Jom Kippoer en het volmaakte offer

Christologie | Feesten en offers | Typologie en beelden Tekst, Anton van de Haar

Jom Kippoer (Grote Verzoendag) is de meest heilige dag binnen het Jodendom. In zijn brief aan de Hebreeën gaat de apostel uitgebreid in op de betekenis van de oudtestamentische offers en hun vervulling in de Messias.

De Hebreeënbrief belicht de uitnemendheid van het Nieuwe Verbond boven het Oude Verbond. Het Nieuwe Verbond is heerlijker, hoger, verhevener dan het Oude Verbond. Immers, waar het Oude door vergankelijkheid en onvolmaaktheid werd gekenmerkt, daar wordt het Nieuwe door onvergankelijkheid en volmaaktheid gekenmerkt. Neem nu het hogepriesterschap. De Levitische hogepries- ters, die ten behoeve van het volk met gaven en offers tot God naderden, waren zelf eveneens zondig en stierven uiteindelijk. Maar de Hogepriester van het Nieuwe Verbond is heilig en zondeloos en blijft tot in eeuwigheid naar de ordening van Melchize- dek. Staan de eersten niet in schril contrast met de Laatste? Hetzelfde geldt voor de offers van het Oude Verbond in vergelijking met het offer van het Nieuwe Verbond. Vanuit het tiende hoofdstuk van deze intrigerende brief zullen we in deze studie stilstaan bij de algenoegzaamheid en volmaaktheid van het offer van het Nieuwe Verbond: Christus’ dood op Golgotha.

Onder Oud Verbond geen uitdelging van zonden

Hebreeën 10:4 stelt: “.... want het is onmoge- lijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt”. Blijkens deze woorden hadden de vele offers van het Oude Verbond in zichzelf geen werkelijke waarde voor God. Uitdelging van zonden bijvoorbeeld kon door middel van deze dierenoffers nimmer worden verwezenlijkt. Duizend offers van het Oude Verbond brachten een zondaar feitelijk geen millimeter dichter bij God. Reeds in het Oude Testament werd dat al aangegeven, zoals uit het vervolg van Hebreeën 10 blijkt: “Slachtoffer en spijsoffer hebt U niet gewild, maar U hebt voor Mij een lichaam gereedgemaakt” (10:5b); “Brandoffers en offers voor de zonde hebben U niet behaagd” (10:6). Paulus (zeer waarschijnlijk de schrijver van de Hebreeënbrief) citeert hier uit Psalm 40. Keer op keer wendt de apostel zich in deze brief, ter bevestiging van geponeerde stellin- gen, tot de oudtestamentische Geschriften. Daarmee is de Hebreeënbrief vast gefundeerd in het Oude Testament. En reeds dat Oude Testament wees in het geciteerde gedeelte van Psalm 40 al op de onvolkomenheid van de offers van het Oude Verbond.

Uitzicht op een volkomen offer

Volgens Gods eigen getuigenis had Hij geen welbehagen in de offers van het Oude Verbond. Hoe zouden deze dan ooit zonden kunnen wegnemen?! Maar, gelukkig, dat was niet Gods laatste woord. David, de dichter van Psalm 40, voorzag Gods voorzienige hand in de toekomst. Na het citeren van Psalm 40:7a “Slachtoffer en spijsoffer hebt U niet gewild”, vervolgt Paulus met een Goddelijk “maar U hebt voor Mij een lichaam gereedgemaakt” (10:5b, c). In deze lijn liggen ook de daarop volgende verzen. Na de ontstellende vaststelling: “Slachtoffer en spijsoffer hebt U niet gewild”, klinken de verlossende woorden: “Toen zei Ik: Zie, Ik kom – in de boekrol is over Mij geschreven – om Uw wil te doen, o God” (10:6-7). Met de komst van de Messias - zo voorzag reeds het Oude Testament - zou er een offer naar Gods diepste gedachten worden gebracht. Opvallend is dat Paulus de passage uit Psalm 40 niet woord voor woord overneemt. In plaats van: “U hebt Mijn oren doorboord”, zoals in Psalm 40:7b staat, lezen we daar: “maar U hebt voor Mij een lichaam gereedgemaakt”.1 Uiteraard is deze wijziging op geen enkele wijze strijdig met de oorspronkelijke lezing. Psalm 40:7b spreekt over God Die Zijn wil openbaart. Hebreeën 10:5c gaat in op de details van deze wil van God. Aansluitend op zijn citaat uit Psalm 40:7-9 verklaart Paulus deze passage nader en komt dan tot een zeer belangrijke vaststelling: “Hij neemt het eerste weg om het tweede daarvoor in de plaats te zetten”. Sterker had God Zich niet kunnen uitdrukken. Het woord voor ‘wegnemen’ werd in het klassieke Grieks gebruikt voor de vernietiging, afschaffing of intrekking van wetten, regelingen, gebrui- ken, enz.2 Als eenmaal het grote offer, waarnaar onder- meer Psalm 40 verwees, zou zijn gebracht, betekende dat de beëindiging van de oudtestamentische offerdienst. Dientengevolge was het niet meer mogelijk om op grond van de offers van het Oude Verbond tot God te naderen. De schaduwen zouden dan plaatsmaken voor de werke- lijkheid: “Hij neemt het eerste weg om het tweede daarvoor in de plaats te zetten”. Inmiddels ís het ware offer gebracht. Tweeduizend jaar geleden werd Israëls Messias, Jezus van Nazareth, op Golgotha gekruisigd. Toen en daar werd het ware Offerlam geslacht. Daarmee is de oudtestamentische offerdienst opgeheven.

