Joodse christenen tijdens de Tweede Wereldoorlog (dl. 1)

Antisemitisme Tekst, Pieter Siebesma

Invloed van de Holocaust

De moord op de zes miljoen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft haar stempel gedrukt op de naoorlogse Europese geschiedenis. Het is niet toevallig dat men juist na de Tweede Wereldoorlog ging streven naar een verenigd Europa. In 1957 richtten Frankrijk, Duitsland, Italië en de Benelux de EEG op en vanuit de EEG ontstond de Europese Unie. Immers, zo redeneerde men, als Europa niet alleen een economische maar ook een politieke eenheid zou vormen, dan is er geen reden meer om oorlog met elkaar te voeren en kunnen ook de gruwelen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden, zich niet meer herhalen.

Europa is nog steeds bezig de Holocaust en haar gevolgen te verwerken. Sommige landen zijn daarmee al lang bezig (zoals Duitsland en Nederland), maar andere landen zijn nog maar nauwelijks begonnen (zoals Oostenrijk en Kroatië). Dat er sprake is van een verwerkingsproces, blijkt uit het feit dat ‘het Joodse vraagstuk’ zowel in negatieve als positieve zin nog steeds speelt in Europa. Het aantal Joden in Europa neemt al jarenlang af van bijna tien miljoen in 1939 tot vier miljoen in 1945 en tot minder dan twee miljoen vandaag de dag. In sommige landen wonen bijna geen Joden meer zoals in Polen, Oostenrijk, Griekenland en Tsjechië. Maar het antisemitisme is bepaald niet afgenomen, zelfs niet in die landen waar geen of weinig Joden meer wonen.
Aan de andere kant is er onder niet-Joodse Europeanen een toenemende belangstelling waar te nemen voor alles wat met Joodse cultuur, godsdienst en geschiedenis te maken heeft. Nog nooit zijn er zoveel boeken verschenen over Joodse onderwerpen en over de Holocaust als in de afgelopen vijf en twintig jaar. Alleen al in Duitsland worden per jaar 1200 boeken over Joodse onderwerpen gepubliceerd. Jaarlijks verschijnen in de bioscopen nieuwe speelfilms over de Holocaust.
Een ander opmerkelijk verschijnsel is het toerisme naar Joodse monumenten en bezienswaardigheden in Europa. Sinds 1990 worden er reisgidsen en brochures gepubliceerd met speciale aandacht voor het Joodse verleden van landen als Tsjechië, Duitsland, Italië en Nederland. Vervallen synagogen worden hersteld en als musea ingericht, Joodse kerkhoven opgeknapt. Met name in Duitsland zijn vele nieuwe Joodse musea geopend om de herinnering aan het Joodse verleden levend te houden.

Joodse christenen

Opvallend is echter dat onder die duizenden publicaties over de Holocaust relatief weinig is te vinden over de lotgevallen van de groep Joodse christenen in Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er zijn wel studies gepubliceerd over Joodse christenen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland en Duitsland, maar over andere landen is veel minder bekend. En wat de totale groep van Joodse christenen betreft, daarover moet de eerste alomvattende studie nog geschreven worden.1
Weinig mensen realiseren zich dat deze groep veel groter was, dan veelal wordt aangenomen. In de 19e eeuw waren door het werk van die evangelische zendingsorganisaties, die zich specifiek op Joden richtten, veel Joden tot het geloof in de Messias gekomen. Een aantal van deze bekeerlingen had zich aangesloten bij verenigingen van Joodse christenen die verenigd waren in de International Hebrew Christian Alliance (IHCA). In 1927 bedroeg het aantal leden van de IHCA wereldwijd 147.000 leden, waarvan 17.000 in Oostenrijk, 25.000 in Polen en 60.000 in Rusland. En dit waren alleen nog maar diegenen die vanuit een bewuste keuze christen waren geworden. Die Joden die zich in de negentiende en twintigste eeuw hadden laten dopen vanwege niet-religieuze redenen waren veel talrijker. Met name in Duitsland en Hongarije hadden veel Joden zich laten dopen om daardoor een hogere positie of baan (bijvoorbeeld als officier in het leger) te verkrijgen, die alleen openstond voor christenen. Anderen werden lid van een christelijke kerk vanwege een huwelijk met een niet-Jood. Nadat Hitler aan de macht was gekomen, lieten ook Joden zich dopen in de hoop daarmee aan de vervolgingen te ontsnappen. Alleen al in Italië sloten in 1938 en 1939 zich bijna 4000 Joden bij de rooms-katholieke kerk aan, omdat men hoopte zo niet meer onder de anti-joodse maatregelen te vallen. Het gedoopt zijn was dus niet altijd per definitie gerelateerd aan de christelijke geloofsovertuiging.

