De zaligheid is uit de Joden

Evangelie voor Israël Tekst, Jakob Klein Haneveld

Alle zegeningen komen volgens Gods plan ‘uit de Joden’. Tot Abraham zei de HEERE: “In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden” (Gen. 12:3). Tot de Samaritaanse vrouw zei de Heere Jezus: “De zaligheid is uit de Joden” (Joh. 4:22). Met Zijn opmerking dat de zaligheid uit de Joden is, zinspeelde de Heere Jezus naar alle waarschijnlijkheid op de hier volgende feiten.

1. De Schriften

Het Oude en het Nieuwe Testament zijn tot ons gekomen ‘uit de Joden’. Alle schrijvers, Lukas de geliefde medicijnmeester niet uitgesloten, waren Hebreeërs uit de Hebreeën. Zelfs de Griekse Geschriften van het Nieuwe Testament spreken met de stem van Israël. Deze unieke literaire schat en Goddelijke bibliotheek is ons deel geworden door de Joden. Zij waren niet alleen de schrijvers, maar ook de bewaarders van de Bijbel. Aan hen waren de Woorden Gods toevertrouwd. En zij bewaarden het ook voor u.

De Joden beschouwden het als hun hoogste voorrecht dat God aan hen Zijn Woord had toevertrouwd. Als Paulus de vraag opwerpt: “Wat is dan het voordeel van de Jood?”, luidt het antwoord: “Vele in alle manier. Want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd” (Rom. 3:1, 2).
In diezelfde lijn riep Mozes uit: “En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?” (Deut. 4:8). De Psalmist zegt: “Hij maakt Jacob Zijn Woord bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah” (Ps. 147:19, 20).
Een diep gevoel van dankbaarheid zou in onze harten moeten branden, als wij denken aan David en zijn Psalmen, die ons zo dierbaar zijn; als wij denken aan de Heere Jezus, Die naar het vlees, uit het zaad van David en het zaad van Abraham kwam (Matt. 1:1) en als wij denken aan Paulus, die ons tot kennis van God en Jezus Christus bracht.
Niet alleen zijn de Schriften ‘uit de Joden’ en toevertrouwd ‘aan de Joden’, zij handelen ook ‘overde Joden’. God plaatste bij uitstek één volk op de bladzijden van de Bijbelse geschiedenis, opdat alle volken de weg van dat volk zouden bestuderen en zichzelf aan dat volk zouden spiegelen. Tragischerwijs zijn Joden daarentegen eeuwenlang vervolgd. Zij werden ervan beschuldigd Christus te hebben gedood. Maar bedenk wel dat de heidenen medeschuldig waren aan Zijn kruisiging, zoals Petrus zegt in Handelingen 4:27: “Want in waarheid zijn vergaderd tegen Uw Heilig Kind Jezus, Die Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls”.

2. De Zaligmaker der wereld

De Zaligmaker der wereld is ‘uit de Joden’. Hij werd geboren als ‘Koning der Joden’, uit een Joodse maagd, in een Joodse stad en is ‘uit Juda gesproten’ (Hebr. 7:14). Het Hebreeuwse woord voor Juda is ‘Jehoeda’ en het Hebreeuwse woord voor Jood is ‘Jehoedi’. Ik zeg dit, omdat sommigen ons vandaag willen doen geloven dat de Heere Jezus geen Jood was. De Samaritaanse vrouw wist wel beter. Zij vraagt: “Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken?” (Joh. 4:9). Zacharia 10:3, 4 noemt Hem de Hoeksteen, Die uit Juda voortkwam.
De grootste rijkdom van Israël is dus dat ‘uit hen de Christus is voortgekomen, Dewelke is God, boven allen te prijzen tot in eeuwigheid’ (Rom. 9:5).

3. De Zaligheid

Toen de Heere Jezus zei dat de zaligheid uit de Joden is, wist Hij als geen ander wat die ‘zaligheid’ inhield. Petrus zegt tot het Joodse Sanhedrin: “Gij zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.
God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Hem eerst tot u gezonden, dat Hij u zegenen zou, daarin dat Hij een ieder van u afkere van uw boosheden”.
De belofte aan Abraham heeft dus alles te maken met de gekruisigde en opgestane Christus. Dat bevestigt ook Galaten 3:8: “En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden”.

