Het leven van Jeremia

Bijbelse personen | Oud Testament Tekst, David van Capelleveen

Over het bewogen leven van Jeremia is meer bekend dan over welke Bijbelse profeet dan ook. Het boek dat zijn naam draagt vertoont opvallend veel biografische notities en de profeet komt dikwijls openlijk uit voor zijn eigen gevoelens in worstelingen met volksgenoten en met de God van Israel. Het lijden van de profeet staat tegen de achtergrond van het lijden van zijn volk, dat onder het naderende oordeel staat van de Heere.

Van Assyrië tot Babel

De dood van koning Assurbanipal1 omstreeks 630/31 v. Chr. inaugureert het einde van de grootmacht Assyrië. Twaalf jaar eerder eindigde eveneens het schrikbewind van de Judese koning Manasse in Juda, waarover we in het vorige nummer al lazen. Diens kleinzoon Josia is gelukkig een koning van een ander kaliber.2 “Hij deed wat juist was in de ogen van de Heere, en ging in heel de weg van zijn vader David en week niet af naar rechts of naar links” (2 Kon. 22:2). Josia probeerde Juda en Jeruzalem te reinigen van haar afgoderijen en begon zijn hervormingen op twintigjarige leeftijd (2 Kron. 34:3-7). Zes jaar later geeft hij de opdracht om de in verval geraakte tempel te herstellen waarbij de hogepriester Hilkia3 een verloren gewaand wetboek terugvindt (2 Kon. 22:3-10). Bij het horen van de inhoud van dit wetboek scheurt Josia zijn kleren, zo ver was het volk afgevallen van de voorschriften van God (2 Kon. 22:11). Gedurende de rest van zijn korte leven zou Josia zich volledig inzetten om deze afvalligheid tegen te gaan en te strijden voor een volledig religieus herstel en een onafhankelijk Juda (2 Kon 23:1-30).
Helaas was dit tevergeefs, want het volk zou achter de afgoden blijven aanlopen.
Tijdens de hervormingen in Josia’s dertiende regerings- jaar (627 v. Chr.), wordt er in de stad Anathoth, in het gebied van de stam Benjamin, een jongen tot profeet geroepen. Het is Jeremia. Hij zou het onwillende volk nog eenmaal aanspreken om terug te keren tot de Heere. Ook moest hij hen waarschuwen voor het dreigende onheil uit het noorden (Jer. 1:14-16), waar een nieuwe grootmacht zich opmaakte om te heersen op het wereldtoneel: Het Babylonische rijk.

Vanaf de moederschoot gewijd

Jeremia, de zoon van Hilkia, kwam uit een welgesteld priestergeslacht, maar het is onwaarschijnlijk dat hij zelf priester was. Er wordt dikwijls gedacht dat zijn familie verwant zou zijn aan de verbannen hogepriester Abjathar. Deze koos na de dood van koning David de zijde van prins Adonia in de strijd om het koningschap en werd door Salomo verbannen naar Anathoth (1 Kon. 2:26-27). De strijd tussen de ‘priesterlijke’ Jeremia en het Davidi- sche koningshuis is als thema sterk aanwezig in het boek. Jeremia’s levensweg wordt door de Heere al op voorhand bepaald voor het profeetschap: “Voordat Ik u in de moederschoot vormde, heb Ik u gekend, voordat u uit de baarmoeder naar buiten kwam, heb Ik u geheiligd” (Jer. 1:5a). De boodschap die hij moet verkondigen richt zich voornamelijk tegen Israël, maar ook tegen de omliggende volken (Jer. 46-51). Het is hoofdzakelijk een boodschap van onheil. Jeremia wordt aangesteld over “volken en koninkrijken, om weg te rukken en af te breken, om te vernielen en omver te halen ...” (Jer. 1:10). De profeet moet de straf en uitvoering van het oordeel van God aankondigen. Israël heeft zich niet aan het verbond gehouden en zal in ballingschap gaan, ondanks alle waarschuwingen door de profeten en mogelijkheden die de Heere heeft gegeven om Zijn toorn te doen afwenden. Ook nu blijft er ruimte voor bemoediging en hoop. Jeremia wordt ook geroepen “om te bouwen en te planten” (Jer. 1:10, e.v.). Deze hoop komt voor Israël voornamelijk tot uitdrukking in de bijzondere hoofdstukken 30-33, maar er is ook hoop voor een aantal omringende volkeren.4

Ik kon het niet!

