De voetstappen van Abrahams geloof

Bijbelse personen | Oud Testament Tekst, Hans van de Lagemaat

Paulus noemt het ‘wandelen in de voetstappen van Abrahams geloof’ (Rom. 4:12). En inderdaad, als we het leven van deze ‘vader van alle gelovigen’ nagaan, vinden we geweldige voorbeelden om na te volgen.

Geloof op de proef gesteld

Een van de eerste dingen die we van Abraham (toen nog Abram) lezen, is dat zijn huisvrouw onvruchtbaar was (Gen. 11:30). Gods belofte “Ik zal u tot een groot volk maken” (Gen. 12:2) moet Abrahams geloof dan ook behoorlijk op de proef hebben gesteld. Maar hoewel hij God nog maar nauwelijks kent, gehoorzaamt Abraham Gods gebod om zijn land te verlaten en naar het beloofde land te trekken.

De belofte herhaald

Dat Abraham een groot nageslacht zou krijgen, wordt diverse malen in de Bijbel herhaald. De tweede keer waar deze belofte wordt genoemd vinden we in Genesis 12 vers 7. Daar wordt de landsbelofte gekoppeld aan de belofte van een nageslacht: “Aan uw zaad zal ik dit land geven”. Hoe talrijk dat zaad zou zijn, volgt in 13:16: “Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden”.
De eerste keren dat God Zijn belofte doet, reageert Abraham vol vertrouwen. In antwoord op de tweede en derde keer bouwt Abram zelfs een altaar en aanbidt de Heere (Gen. 12:7; 13:18). Maar als de Heere voor de vierde keer Zijn belofte doet, zijn er inmiddels al heel veel jaren verstreken en komt de worsteling in Abrahams hart opzetten. Nadat de Heere zegt: “Vrees niet Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot” (Gen. 15:1), gaat Abraham bijna een oneerbiedig discussie met God aan: “Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?” Met andere woorden: ‘Hoe kunt U spreken van een Loon? U heeft me meermalen een nageslacht beloofd, maar Ik heb nog steeds geen kinderen. Ik ben oud, en mijn vrouw is nog steeds onvruchtbaar. Wat wilt U? Ik zal als een kinderloze man sterven. En Eliëzer, mijn knecht, uit Damaskus, die zal alles erven’.
We kunnen Abraham wel begrijpen. Het was voor hem ondoorgrondelijk. Hoe zou God Zijn beloften waarmaken? Hier is echter een van de vele voorbeelden uit de Bijbel die een oud gezegde illustreert: “’s mensen verlegenheid, is Gods gelegenheid”.
Gods antwoord is duidelijk. “Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lichaam voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn. Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn.”

Gerechtvaardigd door het geloof

Deze woorden hebben alle twijfel uit Abrahams hart verdreven, met als gevolg: “En hij geloofde in de HEERE; en Hij rekende het Hem tot gerechtigheid” (Gen 15:6).
Jaren van worsteling met Gods Woord lagen achter hem. Ook nu had hij nog geen enkel zicht op de vervulling, maar hij geloofde in de HEERE. De belofte die daarop volgde, was mogelijk nog zegenrijker: “En Hij rekende het Hem tot gerechtigheid”.
Paulus gebruikt deze episode in Abrahams leven om in de brief aan de Romeinen het onderwerp over de rechtvaardiging door het geloof uiteen te zetten.

God Die doden levend maakt

In Romeinen 4:17 geeft Paulus nog een belangrijk detail van Abrahams geloof. Hij vertrouwt God als Degene “Die de doden levend maakt, en de dingen roept, die niet zijn, alsof zij waren”. Hoewel zijn eigen lichaam niet meer in staat is om kinderen te verwekken1 en zijn vrouw altijd onvruchtbaar is geweest, gelooft hij ‘tegen hoop op hoop’ (vs. 18) dat God Zijn beloften waarmaakt.

Het redeneren van Sarai

Hoewel God Zijn belofte nog een keer herhaalt (Gen. 15:18), lezen we in Genesis 16:1: “Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet”.En dan slaat het redeneren van Sarai toe: “Zo zei Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worde. En Abram hoorde naar de stem van Sarai”. Het zal van Sarai allemaal goed bedoeld zijn, maar deze zonde van ongeloof had wel grote gevolgen. We weten hoe de nageslachten van Ismaël en Izak tot op de dag van vandaag tegenover elkaar staan.

Abrahams geloof opnieuw beproefd

Uiteindelijk maakt God Zijn belofte aan Abraham waar en krijgt hij op honderdjarige leeftijd een zoon; Izak. Als Izak groot is geworden, volgt er opnieuw een hele zware beproeving voor Abraham. Hij moet hem als een brandoffer op de berg Moria offeren. Waarom deze beproeving? Misschien ligt het antwoord in wat we reeds hebben gezien. Abraham werd gerechtvaardigd door het geloof, dat evenwel later door zijn daden wordt weersproken. Abraham wilde immers zelf die belofte waar maken door een kind te verwekken bij Hagar. Met de beproeving die nu volgt, kan hij uit zijn werken, laten zien dat hij God daadwerkelijk gelooft.2

Opstanding uit de doden

Opnieuw hebben we een directe relatie met de opstanding. Abraham gaat naar Moria. Hij heeft de intentie om Izak te offeren. En zonder enige twijfel zou hij het gedaan hebben als God hem er niet van had weerhouden (Gen. 22:10-12). Hoe indrukwekkend schittert hier Abrahams geloof in een God Die de doden levend maakt. Het bewijs daarvoor zien we in Hebreeën 11:17-18: “Door het geloof heeft Abraham, toen hij beproefd werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd, (tot wie gezegd was: In Izak zal uw zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken, waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft”.
Ook dit is niet alleen om Abraham maar ook om ons geschreven. Abraham is een van die velen uit die grote wolk van getuigen die wij rondom ons hebben van wie de apostel schrijft: “Daarom dan ook, alzo wij zo’n grote wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus ...” (Hebr. 12:1, 2). Die Leidsman en Voleinder heeft ook het geloof van de soms worstelende Abraham tot voltooiing gebracht, zodat van hem getuigd kon worden: “En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer!” (Rom. 4:20).

Voetnoot:
1. In Hebreeën 11:12 wordt Abraham als ‘een verstorvene’ aangeduid uit wie een groot nageslacht is voortgekomen. Ook hierin mogen we het wonder van nieuw leven uit de dood ontdekken. Dit wonder eindigt overigens niet bij de verwekking van Izak, ook bij Ketura heeft Abraham nog steeds kinderen mogen verwekken (Gen. 25).
2. Hier ligt ook de oplossing van die schijnbare tegenspraak tussen Jakobus en Paulus. In Jakobus 2:24 staat: “Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleen uit het geloof?” Maar lees het voorgaande, en u zult zien dat Jakobus hier duidelijk verwijst naar de gebeurtenissen uit Genesis 22.

Sluiten