Israël, Gods oogappel

Oud Testament Tekst, Jakob Klein Haneveld

Zacharia was een van de profeten, die leefden na de Babylonische ballingschap in de tijd van het herstel van Israël. Midden in een belangrijke profetie verklaart hij, dat zij die Israël aanraken, Gods oogappel aanraken. Wat bedoelde de profeet daarmee?

Drie verschillende woorden

In de grondtekst van het Oude Testament komen drie verschillende woorden voor, die vertaald zijn met ‘oogappel’.
In Deuteronomium 32:10 beschrijft Mozes Gods liefdevolle zorg voor Zijn volk: “Hij vond hem in een land der woestijn ... Hij bewaarde hem als Zijn oogappel”. De letterlijke betekenis voor het woord ‘oogappel’ hier is, ‘mannetje van het oog’.
In Psalm 17:8 roept David tot God: “Bewaar mij als het zwart van de oogappel, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen.” Er staat letterlijk: ‘Bewaar mij als het ‘dochtertje’ van Uw oog’.
In Zacharia 2:8 en 9 lezen we: “... tot die heidenen die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan. Want ziet, Ik zal Mijn hand over hen bewegen”.
Hier betekent het woord voor oogappel letterlijk ‘oogpoort’, d.w.z. de opening, waardoor de lichtstralen het netvlies van het oog bereiken. Waarom noemde God Israël Zijn oogappel? In deze benaming vinden wij een wonderlijk beeld van Israël.

De oogappel, iets kostbaars

Onze oogappel is een kostbaar bezit. Voor geen geld ter wereld zouden wij het willen missen. Daarom bidt de psalmist tot de Heere: “Bewaar mij als het zwart van de oogappel”. Geen mens is bereid, om zijn oogappel te verkwanselen, of voor iets te verruilen. God beschouwt het Joodse volk als dierbaar eigendom. God heeft Zijn hart verpand aan Israël. Mozes zei tot hen in de woestijn: “Want gij zijt de HEERE, uw God een heilig volk; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk ten eigendom (Hebr. ‘segoela’, is ‘kleinood’) zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn” (Deut. 7:6).

De oogappel, iets zeer kwetsbaars

Een oogappel is zeer kwetsbaar. Een splinter of stofje kunnen flinke pijn veroorzaken. De kwetsbaarheid van de oogappel geldt ook voor onze omgang met het Joodse volk. Het mag soms de schijn hebben, dat zij geen beschermer hebben, maar elk leed, dat wij Israël aandoen, treft het oog en daarmee het hart van God, zoals Hij in Zijn Woord heeft verklaard.

De oogappel, iets onherstelbaars

Sommige lichaamsdelen kunnen beschadigd en verminkt worden, waarna herstel toch nog mogelijk is. Maar het oog is, als het eenmaal ernstig beschadigd is, veelal niet te herstellen. Zo zijn ook sommige letsels, die Israël zijn toegebracht, onherstelbaar. Hoe kan de verschrikkelijke slachting van zes miljoen Joden in de tweede wereldoorlog ooit worden goed gemaakt? Hoe kan dit veelvoudig onrecht ooit gerechtvaardigd worden? Onmogelijk! En dan te bedenken, dat ieder, die hen aanraakte de oogappel van God aanraakte.

De oogappel, toegangspoort tot het licht

De pupil is de toegangspoort voor lichtstralen, waardoor zij tot het netvlies kunnen doordringen en wij voorwerpen in onze omgeving kunnen waarnemen. Israël is Gods toegangspoort om het licht van Zijn wereld tot deze wereld door te laten dringen. De Heere Jezus zei tot de Samaritaanse vrouw in Johannes 4:22: “Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden”. Deze woorden waren volkomen in overeenstemming met Jesaja 43:10-12: “Gij zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, die Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Die ben, dat voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal. Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij. Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost en Ik heb het doen horen, en geen vreemd god was onder u; en gij zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, dat ik God ben”. Dit was Gods bedoeling met Israël en dat is het nog.

De oogappel wordt beschermd

Weinig mensen staan erbij stil hoeveel voorzieningen de Schepper getroffen heeft voor de bescherming van het oog. Deze bestaan uit: Sterke voorhoofdsbeenderen (bescherming tegen een klap), wenkbrauwen en oogharen (bescherming tegen stof), ooglid (bescherming tegen het licht) en traanklieren (om het oog schoon te houden).
Gods almacht staat steeds gereed om Israël te beschermen. De psalmist getuigt van Gods beschermende hand over Zijn volk in Psalm 105:12-15: “Toen zij (Israël) weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin, en wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk, liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil zeggende: Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad”.

Laten wij toch bedenken, dat Gods beschermende hand altijd over het volk Israël is uitgestrekt. Hij zal het nooit zo ver laten komen, dat Zijn volk uitgeroeid wordt of ten onder gaat. In de Bijbel geeft de profeet Jeremia een van de sterkste bevestigingen van deze waarheid: “Zo zegt de HEERE, Die de zon tot een licht geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren tot een licht des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heerscharen is Zijn Naam; Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen. Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fundamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israëls verwerpen om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE” (Jer. 31:35-37).
Welke andere uitspraak kan ons meer zekerheid geven, dat Gods besluit vaststaat? Hij zal Israël beschermen, zoals iemand met de grootste zorg zijn oogappel beschermt.

Beschadiging oogappel veroorzaakt pijn

Als iemands oogappel is aangetast, voelt hij hevige pijn. En deze pijn kan zich zo uitbreiden, dat hij er helemaal ziek van wordt. Als Israël gekwetst wordt, is dat zeer smartelijk voor God. Hij spreekt: “In al hun benauwdheid was Hij benauwd” (Jes. 63:9). Als Israël mishandeld wordt, beschouwt Hij dat als lastering van Zijn eigen Naam, Zijn majesteit wordt ermee door het slijk gehaald (Jes. 52:5).
Wij mogen nooit vergeten, dat wie Israël kwalijk behandelt, niet ongestraft zal blijven. Hele volken hebben de waarheid van dit Schriftgedeelte aan den lijve ondervonden. Maar in het tegenovergestelde geval moeten we ook niet vergeten, dat hij, die goed doet aan Israël, door God zelf gezegend zal worden (Matt. 25:40).

Sluiten