Bible Society’ een gift gekregen. Net toen het bestuur had gebeden over hoe dit geld het beste besteed moest worden, kwam Wilkinsons brief binnen. Zending onder de Joden was hoog op hun agenda komen te staan en het verzoek van Wilkinson kwam dan ook als geroepen. Begin 1883 ontving Salkinson een schriftelijk verzoek van de organisatie om wat proeven van zijn werk, samen met een uitleg van zijn vertaalmethodes op te sturen.
Salkinsons zendingsorganisatie ging akkoord op voorwaarde dat hij voor zijn werk geen financiële vergoeding zou ontvangen. Dit was ook niet Salkinsons intentie. Hij was al van plan het gratis ter beschikking te stellen en kwam tot een overeenkomst met de organisatie. Rond mei 1883 werden in Wenen de eerste voorbereidingen getroffen tot het drukken van zijn Nieuwe Testament.
In één van zijn laatste brieven rond deze tijd reflecteert Salkinson op zijn vertaalwerk: “Het schijnt mij dat het vertalen naar het Hebreeuws mijn enige gegeven talent is. Dit talent heb ik toegewijd aan de Heer. Het is mijn albasten flesje met kostbare olie, uitgegoten voor de eer van mijn Redder. Moge de geur van Zijn Naam het gehele huis Israël vervullen”. Salkinson zou de publicatie van zijn meesterwerk niet meemaken. Net als de eerste pagina’s van Mattheüs zijn gedrukt, sterft Salkinson op 5 juni 1883. 

De dood van Isaac Edward Salkinson kwam geheel onverwacht. De Trinitarian Bible Society, die de publicatie van zijn levenswerk, de Hebreeuwse vertaling van het Nieuwe Testament, niet wilde opgeven, was haastig op zoek naar iemand die het werk kon voltooien. De keuze viel op Salkinsons oude vriend Christian David Ginsburg. In dit laatste deel zullen we zijn bijdrage aan de Salkinson-Ginsburg editie belichten en de geschiedenis van het werk volgen naar de uiteindelijke publicatie in 1885.

Salkinson en Ginsburg

David Ginsburg (1831-1914) werd geboren in Warschau. Op vijftienjarige leeftijd kwam hij tot geloof in Christus en nam vanaf die tijd de naam Christian David aan. Toen hij enkele jaren later van Polen naar Engeland verhuisde, leerde hij Salkinson kennen op het zendingsseminarium in Londen. Ze werden vrienden voor het leven. Tot 1863 was Ginsburg werkzaam als missionaris. De rest van zijn leven wijdde hij aan de studie van het Oude Testament en andere academische interesses.
Naast hun vriendschap steunden Salkinson en Ginsburg elkaar ook op professioneel terrein: Salkinson hielp Ginsburg met de publicatie van zijn onderzoek over de Masoretische traditie en Ginsburg hielp mee aan de vertaling en publicatie van John Miltons Paradise Lost. Toen Salkinson in 1883 overleed en de Trinitarian Bible Society op zoek moest naar iemand om het werk af te maken, viel de keuze daarom logischerwijs op hem.

In de maanden na Salkinsons overlijden werd Ginsburg halsoverkop beroemd door zijn hoofdrol in de Shapira Affaire. In juli 1883 bood Moses Wilhelm Shapira, een bekende antiquair uit Jeruzalem, het Brits museum voor een grote som geld een aantal tekstfragmenten aan. Mogelijk waren dit zeer oude Deuteronomium-teksten. Ginsburg werd ingehuurd om de fragmenten te onderzoeken en concludeerde dat het vervalsingen waren. De zaak kreeg veel media-aandacht en Ginsburg werd gezien als de held die het Britse volk redde van een potentieel schandaal. Het is in deze periode dat hij werd benaderd om het werk van Salkinson af te ronden. Hieraan begon hij rond april 1884 in Wenen, waar de manuscripten van Salkinson lagen.