Daaruit valt het te verklaren dat in Hongarije in 1944 van de 787.000 geregistreerde Joden er 62.000 rooms-katholiek waren of protestant (dat is 8 % van het totaal).
Ook in Duitsland waren veel Joden lid van een christelijk kerkgenootschap. In 1939 stonden er 233.646 Joden geregistreerd. Van hen waren bijna twintigduizend niet lid van een Joodse gemeente. Tienduizend waren aangesloten bij de Lutherse kerk, drieduizend rooms-katholiek en 320 waren lid van andere kerkgenootschappen (6 % van het totaal). Van de 52.000 mensen met twee Joodse grootouders waren er ruim 31.000 Luthers en bijna 9000 rooms-katholiek. Omdat tussen 1933 en 1939 al meer dan de helft van de Duitse Joden Duitsland had verlaten of was ontvlucht, moet het aantal Joodse christenen in 1933 veel groter zijn geweest.

In andere landen lag het aantal Joodse christenen lager. In Nederland bijvoorbeeld waren er in 1941 690 rooms-katholieke Joden, 591 Nederlands Hervormde Joden en ongeveer 600 Joden, die lid waren van andere protestantse denominaties, zoals Gereformeerd, Luthers, Vrij Evangelisch, Remonstrants, Doopsgezind, etc. Onder deze groep van bijna 2000 personen waren relatief veel Duitse vluchtelingen. Het aantal christenen onder diegenen met een of twee Joodse grootouders was groter. Van de ruim 19.000 mensen waren er ongeveer 5000 protestant en van hen was 3400 lid van de Nederlands Hervormde Kerk. Het aantal Joodse christenen dat was aangesloten bij de Nederlandsche Vereniging van Joden-Christenen (NVJC) was echter gering.

Het is onmogelijk om nauwkeurig vast te stellen hoe groot de groep Joodse christenen in Europa was. Juist omdat de motieven om zich bij een kerk aan te sluiten of om zich te laten dopen zo verschillend waren, vormde deze groep ook geen eenheid. Daarnaast waren er Joden die wel Jezus als Messias volgden, maar weer niet bij een bestaande denominatie waren aangesloten, zoals bijvoorbeeld de leden van de gemeente ‘de Israëlieten van het Nieuwe Verbond’, die in 1880 was gesticht door Josef Rabinowitz in Kisjinev in Moldavië.
Ik schat dat er voor de oorlog minimaal 200.000 Joodse christenen (2 % van het totaal aantal Joden) in Europa waren en daarnaast was er nog een veel grotere groep christenen met een gedeeltelijke Joodse achtergrond.

