Een onbekende wereld

Achtergronden Tekst, David van Wijck

Tijdens mijn eerste bezoek aan de Klaagmuur was ik onder de indruk van de biddende en dansende Joodse mannen. Als christenen kunnen we een voorbeeld nemen aan hun toewijding.

Hoe mooi dit ook is om te zien, achter de zwarte kleding gaat soms een wonderlijke wereld schuil die voor velen onbekend is. Dat ontdek ik tijdens mijn eerste gesprek met ultraorthodoxen in Israël. Na een ochtend Bijbels verspreiden, rusten we even uit in de schaduw. Ineens word ik op mijn schouders getikt. Als ik me omdraai, sta ik oog in oog met een jongeman, gekleed in pak, zwarte hoed en een beginnend baardje. Samen met een leeftijdsgenoot wil hij gebedsriemen aanleggen bij Joodse mensen. Ze geloven namelijk dat, als meer Joden zo bidden, de Messias eerder zal verschijnen. Als ik hen vertel dat ik niet Joods ben, maar wel de Tenach bestudeer, valt hun mond open van verbazing. Ze hebben nog nooit gehoord van een niet-Jood die het Oude Testament onderzoekt. Sterker nog, het blijkt dat zij dat zelf eigenlijk nauwelijks doen.

Gezag van de Talmoed

Om dat te begrijpen, moeten we meer weten van het rabbijnse Jodendom. Religieuze Joden kennen naast de Tenach andere heilige boeken, die men beschouwt als de zogenaamde ‘mondelinge wetgeving’ op de berg Sinaï. Deze zou vervolgens verder zijn overgeleverd en ontwikkeld door Joodse geleerden. Hoewel deze boeken niet als onfeilbaar worden beschouwd, hebben ze een gezag dat nagenoeg gelijk is aan het Oude Testament, of het soms zelfs overstijgt. Deze geschriften zijn samengesteld door rabbijnen vanaf ongeveer 200 na Chr. Ze zijn onder te verdelen in de wetgeving en de verklarende boeken bij de Tenach en het Joodse leven. Het belangrijkste boek, de Talmoed, heeft betrekking op beide terreinen. Wanneer een Joodse man zegt dat hij de Thora of de Tenach bestudeert, leest hij die in de praktijk vaak door ‘de bril van de Talmoed’. Ook onder christenen zien we een toenemend gebruik van de Talmoed. Verbazingwekkend als je bedenkt dat de Heere Jezus in de Talmoed een valse profeet wordt genoemd. In Gittien 57 wordt ook beschreven hoe de Romeinse proseliet Onkelos onder de doden contact  zoekt met Jezus. Wanneer hij Hem vraagt naar Zijn lot, zou Jezus hebben geantwoord dat Hij in de hel in gekookte uitwerpselen gepijnigd wordt. Wie de Talmoed onderzoekt, bevindt zich soms op duistere plaatsen. Dat is geen uitspraak van mij, maar van de Talmoed zelf. In Klaagliederen 3:6 staat: “In duistere oorden doet Hij mij wonen, als degenen die allang dood zijn”. De Talmoed zegt dat deze ‘duistere oorden’ op de Talmoed zelf slaan.1  Wat een tegenstelling met Gods Woord, waarvan de psalmist zegt dat het juist licht geeft (Ps. 119:130)! Als Gods Woord wordt bestudeerd, maakt men veelal gebruik van de Mikraot Gedolot . Dat is een rabbijnse Bijbel, waarin ongeveer een achtste deel van een pagina de werkelijke tekst uit de Bijbel bevat. Het overige deel is gevuld met rabbijnse commentaren.

Leesrooster in de synagoge

Joodse mensen zijn dus over het algemeen niet gewend om zelf  Gods Woord te lezen. De plaats waar ze wel uit de Tenach horen, is de synagoge. Daar wordt elke sjabbat uit de boekrollen gelezen. Deze lezingen volgen een jaarlijks rooster en worden de Haftaralezingen genoemd. Elk week leest men een gedeelte uit de Thora en een gedeelte uit de profeten. Andere Bijbelgedeelten blijven echter gesloten. De Messiaanse profetieën komen bijvoorbeeld helemaal niet voor in dit rooster. Een gedeelte als Jesaja 53 is voor de meeste Joodse mensen dan ook een onbekend hoofdstuk. Zelfs zo onbekend, dat ze soms boos worden als we dit hoofdstuk voorlezen, omdat ze denken dat we uit het Nieuwe Testament citeren!