Dat Jeremia’s boodschap van maatschappelijke en religieuze kritiek hem niet in dank wordt afgenomen is gerust een understatement te noemen. Door zijn onpopulaire boodschap is zijn leven gekend door vervolging en lijden. Zijn stadsgenoten willen hem het liefst doden (Jer. 11:21); de priesters en profeten beschuldigen hem van verraad tegen Jeruzalem en vinden dat hij de dood- straf verdient (Jer. 26:11); hij wordt bespot, meerdere malen gegeseld en vastgezet (Jer. 20:2; 38) en er worden samenzweringen tegen hem opgezet (Jer. 18:18). Tussen al deze gebeurtenissen van Jeremia’s optreden in en rond Jeruzalem, vinden we bijzondere introspectieve gedeeltes waarin hij zijn wanhoop over deze gebeurtenissen uitspreekt (Jer. 11:18-12:6; 15:10-21; 17:14-18; 18:18-23; 20:7-18). Deze belijdenissen geven ons een buitengewone blik in het hart van een profeet die zich soms verlaten voelt door God vanwege de inhoud van zijn boodschap en de heftige weerstand van zijn volksgenoten. De man die geroepen is vanuit de schoot, vervloekt de dag waarop hij is geboren (Jer. 20:14). Toch kan Jeremia niet zwijgen. In een fraaie passage verklaart hij dat het Woord van de HEERE in hem is: “Wel deed ik moeite om het in te houden, maar ik kon het niet” (Jer. 20:8-9).

Niet alleen

Hoewel Jeremia de opdracht wordt gegeven om niet te trouwen en geen kinderen te krijgen (Jer. 16:1-4), staat hij er in zijn taak niet helemaal alleen voor. Baruch, de zoon van Neria, zijn secretaris, scriba en vriend, blijft hem tot het einde toe terzijde staan. Josephus vertelt ons dat Baruch uit een zeer prominente familie afkomstig was en zeer bedreven was in zijn landstaal (Antiquitates Judaicae 10:159). Baruch blijkt dan ook belast met het opschrijven van veel van Jeremia’s woorden en samen zullen zij verantwoordelijk zijn geweest voor de tekst van het profetenboek. Verder vermeldt 2 Kronieken 36:25 dat Jeremia een klaagzang schreef over de dood van de eerder genoemde koning Josia en wordt zijn naam traditioneel verbonden aan het boek Klaagliederen. Jeremia’s optreden betracht meer dan veertig jaar. Vanaf Josia tot na de ballingschap van Juda en de verwoesting van de tempel in 586 v. Chr., die hij met eigen ogen zal aanschouwen.

Nadat het Assyrische rijk definitief is uiteengevallen, volgt er een periode van onrust en machtsstrijd over het gebied Kanaän. Juda wordt heen en weer geslingerd tussen Egyptische en Babylonische overheersing. Uiteindelijk verslaat Nebukadnezar het Egyptische leger in 605 v. Chr. in de slag bij Karchemis.5 Het is een beslissende slag (Jer. 46:2). Egypte trekt zich noodgedwongen terug en zo kan Juda vazalstaat van Babylonië worden. Het dreigende onheil uit het noorden is realiteit geworden.