Lot van de Joodse christenen

Europa kent een lange geschiedenis van antisemitisme en Jodenvervolgingen. Maar in het verleden was het voor Joden mogelijk om daaraan te ontsnappen als ze christen werden en daarmee afstand deden van hun Joodse achtergrond en leefwijze. Dat is mede ook de reden dat in een rooms-katholiek land als Italië voor de oorlog zoveel Joden rooms-katholiek werden.
Maar wat voor de Middeleeuwen opging, was in de twintigste eeuw niet meer mogelijk.
De Neurenberger wetten zijn niet gebaseerd op de Joodse geloofsovertuiging of op het lidmaatschap van de synagoge, maar op ras. Je bent Jood als je drie of vier Joodse grootouders hebt (dat wil zeggen: dat je grootouders lid waren van een synagoge, of in de synagoge getrouwd of op een Joodse begraafplaats begraven waren), ongeacht of je zelf orthodox-joods, atheïst of christen was.
Daarnaast kende men de indeling in half-Joden (zij met twee Joodse grootouders) en kwart-Joden (zij met één Joodse grootouder). Daarmee hanteerde Hitler een andere definitie van Jood-zijn dan de Joodse gemeenschappen zelf. De Halacha (de Joodse wetgeving) kent niet het onderscheid tussen Joden, half-Joden en kwart-Joden. Je bent Joods wanneer je moeder Joods is, ongeacht de vader. Een deel van de zogenaamde half-Joden, namelijk zij met een Joodse moeder, zijn volgens de Halacha Joods.
Omdat de Nazi’s gefixeerd waren op ras, bood het gedoopt zijn of het lidmaatschap van een christelijke kerk geen of slechts tijdelijke bescherming tegen deportatie naar de vernietigingskampen. Voor Joodse christenen werd geen uitzondering gemaakt. Integendeel, de Nazi’s moesten helemaal niets hebben van Joodse christenen. In een bepaald opzicht vonden zij hen gevaarlijker dan orthodoxe Joden. Immers de Joodse christenen waren aangesloten bij kerken, waarvan de meerderheid van de leden uit Ariërs bestond. Doordat Joodse christenen vaak trouwden met niet-Joodse gemeenteleden, bezoedelden zij zo het Arische ras.
Hoe fel Nazi’s tegen Joodse christenen gekant waren, toont het lot van de rooms-katholieke Joden in Nederland. Op 26 juli 1942 werd zowel in de protestantse als in de rooms-katholieke kerken een gezamenlijk protest tegen de deportatie van Joden en het wegvoeren voor dwangarbeid van de kansel voorgelezen. In de rooms-katholieke kerken werd daarnaast ook de tekst voorgelezen van een telegram dat men op 11 juli aan de rijkscommissaris had gestuurd met daarin het verzoek om af te zien van de deportaties van de Joden naar het oosten. Daarover waren de Duitse autoriteiten zo kwaad, dat zij besloten de rooms-katholieke Joden met voorrang te deporteren. Een week later, op zondag 2 augustus, werden alle rooms-katholieke Joden gearresteerd. Zij die gemengd gehuwd waren, werden later weer vrijgelaten, maar de anderen gingen via Westerbork naar Auschwitz, waar ze bij aankomst werden vergast. Niemand van deze groep heeft het overleefd. Onder hen waren een groot aantal nonnen en kloosterbroeders, zoals de filosofe Edith Stein (die later door de rooms-katholieke kerk heilig is verklaard) en haar zus Rosa uit het Karmelietessenklooster in Echt en vijf leden van de familie Löb uit een klooster in Tilburg. Lutz Löb, een ingenieur uit Duitsland, en de Nederlandse Jenny van Gelder waren in 1906 rooms-katholiek geworden en daarna met elkaar getrouwd. Lutz en Jenny Löb overleden voor de oorlog, maar van hun acht kinderen traden er zes in het klooster. Slechts één dochter overleefde de oorlog, omdat ze gemengd gehuwd was.
Er zijn ooggetuigenverklaringen bewaard gebleven. De aankomst van vrouwen in kloosterkleed en mannen in habijt in Auschwitz veroorzaakte nogal wat verbazing bij de andere Joodse gevangenen. Ook vanuit Frankrijk kwam later een trein in Auschwitz aan, waarin zich alleen Franse priesters, kloosterbroeders en nonnen bevonden die vanwege hun Jood zijn waren gedeporteerd om vergast te worden.

