144.000 verzegelde dienaren en de ontelbare schare

Profetisch Woord | Nieuw Testament Tekst, Ton Stier

Nog voordat we in Openbaring lezen over het merkteken van het beest op de rechterhand of voorhoofd, waarmee velen als satans ‘oorlogstrofee’ gemarkeerd zullen worden (13:16,17), doet de Heere wederom iets heel bijzonders. Hij verzegelt 144.000 dienaren uit alle stammen van de Israëlieten (7:4-8). Hun verzegeling maakt hen immuun voor zowel het terreurregime van de twee beesten uit respectievelijk de zee en de aarde (hfdst. 13), maar ook voor de schade die door de vier engelen aan de aarde zal worden toegebracht (7:3). Wat weten wij van deze 144.000?

Allereerst zijn het dienaren van God (7:3). Dat werden ze niet op het moment van verzegeling, maar waren dat ongetwijfeld reeds voor die tijd. We mogen ervan uitgaan dat deze Israëlitische gelovigen niet noodzakelijkerwijs hun residentie in Israël zullen hebben, maar de Heere reeds te midden van de volken hebben gediend. Wat was de aard van hun dienstwerk? Wel, aansluitend op de verzegeling van deze dienaren ziet Johannes een menigte mensen, die in tegenstelling tot het exact getal van 144.000, door niemand te tellen is (7:9). Zij hebben hun gewaden gewassen in het bloed van Lam (7:14). Zou er een verband kunnen zijn met het getuigenis van de 144.000 verzegelden en deze gelovigen “uit alle naties, stammen, volken en talen”, die in de hemel zijn opgenomen en staan vóór de troon en vóór het Lam? (7:9)

Alle stammen van de Israëlieten

Als we kijken naar de namen van de 12 stammen van Israël, waaruit de 144.000 verzegelden voortkomen, vallen een aantal dingen op.

  1. De lijst wordt aangevoerd door Juda en niet door de eerstgeborene Ruben (Gen. 29:32). Wat daarvan de oorzaak is wordt ons niet meegedeeld, maar zou verband kunnen houden met het feit dat uit Juda, de Koning-Messias is voortgekomen. Een belangrijk thema in Openbaring waar alles toewerkt naar de wereldheerschappij van de Heere Jezus als de Zoon van David uit de stam van Juda (Hebr. 7:14). Hoewel Ruben in Jakobs profetie wordt erkend als zijn eerstgeborene, brengt Jakob tegelijk in herinnering hoe hij “het bed van zijn vader is ingeklommen en heeft geschonden” (Gen. 49:3). Jakob doelt hier op de zonde van Ruben, die bij Jakobs bijvrouw Bilha heeft geslapen (Gen. 35:10). Over Juda daarentegen profeteert hij: “De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo (aanduiding van de Messias) komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen” (Gen. 49:10).
  2. De stam Dan ontbreekt, wat mogelijk op nieuw verband houdt met de profetie van Jakob: “Dan zal een slang zijn op de weg, een adder op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterovervalt” (Gen. 49:17). Het is o.a. op basis van deze tekst dat sommigen menen dat de antichrist uit deze stam zal voortkomen. De Schrift onthult dat echter niet. Wel weten we dat de afgoderij in de periode van de Richteren met Dan begon. We lezen: “En de Danieten richtten het gesneden beeld voor zich op. En Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse, hij en zijn zonen, waren priesters voor de stam van de Danieten, tot op de dag dat het land in ballingschap werd gevoerd” (Richt. 18:30). Zie voor de ernst van en sancties voor de zonden van afgoderij: Deut. 29:18-21; Lev. 24:10-16). Dat neemt echter niet weg dat in het Messiaanse rijk de stam van Dan zijn plaats in het land krijgt toegewezen (Ezech. 48:1,2) en in die tijd zijn naam op een van Jeruzalems poorten niet zal ontbreken (Ezech. 48:32).
  3. Terwijl de naam van Jozef is toegevoegd ontbreekt de naam van zijn zoon Efraïm. Ook hier moeten we constateren dat de naam Efraïm is verbonden met de afgoderij, die Jerobeam in het 10-stammenrijk ontwikkelde. Volgens Hosea was Efraïm “verknocht aan de afgoden” (4:17); “een koek die niet omgekeerd is” (7:8); “een herder van wind” (12:12) en verwekte hij de HEERE “tot bittere toorn” (12:15). Desalniettemin zegt de Heere in Zijn ontferming: “Is Efraïm voor Mij niet een dierbare zoon, is hij voor Mij niet een lievelingskind? Want zo dikwijls als Ik tot hem spreek, denk Ik nog voortdurend aan hem. Daarom is Mijn binnenste onrustig over hem, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, spreekt de HEERE” (Jer. 31:20).
    En zo krijgt ook Efraïm een gebied in het Messiaanse rijk toegewezen (Ezech. 48:6).
    “Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemel, Uw trouw tot de wolken.” (Ps. 57:11).

Zie hieronder nog het overzicht van de verschillende volgorden en namen van de stammenlijst, zoals die in de Schrift zijn te vinden.

1
Geboorte
Gen. 29, 30 en 35
2
Jakobs zegen
Gen. 49
3
Mozes’ zegen
Deut. 33
4
De telling
Num. 1
5
De verspieders
Num. 13
6
Verdeling van Kanaän
Joz. 13-19
7
De erfdelen
Ezech. 48
8
De 144.000 verzegelden
Openb. 7
Ruben Ruben Ruben Ruben Ruben Ruben Dan Ruben
Simeon Simeon Juda Simeon Simeon Gad Aser Ruben
Levi Levi Levi Juda Juda Manasse Naftali Gad
Juda Juda Benjamin Issakar Issakar Juda Manasse Aser
Dan Zebulon Jozef Zebulon Efraïm Efraïm Efraïm Naftali
Naftali Issakar Zebulon Efraïm Benjamin Benjamin Ruben Manasse
Gad Dan Issakar Manasse Zebulon Simeon Juda Simeon
Aser Gad Gad Benjamin Manasse Zebulon Benjamin Levi
Issakar Aser Dan Dan Dan Issakar Simeon Issaker
Zebulon Naftali Naftali Aser Aser Aser Issakar Zebulon
Jozef Jozef Aser Gad Naftali Naftali Zebulon Jozef
Benjamin Benjamin Naftali Gad Dan Gad Benjamin
(Simeon
weggelaten)
(Levi en Jozef
weggelaten)
(Levi en Jozef
weggelaten)
(Levi en Jozef
weggelaten)
(Levi en Jozef
weggelaten)
(Dan en Efraïm
weggelaten)
Sluiten