Verloste schepselen of tobberige ploeteraars?

Jodendom Tekst, Marjorie W. Eberlé-Gotlib

Na de verwoesting van de Tempel in 70 na Chr. ging het Jodendom in de verstrooiing. Zonder een tempel, waar vergeving van zonden kon worden bewerkt door het brengen van offergaven, kwam het in de diaspora tot een nieuwe vorm van aanbidding.

Rabbijnse eredienst

Geheel nieuw was dit niet. Al vóór de komst van Jesjoea had het hellenisme reeds zijn intrede in het Jodendom gedaan. Maar toen de door God voorgeschreven offers wegvielen en Jeruzalem zelfs voor Joden verboden werd, kwam er een rabbijnse eredienst voor in de plaats.
In het rabbinale Jodendom is veel goeds te vinden. Veel rabbijnse wijsheden kunnen wij in onze gedachten bewaren en uitdragen. Maar het grote gemis in het rabbijnse Jodendom voor ons, die door de Eeuwige tot Masjiachbelijders gemaakt werden, is het ontbreken van de geest van profetie; de kern van Tenach en Evangelie. Deze geest van profetie heeft God namelijk op doordringende en diepe wijze verder gedragen vanuit de Tenach naar de Geschriften van het Nieuwe Verbond (Nieuwe Testament, red.).

Het nieuwe verbond

Die overgang van het ene verbond naar het andere heeft God onder meer aan de profeet Jeremia geopenbaard. Hij moest vanuit de gevangenis in 589 v. Chr. van dat komende Evangelie getuigen. God zond, zoals Hij gewoon was te doen, op een tijdstip dat niets erop leek dat zulke zegeningen Israël en de volkerenwereld ten deel zouden vallen (vlak voor de deportatie van het volk naar Babel), Jeremia’s boodschap de wereld in. Er zou een tijd komen dat Hij met het hele Joodse volk een Nieuw Verbond zou sluiten (Jer. 31:31). Het zou geheel anders van aard zijn dan het verbond dat Hij met Israël sloot toen Hij hen uit Egypte verloste en hen de Tien Woorden gaf (Jer. 31:32). Deze Tien Geboden bevatten voorschriften die acht keer beginnen met de woorden “gij zult niet” en twee keer met de woorden “gij zult”. 

Nadat Mozes al de Woorden van de HEERE en al de verordeningen die er mee verbonden waren aan het volk had meegedeeld, antwoordde het hele volk eenstemmig: “Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen” (Exod. 24:3).
Helaas kwam daar niet zoveel van terecht; zij bezweken onder andere voor de verleiding van de hen omringende volkeren en vervlochten hun erediensten met heidense afgoderijen. Vandaar dat de Eeuwige toestond dat zij uit hun land in ballingschap werden weggevoerd en hun Tempel werd verwoest. Maar niet eerder dan nadat Hij tevergeefs honderden jaren lang Zijn profeten had gezonden, die hen onafgebroken hadden gewaarschuwd en getracht hen terug te roepen tot Hemzelf, de ware en enige God. Dit nieuwe verbond zou dus anders van aard zijn dan het eerste verbond, dat hen op de berg Horeb was gegeven. Dat was nodig, want de HEERE zegt: “Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had” (Jer. 31:32). 

Israël heeft het verbond nooit kunnen houden en sinds de val van Adam is er, behalve Jesjoea niemand geweest die volkomen volgens Gods richtsnoer heeft geleefd. De maatstaf die Hij voorhield, is totale heiligheid en volmaaktheid. Maar sinds Adams val, toen de kennis van goed en kwaad de mens vér-standig had gemaakt (Gen. 3:6), staan alle mensen, getoetst aan de wet, als veroordeelden voor het aangezicht van de Eeuwige.

Menselijke redeneringen

Joodse schriftgeleerden zijn reeds eeuwen vóór de komst van Jesjoea tot een bijbelopvatting gekomen die in de kern ernstig afwijkt van de Thora. De openbaring van Gods bedoeling, door Zijn profeten onophoudelijk verkondigd, werd vervangen door menselijke (hellenistische) redeneringen.
Dit alles ging vooraf aan de komst van de Masjiach Jesjoea en kwam tot volle bloei toen de leiders van het Jodendom in de eerste eeuw het getuigenis van de Joodse apostelen verwierpen. Zelfs het onweerlegbare bewijs dat Jesjoea was opgewekt uit de dood, bracht hen niet tot andere Bijbeluitleg.
Daarom moet een Masjiachbelijdende Jood voorzichtig zijn met te menen dat alles wat het Jodendom bij het ontstaan van de eerste gemeente geloofde Bijbels was. Het is ons juist vanuit het Nieuwe Testament zo duidelijk dat Jesjoea voortdurend bezig is alle rationele, op eigen verdienste gestoelde werken van die rabbinale leer aan de kaak te stellen.

