Een vlesen hart en een stenen hart

Profetisch Woord | Oud Testament | Typologie en beelden Tekst, Hans van de Lagemaat

Te midden van alle ellende waarin Israël zich het grootste deel van haar geschiedenis heeft bevonden, konden de rechtvaardigen zich altijd vastklampen aan Gods beloften. Verspreid over de Schrift staan er vele. Het zijn onvoorwaardelijke beloften. De God der Waarheid en de God van Israël heeft gesproken. Niets of niemand zal de uitvoering ervan kunnen tegenhouden.

Gods belofte staat vast

Een van die machtige beloften staat in Ezechiël 36. “Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn” (Ezech. 36:24-28).

Toen Ezechiël dit woord tot Israël bracht was het grootste deel van het volk in ballingschap. De tien stammen waren al meer dan honderd jaar eerder weggevoerd uit het land van hun vaderen. De twee overgebleven stammen, Juda en Benjamin, waren uiteindelijk in Babel terecht gekomen. Het land lag er troosteloos bij en het volk was verspreid onder de heidenen. Zo op het oog een uitzichtloze situatie, maar te midden van in dit alles zendt God Zijn profeten om de heilrijke toekomst van Zijn volk bekend te maken.
We zullen ons in deze studie niet richten op de vervulling van de belofte in al zijn details, maar op de uitdrukkingen ‘een stenen hart’ en ‘een vlesen hart’.

In Ezechiël 11:19 wordt dezelfde belofte herhaald. En met de woorden van Jozef tot Farao mogen we dan ook wel zeggen “dat de zaak van God vastbesloten is, en dat God haast om dezelve te doen” (Gen. 41:32).

Een stenen hart

Wat moeten we onder ‘het stenen hart’ van Israël verstaan? Vraag het een willekeurige christen, en hij zal antwoorden: dat is het verharde en onbekeerlijke hart van Israël. Het is een verklaring, die tot op zekere hoogte wel grond heeft in de Schrift. De profeet Ezechiël heeft zelf de ervaring met dit harde hart. “Maar het huis van Israël wil naar u niet horen, omdat zij naar Mij niet willen horen; want het ganse huis van Israël is stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn zij” (Ezech. 3:7). Menigeen ziet hierin het stenen hart van Israël. Toch meen ik dat we het in een andere richting moeten zoeken.

Waar klopte het hart van Israël? Laat ik u meenemen naar de woestijn, meer dan drieduizend jaar geleden. Het volk was net verlost uit Egypte door de machtige hand van de HEERE en trok voort naar het land Kanaän. Het reisde niet als een ongeordende bende. De plaatsen van de diverse stammen waren naar Gods voorschrift nauwkeurig bepaald. Ze moesten zich in een duidelijke formatie rondom de pas gebouwde Tabernakel legeren. Rondom de Tabernakel stonden de tenten van de Levieten. De overige stammen waren gegroepeerd in drieën en gelegerd ten noorden, oosten, zuiden en westen (zie Num. 2). Van boven af moet het er ongeveer hebben uitgezien als in figuur 1.

Dus wat vonden we helemaal in het centrum van de legerplaats? De Tabernakel. Eén maal per jaar ging de hogepriester de Tabernakel door tot achter het voorhangsel van het Heilige der Heiligen. Daar stond de ark van het verbond. Op de ark lag het verzoendeksel met de twee cherubim. Dat was de plaats waar God woonde in het midden van Israël. In de ark van het verbond lag de staf van Aäron, die gebloeid had, en een kruikje met manna en de stenen tafelen van de wet. Ik denk dat ik geen van de lezers hoef uit te leggen hoe belangrijk de wet in Israëls bestaan was. Daar klopte het hart van het volk! Op het verzoendeksel sprengde de hogepriester eenmaal per jaar het bloed van een stier en het bloed van een bok om verzoening te doen over de zonden van zichzelf en over die van het volk (zie Lev. 16). Er moest verzoening gedaan worden over de overtredingen die gedaan waren tegen Gods heilige wet.

Is het te ver gezocht als we zeggen dat God met ‘het stenen hart’ doelt op de stenen tafelen die Hij aan Mozes heeft gegeven? Nee toch? Jesaja zegt toch: “Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is!”