Tempelprediking

De details van Jeremia’s leven vanaf zijn roeping tot aan de dood van koning Josia zijn wat schimmig en daarom moeilijk te reconstrueren. Het troonsbestijgingjaar van Jojakim in 609/608 v. Chr. geeft een eerste aanknopingspunt waar we Jeremia’s optreden bij de tempel kunnen dateren (Jer. 7; Jer. 26). De hervormingen van Josia waren niet geslaagd, noch had Juda zich afgewend van haar zonden (Jer. 26:4-6). De profeet moet het volk vermanen. Aangrijpend is het geduld van de Heere en de mogelijk- heid die Hij blijft geven tot een ommekeer van Juda. Alvorens hij Jeremia naar de tempel stuurt, zegt Hij: “Misschien zullen zij luisteren en zich bekeren, allen van hun slechte weg. Dan zal Ik berouw hebben over het kwade dat Ik hun denk aan te doen vanwege hun slechte daden” (Jer. 26:3; ook in Jer. 18:8). Dat zou echter niet gebeuren.

De verbrande boekrol

Tijdens het koningschap van Jojakim, een zoon van Josia die eerder op de troon was gezet door farao Necho II (2 Kron. 36:1-4), lezen we over de eerste totstandkoming van het boek Jeremia en de weerstand van het koningshuis tegen haar boodschap. De opdracht wordt gegeven om alle woorden op te schrijven die de Heere door de mond van de profeet Jeremia gesproken heeft (Jer. 36). Omdat Jeremia de toegang tot de tempel was ontzegd, wordt Baruch gezonden om deze woorden bekend te maken. Er volgt een tragische scene. Elke keer als koning Jojakim een aantal kolommen tekst van de rol heeft gehoord, snijdt hij ze af met een schrijversmes en gooit ze in het vuur. Jeremia moet gevangen genomen worden, maar weet te ontkomen (Jer. 36:26). Voor de tweede keer wordt de profeet de opdracht gegeven om de woorden op te schrijven (Jer. 36:27-32), deze keer vergezeld met een scherp oordeel over Jojakim en zijn nageslacht. En zo gebeurt het. Koning Jojakim komt tegen Babel in opstand. Een Babylonische krijgsmacht omsingelt daarop Jeruzalem en Jojakim sterft tijdens het beleg in 598 v. Chr. Nebukadnezar voegt zich enkele maanden later met zijn eigen leger bij de al aanwezige krijgsmacht. Hij neemt Jeruzalem in (2 Kon. 24), berooft de tempel en deporteert een groot gedeelte van de Judeese elite, waaronder Jojakims zoon Jojachin. Deze was net drie maanden koning. Hij zou zijn verdere dagen in ballingschap volbrengen (2 Kon 27-30; Jer. 52:31-34).6 Zedekia, de neef van Jojachin, wordt vervolgens door de Babylonische koning op de troon van Juda gezet.

Getuige van de vernietiging

De laatste jaren van Juda vormen een chaotische periode. Door de oorlogen, deportaties en de politieke situatie waren de Israëlieten op hun laatste adem. Bijgestaan door valse profeten die voorspelden dat het juk van Babel gebroken zou worden (Jer. 28) en dat Nebukadnezar niet meer tegen de stad zouoptrekken, komt Zedekia eveneens in opstand tegen Babel. Jeremia voert tevergeefs zijn profetische campagne. Hij maakt korte metten met het idee dat de eerste ballingen spoedig zouden terugkeren. In zijn brief aan de ballingen maakt hij het nog maar eens duidelijk: “Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn, zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats” (Jer. 29:10). Nebukadnezar is Gods dienaar en het instrument van de toorn van de Heere (Jer. 27:6). Zedekia kiest er in 589 v. Chr. uiteindelijk toch voor om zich onafhankelijk te maken van Babylon. De reactie van Nebukadnezar laat niet op zich wachten. Na een belegering van bijna twee jaar wordt de stad in 586 v. Chr. ingenomen. De muren van Jeruzalem worden afgebroken en haar huizen en de tempel in brand gestoken (Jer. 52). Jeremia bevindt zich dan in het kwartier van de tempelwacht en wordt vervolgens ooggetuige van de totale vernietiging van de heilige stad. Het volk gaat in ballingschap. Volgens het opschrift van Klaagliederen in de Griekse Septuaginta schreef de profeet zijn klaagzangen terwijl hij wenend op een heuvel zat en de verwoesting moest aanschouwen.7