Gekomen om te sterven

Zoals we zagen, kwam Christus om Gods wil te doen. Concreet betekende dat om te sterven door Zich ten offer te stellen. Reeds de plaats van geboorte – Bethlehem – bracht dat tot uitdrukking. Daartoe citeer ik Anachiena van Veen-Vrolijk: “Dat de Messias in Bethlehem zou worden geboren, was een vaste Joodse overtuiging; niet alleen het Oude Testament (Micha 5:1), maar ook het rabbijnse getuigenis wijst duidelijk Bethlehem aan als geboorteplaats van de Messias. Een algemeen Joodse verwachting was bovendien, dat de Messias zou worden aangekondigd vanaf de ‘Migdal Eder’ (= toren van de kudde), een bijzondere plaats nabij Bethlehem, genoemd in Genesis 35:21. ‘Migdal Eder’ lag dicht bij het stadje Bethlehem, aan de weg naar Jeruzalem. De kuddes die daar lagen waren volgens een passage in de Mishna – dat is een vroege rabbijnse bron – bestemd voor de tempeloffers”3. Zoals ook Van Veen-Vrolijk concludeert, kwam met Jezus’ geboorte het ware Godslam ter wereld. In Hem vonden de tempeloffers hun uiteindelijke vervulling. Ondermeer daarom werd Christus niet in Jeruzalem (de stad van de grote Koning) maar in Bethlehem geboren. Reeds in Bethlehem worden we bepaald bij Golgotha, reeds bij de kribbe worden we bepaald bij het kruis. Hebreeën 10:10 verbindt deze wil van God nadrukkelijk met het offer op Golgotha: “Op grond van die wil zijn wij geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus, voor eens en altijd gebracht”. Het kontrast tussen de offers van stieren en bokken enerzijds en het offer van Christus anderzijds is helder: Duizenden dierenoffers konden zonden nimmer wegnemen, maar door het eenmalige offer van Christus zijn gelovigen eens voor altijd geheiligd. Is er een groter kontrast denkbaar?!

Gezeten

“Voorts staat elke priester dagelijks in zijn dienst om telkens dezelfde offers te brengen, die nimmer de zonden kunnen wegnemen”.NBG Let op het woord ‘voorts’. Daarmee wordt aangegeven dat het voorgaande nadere uitwerking vindt. Dagelijks, zeven dagen per week, deden de Levitische priesters dienst om keer op keer dezelfde offers te offeren. Nooit was er een laatste offer, nooit was het werk volbracht. “Maar deze Priester is, nadat Hij één slachtoffer voor de zonden geofferd had, tot in eeuwig- heid gezeten (gaan zitten, Telosvertaling 1982) aan de rechterhand van God” (10:11). In tegenstelling tot de Levitische priesters, die na duizenden offers generatie op generatie te hebben gebracht, nog altijd bleven staan, kon Christus na één offer te hebben gebracht, gaan zitten aan de rechterhand van God. Christus’ offer was volmaakt en Zijn zitten aan Gods rechterhand is daarvan het meest overtuigende bewijs. Daarom is volkomen vergeving van zonden verzekerd voor wie in Christus gelooft, Jood én heiden. Bent u al met uw zonden naar Golgotha gegaan? Nog steeds klinkt Zijn roepstem: “Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven. Neem Mijn juk op u, en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht”.

Voetnoten
1. Deze wijziging legt sterk de nadruk op de relatie tussen de wil van God en het lichaam van de Messias, zoals ook duidelijk uit de context van de offers blijkt.
2. W.J. Ouweneel, Wij zien Jezus – bijbelstudies over de Brief aan de Hebreeën, deel II, pagina 31 (Uitgeverij H. Medema – Vaassen, 1982).
3. Dr. A.E.M.A. van Veen-Vrolijk, ‘Herders als ooggetuigen’, Het Zoeklicht, nummer 19 - 2007.

Sluiten