Een vlesen hart

“En Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.” God zal het stenen hart wegnemen en het volk een vlesen hart geven. Als het stenen hart doelt op Gods Woord ingeschreven in de twee stenen tafelen, eeuwenlang de inhoud, de kern van Israëls dienst aan God, wat moeten we dan verstaan onder het vlesen hart?
Het antwoord lezen we in de prachtige openingswoorden van het Evangelie naar Johannes. “En het Woord is vlees geworden” (Joh. 1:14). Hij zal het hart van Israël zijn. Hun godsdienst zal dan om Hem, om Hem alleen draaien. “Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond.” Dat woord voor ‘wonen’ is hier wel heel bijzonder. Het is afgeleid van het woord dat ‘tabernakel’ betekent. Hij heeft onder ons gewoond als in een tabernakel! Net als de stenen tafelen van de wet woonde Hij onder Zijn volk als in een tabernakel.

Dat Johannes hier de wet en Christus naast elkaar zet, blijkt ook uit vers 17: “Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden”.

Het Oude en het Nieuwe Verbond

Het stenen hart en het vlesen hart van Israël duidt op het verschil tussen het Oude Verbond en het Nieuwe verbond. Paulus, als een dienaar van het Nieuwe Verbond stelt de twee verbonden in 2 Korinthe 3 tegenover elkaar. In vers 3 beschrijft hij dat verschil als “stenen tafelen” en “vlesen tafelen van het hart”.

Paulus verwijst in dit hoofdstuk onder meer naar Jeremia 31:33, 34. “Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en Ik zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, leren, zeggende: Kent de HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheden vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.”

Zal de Heere dan toch weer die wet in hun binnenste geven? Ja, inderdaad. De wet is niet iets slechts, waar het volk van verlost moet worden. De wet brengt geen vloek met zich mee in zichzelf, maar vanwege degenen tot wie de wet is gericht. De wet spreekt: doe dit en gij zult leven. En dat is waar. Gods wet is geen zonde. Zij ontdekt de zonde. De gevallen natuur kan die wet niet volbrengen. Ook Israël kon dat niet. Daarom werd eenmaal per jaar het verzoendeksel besprengd met bloed om het volk eraan te herinneren dat hun zonden eenmaal zouden worden weggenomen door de ware Hogepriester: Jezus Christus. Hij draagt die wet als het ware in Zijn binnenste. Hij voldeed aan al zijn eisen. Hij is de vervulling van de wet. Er is geen tegenstelling tussen de wet enerzijds en de Heere Jezus Christus anderzijds. Er is geen vijandschap tussen Hem en de wet. En daarom is er ook helemaal geen tegenstelling tussen Ezechiël 36:26, “Ik zal u een vlesen hart geven” en Jeremia 31:33, Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven”.

Het Kruis

Tussen het Oude en het Nieuwe Verbond ligt een voor de mens onoverbrugbare kloof. De wet in stenen tafelen gegrift, bracht (eeuwig) leven op grond van volmaakte gehoorzaamheid. Geen mens die daaraan kon voldoen. En toch lag die eis daar. En toch belooft God ook dit eeuwige leven aan Zijn volk. Hoe wordt die kloof overbrugd? Het antwoord ligt in Christus. Hij kwam als een dienaar van het Oude Verbond, “een Dienaar der besnijdenis” (Rom. 15:8), “opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen”. Hij heeft Zelf de wet volmaakt volbracht en tevens de zonden van Zijn volk op Zich genomen, opdat zij het leven zouden verkrijgen. De kloof was niet te overbruggen. Althans door mensen, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Dat komt het meest openbaar in het kruis en de opstanding van Christus Jezus.

Dat kruis was zelfs in de woestijn al letterlijk zichtbaar. Niet voor de Israëliet, die zich in het kamp bevond. Maar wel voor degene die op een hoge berg ging staan, en als het ware met een helikopterview neerkeek op Israëls legerplaats. In figuur 1 zagen we er al een glimp van. Als we ook de aantallen mensen die in Numeri 2 gegeven zijn evenredig in de tekening weergeven, dan komt ons plaatje er uit te zien als in figuur 2.

U ziet het goed, een kruis, de plaats waar Israëls Messias de verzoening voor Zijn volk tot stand bracht en waarover Jesaja (53:5) profeteerde: “om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.”

Sluiten