Bijgeloof

De profeet Hosea beschrijft dat het volk van God te gronde gaat door een gebrek aan kennis (4:6). Dat is een waarschuwing, die ook wij ter harte moeten nemen. Maar helaas zien we deze situatie uit Hosea ook vandaag de dag bij het Joodse volk. Door het gebrek aan kennis van de volledige Tenach hebben bijgeloof en dwaalleer vrij spel. In Israël is bijvoorbeeld op veel plekken een hand, met daarin een oog, te zien. Dit symbool is vooral bekend onder de uit het Arabische vertaalde naam ‘hand van Fatima’. De Hebreeuwse variant wordt vertaald met de  ‘hand van Mirjam’. Het is een amulet, dat bescherming moet bieden tegen het boze oog. Dat is het bijgeloof dat hatelijke blikken ongeluk kunnen brengen. Wanneer bijvoorbeeld ter sprake komt hoe mooi iemand is, kun je de uitspraak ‘kneina hora’ te horen krijgen. Dat betekent letterlijk ‘zonder het boze oog’ en is een spreuk om ongeluk af te weren. Er zijn ook andere manieren om het boze oog te weren, zoals een rood armbandje of broodkruimels in je broekzak.

Kerkgebouwen

Een ander voorbeeld van bijgeloof is de angst voor kerkgebouwen. Er zijn rabbijnen die leren dat daar boze geesten wonen. Veel religieuze Joden lopen daarom liever niet langs een kerk. Zij zullen dat eerder doen via de overkant van de straat. Helaas is het antisemitisme vanuit de kerkgeschiedenis waarschijnlijk een van de voornaamste oorzaken van dit bijgeloof. Dat blijkt uit de geschriften van rabbijn Nachman van Breslov uit 1816. In zijn boek Sippurei Ma’asiyot  staat een verhaal over een stadje in het toenmalige Oostenrijk. Het vertelt hoe de lokale kerk de klokken liet luiden als er een Joodse begrafenisstoet voorbijkwam. Toen de dragers uit de stoet vroegen om daarmee te stoppen, zou men hebben geprobeerd hen te bekeren. Hoewel het om een verhaal gaat, zal het een kern van waarheid bevatten. Ultra-orthodoxe Joden zullen bij een begrafenis meestal proberen te voorkomen dat ze een kerk passeren.

Dwaalleer

Vermenging van beperkt Bijbelgebruik en bijgeloof leidt soms tot dwaalleer, zoals is te zien op www.chabad.org. De Chabad is een stroming binnen het ultra-orthodoxe Jodendom. De website heeft een rubriek waar men vragen kan stellen over religieuze onderwerpen. In een aantal antwoorden leggen rabbijnen uit dat je voor de ziel van overledenen kunt bidden en dat sterrenlezen geschikt is om de toekomst te voorspellen.2  Op de vraag: “Mogen we overledenen vragen om namens ons te bidden?” antwoordt rabbijn Freeman: “Een middelaar is een vorm van afgoderij. Toch is het voor een Jood toegestaan om een andere Jood als middelaar te hebben tussen hem en God. Wanneer je bidt bij een graf maak je daarmee kenbaar te geloven dat de rechtvaardigen nooit echt sterven. De gedachte achter het contact leggen met overledenen is, dat zij namens ons zullen bidden. Het is overigens een gangbaar gebruik in Joodse gemeenschappen wereldwijd”.3  Dat dit gebruik inderdaad wijdverbreid is, blijkt uit de bezoekersaantallen van het graf van de vermaarde rabbijn Schneerson. Zijn sterfdatum trekt nog extra bezoekers. Op 21 juni 2015 bezochten maar liefst 50.000 Joodse mensen zijn graf om daar te bidden. Naast het bidden tot  de doden is er, zoals gezegd, ook het gebruik om te bidden voor  de doden. Dit is terug te zien in de diverse gebedenboeken. In de Siddoer,  het bekendste Joodse gebedenboek, staat een gebed genaamd Jizkor . Dit gebed wordt in de synagoge uitgesproken op de belangrijke feestdagen en gaat als volgt: “Moge God de ziel van mijn vader die naar de hemel is gegaan herinneren. Want ik zal aan een goed doel geven vanwege hem. Moge door deze verdienste zijn ziel worden opgenomen in de bundel van het leven met de zielen van Abraham, Izak en Jakob”. Na het gebed wordt er geld gegeven aan een goed doel, wat ook weer ten goede komt aan het zielenheil van de overledene.

Een hartenkreet

Toen ik dus bij de Klaagmuur de biddende mannen zag, was ik in eerste instantie onder de indruk. Maar met mijn huidige kennis van de wereld die erachter schuilgaat, denk ik er nu op een heel andere manier aan terug. Niet om mij kritisch van hen af te keren. Integendeel! Telkens komt de hartenkreet van Paulus in mijn gedachten. Uit zijn gebed in Romeinen bleek hoezeer hij zijn broeders naar het vlees liefhad. Mag zijn uitroep ook het gebed van uw en mijn hart worden. “Broeders, de oprechte wens van mijn hart en mijn gebed tot God voor Israël is gericht op hun zaligheid. Want ik getuig van hen dat zij ijver voor God hebben, maar niet met het juiste inzicht. Omdat zij immers de gerechtigheid van God niet kennen en een eigen gerechtigheid tot stand proberen te brengen, hebben zij zich niet aan de gerechtigheid van God onderworpen. Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft” (Rom. 10:1-4).

1. Sanhedrin 24a 2. www.tiny.cc/chabad1, www.tinty.cc/chabad2 3. www.tiny.cc/chabad3 

Sluiten