In Hongarije waren in 1944 62.000 Joodse christenen. Het Hongaarse parlement kwam tussen 1939 en 1943 drie keer bij elkaar om vast te stellen wie als Joden gedefinieerd moesten worden. Ondanks de protesten van de rooms-katholieke kerk kozen de (veelal christelijke (sic)) parlementsleden niet voor de godsdienstige invulling maar voor de Neurenberger definitie. Hoewel Hongarije slechts 725.000 mensen telde die de Joodse godsdienst aanhingen, werden aan de anti-joodse wetten 787.000 mensen onderworpen. Toen in 1944 de Duitsers Hongarije binnentrokken, konden zij zonder al te veel moeite hen naar Auschwitz deporteren. Ook hier deelden de Joodse christenen gelijkelijk het lot van de andere Joden.

Vrijgesteld van deportatie

Er waren eigenlijk maar twee ‘legale’ mogelijkheden, waardoor Joden aan deportatie konden ontkomen. In de eerste plaats was dat, wanneer ze konden bewijzen dat ze niet tot het ‘Joodse ras’ behoorden. In Nederland was een Duitse ambtenaar Hans Calmeyer belast met de kwestie van de ‘ariseringen’. Er zijn bij hem vijfduizend verzoeken ingediend door mensen, die hun Joodse identiteit verloochenden of bestreden, bijvoorbeeld omdat ze stelden een kind uit een buitenechtelijke relatie te zijn. Het hebben van vier of twee Joodse grootouders en de beslissing van Calmeyer daarin kon het verschil uitmaken tussen leven en dood.
Ook voor groepen is dat (met wisselend succes) geprobeerd. De Karaïeten (een Joodse sekte in Polen) werden niet gedeporteerd, omdat ze konden ‘bewijzen’ van Arische komaf te zijn.
Ook heeft men geprobeerd om de Portugese Joden in Nederland als groep van deportatie te redden door aan te tonen dat zij ‘Arisch’ waren. Deze poging is echter niet gelukt. Zij zijn wel naar Auschwitz gedeporteerd. De Dominicaner zuster Judith was samen met de andere rooms-katholieke kloosterlingen opgepakt, maar omdat ze van Portugees-Joodse afkomst was, later weer vrijgelaten. Twee jaar later werd ze samen met de andere Portugese Joden alsnog gedeporteerd en is omgekomen.

Ten tweede werden diegenen die gemengd gehuwd waren voorlopig ook van deportatie vrijgesteld. Vaak wordt gedacht dat de Nazi’s de gemengd gehuwden niet wilden deporteren, omdat ze bang waren dat dat te veel opschudding bij de niet-Joodse familie of omgeving zou veroorzaken. Maar dat was niet de reden. De Nazi’s waren juist geobsedeerd door de gemengd gehuwden en vooral door hun kinderen. Net als de Joodse christenen wierpen deze kinderen een ‘smet’ op het ‘Arische’ Duitse volk, doordat zij hun bloed vermengden met die van de Arische Duitsers. De Nazi’s waren het onderling niet met elkaar eens, wat met de half-Joden en kwart-Joden moest gebeuren. Moesten zij gedeporteerd worden naar de vernietigingskampen of niet? Men kwam er niet uit en daarom besloot men de beslissing over deze groep uit te stellen tot na de oorlog. Dus vanwege de kinderen werd de deportatie van de gemengd gehuwden uitgesteld, ook wanneer zij geen kinderen hadden.
Het is vanwege het gemengd gehuwd zijn dat een aantal Joodse christenen in Nederland de oorlog heeft overleefd, zoals Marjorie Eberlé-Gotlib, die jarenlang voorzitter is geweest van Hadderech, Hirsch Blum, ex-penningmeester van Hadderech en Rebekka de Graaf-van Gelder.