Geen gemakkelijke opgave

Ginsburg nam de taak in liefde aan. Hij zag het als zijn plicht om het werk af te maken, ook omdat het in zekere zin een gedenkteken zou worden aan zijn vriend. In een presentatie van de vertaling zei hij hierover later: “Ik kon niet tolereren dat het levenswerk van mijn overleden vriend verloren zou gaan, te meer omdat ik de waarde ervan kende”. Het bleek echter geen gemakkelijke opgave: met uitzondering van de vier evangeliën waren Salkinsons manuscripten niet gevocaliseerd1. Daarnaast waren de laatste zestien hoofdstukken van Handelingen niet vertaald en een aantal andere verzen stonden nog open voor correctie. Het zou Ginsburg een heel jaar kosten om het document te redigeren en te publiceren. Het werk werd extra vertraagd omdat de betrokken drukker overleed en naar een vervanger moest worden gezocht. Dit zou uiteindelijk de Weense hofdrukkerij Carl Fromme worden, die zowel de eerste als de tweede editie van de Salkinson-Ginsburg zou drukken in 1885 en 1886.

De eerste en tweede editie

In juni 1885 verscheen dan eindelijk de eerste editie van de zo genoemde Salkinson-Ginsburg in een oplage van 2.000. Deze was al binnen een maand uitverkocht. In januari 1886 werd een nieuwe oplage van 10.000 aangekondigd. Door fondswerving van ds. John Wilkinson steeg dit aantal aanzienlijk naar 110.000 stuks. Hiervan werden 100.000 exemplaren verspreid onder de Joodse gemeenschappen in het toenmalige Russische rijk, waar in die tijd een derde (4 miljoen) van de Joodse wereldbevolking woonde.

Zoals gebruikelijk bij een Bijbelvertaling, werd de tweede editie ook inhoudelijk herzien. Ginsburg nam met een team van zes Joodse geleerden deze taak op zich. Hoewel de Salkinson-Ginsburg geliefd was bij het publiek, reageerden de critici aanvankelijk gemengd op de eerste editie: velen prezen de ongeëvenaarde proza van Salkinson, maar waren het niet altijd eens met zijn gemaakte vertaalkeuzes. Een doorn in het oog was voornamelijk zijn gebruik van het Oude Testament, wanneer dit in het Nieuwe Testament geciteerd wordt. Hier volgde Salkinson in principe altijd de Masoretische tekst, ook wanneer de Griekse grondtekst er van afwijkt. In de nieuwe editie werd dit aangepast. Het herzieningsproces nam ongeveer een jaar in beslag. In oktober 1886 verscheen de tweede editie, die beter ontvangen werd. Het duurde drie jaar voordat deze volledig was uitverkocht.

Naar een nieuwe editie

In de daaropvolgende decennia werd de Salkinson-Ginsburg talloze keren herdrukt. De tekst bleef echter meer dan een eeuw grotendeels ongewijzigd. In 1998 begon dr. Eric Gabe uit Engeland aan een project om de tekst van de Salkinson-Ginsburg in lijn te brengen met de Textus Receptus-tekst- familie van het Nieuwe Testament. Hier zijn bijvoorbeeld ook de Statenvertaling en de King James Versie op gebaseerd. Deze editie verscheen voor het eerst in 2000. Enkele jaren later overleed Gabe. Om een beter zicht te krijgen op zijn tekstaanpassingen werd er in 2010 een nieuw onderzoek gestart onder leiding van Prof. dr. Pieter A. Siebesma, waaraan ook de auteur van dit artikel verbonden was. De herziene versie die hieruit voortgekomen is, zal binnenkort in gebruik worden genomen.
De Salkinson-Ginsburg is inmiddels in dertien paralleledities verschenen. Het werk is verkrijgbaar met vertalingen in het Nederlands, Engels, Arabisch, Frans, Duits, Hongaars, Italiaans, Portugees, Roemeens, Russisch, Spaans en Jiddisch. Er is ook een editie waarin de Salkinson-Ginsburg naast de moderne Ivriet-vertaling van het Israëlische Bijbelgenootschap staat. Zo kunnen de Hebreeuwse lezers het Nieuwe Testament lezen in het klassieke Hebreeuws en in de dagelijkse spreektaal. Laten we hopen en bidden dat deze - en andere edities - nog vele lezers naar de Messias mogen leiden.

Voetnoten:
1. Zo genoemd omdat Ginsburg de onvoltooide vertaling van Salkinson na zijn dood zou voltooien.
2. Deels door zijn zoon gepubliceerd in een biografie van 1909.

Sluiten