Na in Jeremia 31:32 gezegd te hebben dat God een ander verbond zal sluiten, wordt in de verzen 33 en 34 de kern van dat nieuwe verbond uiteengezet dat op een later tijdstip werkelijkheid zal worden. “Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven” en: “zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe”. Vervolgens lezen we hoe God dat zal doen: “Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken”.
God gaat volgens dat Nieuwe Verbond voortaan alles Zelf vóór ons en áán ons doen. Door dat nieuwe verbond, dat niet eerder dan Golgotha in werking kon treden, werd de verantwoordelijkheid van de gelovige Jood en niet-Jood veranderd. Het “gij zult” en “gij zult niet” uit de tien geboden, waardoor elke gelovige de worsteling ervaart van het goede te willen doen zonder daar geheel in te slagen, heeft God van ons weggenomen. Door het geloof van Jesjoea kunnen wij nu uit geloof leven. En dat is iets geheel tegengestelds.

Of toch niet? Als ik rondkijk naar de vele Masjiachbelijders, Joodse zowel als niet-Joodse, merk ik daar meestal niet veel van. Gaan ze als blije, verloste schepsels door het leven? Of is het toch nog een tobberig geploeter om vooral aan allerlei voorschriften te voldoen die in de loop van de laatste 1900 jaar bedacht werden door onze ‘rabbijnen’? Om vaak moe van zo'n halfslachtig leven er tenslotte maar de brui aan te geven. Of om in een nieuwe vorm van aanbidding of gemeente door een tijdelijke verandering van spijs weer wat eetlust te krijgen? Waaraan ligt het toch dat wij die verlossing zo weinig ervaren, ondanks het geloof dat we door de Masjiach verlost zijn? De reden is dezelfde als die er al was in het paradijs. Nog altijd geloven we God niet op Zijn Woord. Nog steeds vertrouwen we er niet op dat God Zijn wet in ons binnenste heeft gelegd en dat Hij onze zonde en ongerechtigheid niet meer gedenkt. Maar wat bedoelt de Eeuwige er dan mee dat Hij Zijn wet, Zijn leefregel in ons hart zal leggen en in ons binnenste?
Het betekent dat die genade, waaruit wij nu mogen leven, ons voortdurend in directe verbinding met God heeft gebracht. Zoals Adam en Eva zonder schaamte of angst zich vóór de zondeval totaal aan God toevertrouwden, mogen en kunnen wij dat nu ook. Elk moment kunnen we ons rechtstreeks tot God wenden. Jesjoea vertelt ons in Johannes 14:26 dat de Trooster, dat is de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Zijn naam, ons alles zal leren en ons te binnen zal brengen (dat is dus in ons binnenste zal leggen) al wat Hij gezegd heeft. Ziehier het nieuwe en totaal andere verbond dat God met ons gesloten heeft. Hier is geen sprake meer van vertrouwen op eigen kracht om Gods eisen te vervullen. We mogen ons nu overgeven aan de kracht van God, aan de Heilige Geest.

Leven uit genade

Zoals we aan de Sedertafel leunen om tot uitdrukking te brengen dat we met ons hele lichaam zijn verlost van de slavernij in Egypte, waar de farao ons zelfs niet toestond om te zitten, mogen wij voortaan leunen tegen de Heilige Geest en in Hem rusten, erop vertrouwend dat Jesjoea's laatste woorden aan het kruis “Het is volbracht” voor een ieder die ze gelooft, uitlopen op het volbrengen van Gods wil.

Leven uit Gods genade betekent het totaal buiten jezelf zoeken; een ander, namelijk de Heilige Geest, vertrouwen en niet jezelf.
Wij staan voor God totaal heilig, volmaakt en onberispelijk, dankzij het geloof van Jesjoea, Die voor ieder van ons aan elke eis van God voor altijd en eeuwig heeft voldaan. Dat is de geest van de profetie, die Jeremia ons heeft mogen aanzeggen; die geest die ik zo node mis in het rabbinale Jodendom nu ik Jesjoea als de Masjiach Israëls heb mogen leren kennen.

Wie was Marjorie Eberlé-Gotlib?

Marjorie Eberlé-Gotlib (1914-2009) was jarenlang voorzitter van Hadderech, de Nederlandse vereniging van Jesjoea hammasjiach-belijdende Joden. Haar belangstelling voor Jezus werd gewekt tijdens de Tweede Wereldoorlog door het lezen van de Nazarener van Scholem Asch. Haar leermeester was Philipp Trostianetzky, zendeling bij Elim in Rotterdam. Ook Joods-christelijke auteurs als Adolph Saphir, David Baron en Alfred Edersheim hebben bijgedragen aan haar geloofsontwikkeling. Nog tijdens de oorlog werd ze, samen met haar niet-Joodse man, gedoopt door ds. Buskes, die bij die gelegenheid zei dat ze nu pas echt Jood (d.i. Godlover) was geworden. Na de oorlog is ze lezingen gaan houden, schreef artikelen voor het tijdschrift Hadderech, leidde Bijbelkringen in Rotterdam en omgeving en was lid van de theologische commissie van The International Hebrew Christian Alliance. Ze zag het als haar taak om de christenen die zij ontmoette te vertellen over Gods trouw aan ontrouwe mensen. Naast Gods genade was de blijvende plaats van het Joodse volk in Gods bestel de andere pijler waar een Bijbelse theologie volgens haar op behoorde te rusten. Met haar vertrouwen in God als haar Vader, haar blijdschap een behouden zondaar te zijn en haar liefde voor haar eigen volk is ze velen tot zegen geweest.
door Joop Akker (secretaris Hadderech)

Sluiten