De openbaring van die zaligheid, kwam ook via de Joden tot ons. Toen de Ethiopische schatbewaarder de weg tot zaligheid wilde weten, moest hij eerst de Joodse Schriften lezen om deze vervolgens door een Joodse evangelist (Filippus) uitgelegd te krijgen. De eerste predikers van het Evangelie waren dus Joden. Niet verwonderlijk want ook Jezus’ bekende woorden in Mattheüs 28:19 waren aan Joden gericht: “Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb”.

4. Wederkomstzegeningen

Alle zegeningen in het 1000-jarig vrederijk zullen ‘via de Joden’ tot de volken komen. Dat rijk kan dus niet eerder beginnen, voordat de hervergadering van Israël een feit is. De Joden zullen namelijk het modelvolk voor de andere volken zijn. Jesaja schrijft over die tijd: “Dan zullen vele volken heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg des HEEREN, tot het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord des HEEREN uit Jeruzalem” (Jes. 2:3). Er zal in hun zaaitijd en oogsttijd, in hun handel en wandel, geen enkele activiteit zijn, die niet voor de HEERE geheiligd zal worden; want “in Zijn Naam zullen zij wandelen, spreekt de HEERE” (Zach. 10:12). Alle volken zullen dan hun voorbeeld volgen! Door de interventie van Jezus Zelf en door bemiddeling van de Joodse natie zal er een tijd komen, waarin Gods wil zal geschieden zowel in de hemel als ook op de aarde (Matt. 6:10). Over dat ongekende gouden tijdperk schrijft Paulus: “Want indien hun (de Joden) verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden” (Rom. 11:15).

De praktijk

Nu kom ik nog tot enkele praktische zaken. Als we overtuigd zijn dat alle tegenwoordige en toekomstige zegeningen ‘uit de Joden’ voortkomen, zijn we hun dan niet iets verschuldigd? De apostel Paulus zegt door de Heilige Geest van wel.
“Want indien de heidenen hun geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen” (Rom. 15:27). Wij, Christenen, zijn dus ‘schuldenaars’ van de Joden.
Wat zijn wij hen schuldig en hoe kunnen wij aan onze verplichting voldoen?

1. Wij zijn de Joden onze liefde en hulp schuldig.
Evenals in de dagen van Paulus verkeren veel Joodse gelovigen in behoeftige omstandigheden. Paulus deed een beroep op de Christenen van zijn tijd, om bij te dragen hun noden te verlichten. Hij schreef over dit onderwerp maar liefst twee hoofdstukken (2 Kor. 8 en 9). Hoeveel lezers van deze hoofdstukken hebben zich gerealiseerd dat zij geschreven werden om de heidense christenen op te wekken tot liefde en daadwerkelijk hulpbetoon ‘voor de arme heiligen te Jeruzalem’!

2. Wij zijn hun ons gebed schuldig. Wij moeten het voorbeeld van Paulus volgen en zeggen: “Broeders, de toegenegenheid van mijn hart, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid” (Rom. 10:1). Laat niemand u wijs maken dat u niet hoeft te bidden voor Israël. Wie kan de woorden van Jesaja lezen zonder opgewekt te worden om te bidden voor Israël: “O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die gedurig al de dag en al de nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des HEEREN doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij u wezen! En zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevestigt, en totdat Hij Jeruzalem stelt tot een lof op aarde” (Jes. 62:6, 7). Ik weet dat profetisch gesproken, deze woorden van Jesaja volledig in vervulling zullen gaan in de tijd van het einde, maar dat betekent geenszins dat zij nu niet van toepassing zouden zijn. De apostel Paulus bracht ze in elk geval in praktijk door zijn vurig gebed voor Israël.

3. Wij zijn schuldig om evangeliewerkers onder de Joden financieel te steunen. Tijdens al zijn zendingsreizen ging Paulus eerst naar de Joden. De christenen van de gemeente te Filippi zonden hem bijdragen voor zijn werk. Hij herinnerde hen eraan, dat toen hij in Thessalonika was, zij ‘een en andermaal tot ondersteuning gezonden hadden’ (Fil. 4:16).

Laten wij onze schuld aan de Joden voldoen!

Moge de liefde van Christus ons allen dringen, om alles te doen wat kan dienen tot zaligheid van Israël. 

Sluiten