Dat betekent niet dat gemengd gehuwden geen gevaar liepen. Wanneer de niet-joodse partner van je scheidde, werd je wel gedeporteerd. Als je een overtreding beging, kon je ook gedeporteerd worden. Vanwege een anti-Duitse preek zijn zo de Nederlands Hervormde predikanten J. Rottenberg en ds. J. Cohen, die gemengd gehuwd waren, gearresteerd en naar resp. Mauthausen en Dachau gedeporteerd en daar omgekomen.
Maar de meerderheid van de gemengd gehuwden heeft het overleefd. Echter als Hitler de oorlog had gewonnen, zou ook deze groep uiteindelijk zijn vermoord.
Duitsland werd op 13 mei 1943 Duitsland officieel ‘judenrein’verklaard, maar tegen het eind van de oorlog waren er nog bijna vijftienduizend Joden die vrij konden rondlopen, ruim 98% van hen waren getrouwd met niet-Joodse partners.
De enige openbare demonstratie in Duitsland tegen de Jodenvervolging heeft plaatsgevonden in Berlijn. Toen in 1943 een aantal gemengd gehuwde Joden werd opgepakt, hebben hun niet-Joodse echtgenotes net zolang voor het gebouw van de Gestapo in de Rosenstrasse geprotesteerd, tot ze werden vrijgelaten. Onder hen waren een aantal rooms-katholieke en protestantse Joden

Na de Tweede Wereldoorlog

Hoeveel Joodse christenen de Holocaust niet hebben overleefd, is niet bekend. Joodse christenen deelden in principe hetzelfde lot als hun volksgenoten. Als we het aantal Joodse christenen op twee procent van het totaal aantal Joden schatten, zou 120.000 een reële schatting zijn (twee procent van de zes miljoen). Maar mogelijk is het aantal minder omdat relatief veel Joodse christenen gemengd gehuwd waren en om die reden de oorlog konden overleven.
Feit is dat van de leden van de gemeente ‘de Israëlieten van het Nieuwe Verbond’, gesticht door Josef Rabinowitz in Kisjinev in Moldavië, uiteindelijk slechts één persoon het eind van de oorlog heeft gehaald. Van de International Hebrew Christian Alliance, die voor de Tweede Wereldoorlog tienduizenden leden in Europa had, was na de oorlog nauwelijks meer iets over. Verenigingen van Joodse christenen (die tijdens de oorlog op last van de Nazi’s waren opgeheven) moesten weer van de grond af aan opnieuw beginnen.

De Holocaust heeft ook invloed uitgeoefend op hoe Joodse christenen zichzelf vandaag de dag zien. Het feit dat Joodse christenen de ster moesten dragen en in concentratiekampen hebben gezeten, heeft hen meer dan ooit bepaald bij hun Joodse identiteit. Immers hun christen-zijn kon hen niet redden van deportatie en vernietiging. Meer dan voor de Tweede Wereldoorlog vinden ze hun Joodse identiteit belangrijk. Dat komt tot uiting in de benaming ‘Messias belijdende Joden’ in plaats van ’Joodse christenen’. Dat er vandaag de dag Messiaans-Joodse gemeenten bestaan, is eveneens een bewijs van de bewustwording van de eigen Joodse identiteit.

Individuele christenen hebben zich tijdens de Tweede Wereldoorlog ingespannen om Joden te helpen bij het onderduiken of op andere wijze. Daarentegen is de houding van veel kerken ronduit schokkend geweest, hoe zij zich niet alleen ten opzichte van de Joden, maar ook ten opzichte van hun eigen Joodse leden hebben opgesteld en gehandeld. Maar daarover in een volgend artikel meer.

Lees ook deel 2

Voetnoot:
1) Zie voor een eerste poging daartoe: P.A. Siebesma, De vervolging van de Joodse christenen tijdens de Tweede Wereldoorlog, Theologia Reformata, 2010 vol. 3, 140-155.

Sluiten