De vreze des HEEREN

Geloofsopbouw Tekst, Hans van de Lagemaat

De woorden vrees of angst hebben in zichzelf geen positieve klank. Ieder mens krijgt er in zijn leven wel mee te maken. Angst voor mensen. Angst voor de dood. En sommigen zelfs angst voor het leven zelf.

Mensenvrees

Angst voor de dood vinden we heel indringend beschreven in Psalm 116: “De banden van de dood hadden mij omvangen en de angsten van de hel hadden mij getroffen” (vs. 3).
Maar ook mensenvrees vinden we de hele Bijbel door. Elia vervulde aanvankelijk zijn dienst aan God zonder een zweem van angst. Hoe dapper klonken zijn woorden toen hij voor het aangezicht van de vijandige koning Achab stond: “Zo waarachtig als de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta” (1 Kon. 17:1). Jaren later, wij zouden zeggen op het hoogtepunt van zijn carrière, zien we hem vluchten voor de dreigementen van een afgodische vrouw. Elia vluchtte, “om zijns levens wil” (1 Kon. 19:3).
Mensenvrees was ook de discipelen niet onbekend. Drie jaar lang hadden zij geleefd in de directe omgang met de Allerhoogste Zelf. Maar na de dood van de Heere, sloten zij de deuren uit angst voor de Joden (Joh. 20:19).
De voorbeelden zijn heel eenvoudig te vermeerderen. Echter, in al die voorbeelden lezen we ook dat, voor hen die op de Heere vertrouwen, de angst ongegrond is. In Psalm 116 roemt de dichter in Gods verlossing en zijn de regels die volgen op zijn gebed één grote dankzegging en lofprijzing vol vreugde.
In het geval van Elia zendt de Heere een engel om hem te versterken en na zijn reis naar Horeb mag hij de nabijheid van de Heere ervaren, zoals waarschijnlijk geen ander van de Oudtestamentische gelovigen na Abraham en Mozes.
De discipelen in hun angst hoorden plotseling uit de mond van de opgestane Heere de woorden: “Vrede zij ulieden!”. Dan is er toch geen plaats meer voor angst? Hoe vaak werd er tegen het gelovig overblijfsel van Israël niet gezegd: “Vrees niet!”. Met name de profeet Jesaja staat er vol van. De woorden worden gesproken in omstandigheden waarbij ze uit de mond van een mens geen enkele zeggingskracht zouden hebben, maar uit de mond van de God van Israël bieden ze troost en vrede in de moeilijkste situaties.

De vreze des Heeren

Toch kent de Bijbel ook een heel ander aspect van dit woord. Waar het juist een positieve, een gunstige klank heeft. Dat is in de uitdrukking ‘de vreze des Heeren’.
We hoeven niet te gaan filosoferen of theologiseren om erachter te komen wat deze uitdrukking betekent. De Heere heeft haar zelf heel duidelijk omschreven.
“De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid” (Ps. 19:10).
“De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid” (Ps. 111:10, Spr. 9:10).
“De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en de hoogmoed, en de kwade weg” (Spr. 8:13).
“In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen” (Spr. 14:26).
“De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods” (Spr. 14:27).
Met name in de laatste twee verzen zien we de vreze des Heeren als het ware verpersoonlijkt. In Wie anders vindt Israël (en vinden wij) in angst en nood een Toevlucht dan in de Heere Jezus Christus? (zie Jes. 25:4). Wie is de Springader des Levens? (zie Jer. 2:13, vgl. Joh 4:13, 14). Inderdaad lezen we dat op Hem “de Geest der kennis en der vreze des HEEREN” zou rusten (Jes. 11:2).

De schrik des Heeren

De Griekse vertaling van de vreze des Heeren (phobos kuriou) vinden we ook bij Paulus terug. Helaas vertaalt de SV daar “de schrik des Heeren” en NBG doet het wel erg vrij met “hoe zeer de Here te vrezen is”. Wat Paulus in 2 Korinthe 5:11 wil zeggen, is niet dat hij de mensen vanuit een bepaalde angst voor God tot het geloof wil bewegen, maar juist vanuit zijn kennis van de “vreze des Heeren”. Paulus kende de Schriften van zijn vaderen. Als hij deze uitdrukking gebruikt, dan ligt het toch voor de hand dat hij ze gebruikt in overeenstemming met die Schriften, zoals boven aangehaald? Ondanks alle angst, moeite en tegenstand waarin hij bijna dagelijks verkeerde, kende hij geen beter motief dan juist de vreze des HEEREN om de mensen tot het geloof te bewegen en hem na te volgen. “Wij dan wetende de vreze des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof.”

Vreze en beven

Bij vrees hoort beven. Ook dat woord komen we bij Paulus tegen. “Alzo dan, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezigheid, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven” (Fil. 2:12). Er is geen brief van Paulus die er zo de nadruk op legt om in de gehele levenswandel de geest van Christus te tonen dan die aan de Filippenzen. Niet om de zaligheid te verdienen, maar juist om die uit te werken. Als ware kinderen van God te wandelen in de vreze des Heeren met beven. Dat gaat gepaard met blijdschap, vreugde (zie Fil. 4:4). Kan vreze en beven, gepaard gaan met vreugde? Ja, ook hier put Paulus waarschijnlijk uit zijn kennis van de Schriften van Israël. “Nu dan, gij koningen, handelt verstandig; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde! Dient de HEERE met vreze, en verheugt u met beving” (Ps. 2:10).
Hoe paradoxaal het ook klinkt. Vrees voor mensen werkt geen blijdschap. Integendeel. Angst voor de dood geeft benauwdheid en zeker geen vreugde. Maar ware kennis van de vreze des Heeren bevrijdt en geeft vreugde!

Sluiten