De laatste jaren in Egypte

Het is tragisch dat een profeet wiens woorden voor de ogen van het volk letterlijk waren uitgekomen achteraf nog steeds niet gehoord wordt. Na de vernietiging van Jeruzalem blijft Jeremia achter bij Gedalia, die aangesteld wordt als gouverneur over de overgeblevenen in Juda (Jer. 39:14). Gedalia wordt echter vermoord door Judeese militanten vanwege zijn pro-Babylonische houding (Jer. 41). Onder leiding van Johananvlucht een deel van de overgebleven Israëlieten naar Egypte, ondanks de profetische waarschuwingen van Jeremia om niet te gaan en Juda op te bouwen (Jer. 42-43). Jeremia en Baruch worden daarbij tegen hun wil meegenomen naar het land waar de Heere hun voorvaderen ooit met machtige hand uit wegleidde. Ze vestigen zich in Tachpanhes, een stad bij de Nijldelta. Er wordt aangenomen dat Jeremia daar stierf. Een latere traditie, opgeschreven door kerkvaders Tertullianus (Adversus Gnosticos, hfdst. 8) en Hiëronymus (Adversus Jovinianum 2:37), vermelden dat hij door steniging aan zijn einde kwam. Pseudo-Epiphanius (De Vitis Prophetarum) en de bisschop Isodorus van Sevilla (De Ortu et Obitu Patrorum, hfdst. 38) vermelden dat dit in Tachpanhes zelf gebeurde. Het is echter moeilijk na te gaan hoe betrouwbaar deze traditie is, omdat de getuigenissen vrij laat zijn opgetekend.8

Een nieuw verbond

Jeremia was een profeet die leed omwille van zijn volk, die oordeel moest aankondigen en het oordeel ook zag. Toch schreef de profeet ook woorden van hoop. In wat gewoonlijk het ‘troostboek’ wordt genoemd (Jer. 30-33) klinken bijzondere beloften voor het volk Israël. De Heere zegt toe hun lot te keren en een nieuw verbond te sluiten: “Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn” (Jer. 31:33). Een paar eeuwen later liep er in Juda weer een Profeet over straat. Een Timmerman, Die net als Jeremia niet werd geëerd in Zijn eigen streek en als een lastpost werd beschouwd. Een Man, Die zou lijden voor de zonde van het volk, niet om het verloren te zien gaan, maar om uiteindelijk met Zijn eigen bloed dat nieuwe verbond te sluiten.

Voetnoten
1. In de Bijbel wordt deze koning Asnappar genoemd (Ezra 4:10).
2. De zoon van Manasse, Amon, regeerde slechts twee jaar over Juda tussen 642-640 v. Chr.
3. Niet te verwarren met de vader van de profeet Jeremia (zie Jer. 1:1).
4. Deze hoofdstukken worden gewoonlijk het troostboek genoemd. Opmerkelijke boodschappen van hoop zijn er voor Egypte (Jer. 46:25, 26), Moab (48:47), Ammon (Jer. 49:6) en Elam (49:39), waarin de Heere een ommekeer van hun lot belooft.
5. In het boek Jeremia wordt hij ook Nebukadrezar genoemd.
6. Ook de profeet Ezechiël en Daniël en zijn vrienden bevonden zich onder deze groep ballingen, zie Ezechiël 1:1-3; Dan. 1:1-7.
7. Verscheidene andere Joodse geschriften volgen deze traditie, zoals de Targum en Peshitta van Klaagliederen en de Babylonische Talmoed, hoewel dit opschrift ontbreekt in de Masoretische tekst.
8. Het werk De Vitis Prophetarum (De levens van de profeten) is alleen binnen de Christelijke traditie overgeleverd. Het is zeer goed mogelijk dat dit werk oorspronkelijk teruggaat op een Joods geschrift uit de eerste eeuw, hetgeen de informatie over Jeremia’s levenseinde betrouwbaarder zou maken.

Sluiten