Die in de hemel woont, zal lachen

Oud Testament | Feesten en offers Tekst, Ton Stier

Op 10 maart is het weer Poerim. Het feest dat in Israël uitbundig wordt gevierd en beetje lijkt op carnaval. De focus ligt vooral op de spot met Haman, de Jodenhater in het kwadraat.
Tijdens het voorlezen van het boek Esther in de synagoge hebben de kinderen een ratel in de hand. Zodra ze de naam Haman horen (53 keer), laten ze deze driftig ronddraaien en stampen ze zo hard mogelijk op de grond.

De Hamans achter Haman

De geschiedenis van het boek Esther staat niet op zichzelf. Achter Haman gaat een lange rij ‘Hamans’ schuil die Gods volk probeerden uit te roeien, maar uiteindelijk zelf ten onder gingen. Gods belofte aan Abram luidde immers: “wie u vervloekt, zal Ik vervloeken” (Gen. 12:3). Hoewel we hier twee keer het woord ‘vervloeken’ tegenkomen, geeft het Hebreeuws verschillende woorden. Een meer letterlijke vertaling is: “wie u minacht, zal Ik vervloeken”. Hoezeer Haman het volk minachtte, blijkt alleen al uit de wijze waarop hij zijn genocide wilde uitvoeren: door hen als ongedierte te verdelgen en uit te roeien. En wel op één dag, “van jong tot oud, met de kleine kinderen en de vrouwen” (3:13). Precies zoals Hitler later zes miljoen Joden ontmenselijkte om ze vervolgens via een industrieel proces te verdelgen.

De haat achter de haat

Achter de haat tegen het volk van Israël, ligt de haat tegen de God van Israël. En dat onthult de kern van antisemitisme: het is ‘anti-Sjem’. Sjem is Hebreeuws voor ‘naam’. Zo spreken Joden veelal over God als ha-Sjem. Het is dus de strijd tegen de Naam waarin God Zijn wezen openbaart en die Hij over Jeruzalem heeft uitgeroepen (Dan. 9:18). Opmerkelijk dat de torenbouwers van Babel niet alleen de top van hun toren tot in de hemel wilden laten reiken, maar zich in Babel ook een anti-naam wilden maken waaronder zij zich konden verenigen. Maar tegenover de mens, die zich vanaf de aarde tot de hemel wil verheffen, daalt God vanuit de hemel neer om in één klap hun arrogante ambitie ongedaan te maken. God spot met Zijn vijanden. Vroeg de Farao niet: “Wie is de HEERE, naar Wiens stem ik zou moeten luisteren …?” (Exod. 5:2). Gods antwoord is helder: “… juist hierom heb Ik u laten bestaan, om Mijn kracht aan u te tonen, zodat Mijn Naam bekendgemaakt zal worden op heel de aarde” (Exod. 9:15-16).

Ironische vernedering

Het klinkt misschien vreemd, maar God gebruikt vaak ironie om Zijn vijanden te vernederen. Lezen we in Psalm 1 over ‘de zetel van de spotters’; in Psalm 2 lezen we Gods reactie: ‘Hij, Die in de hemel zetelt, zal lachen en hen bespotten’. Geen gelach als gevolg van vrolijkheid, maar als gevolg van Zijn heilige toorn. Laten we met dit principe in gedachten eens kijken naar de grote lijnen van het boek Esther.

Ahasveros’ imago getackeld door zijn vrouw

Het eerste vers onthult meteen Ahasveros’ koninklijke roem, regerend “van India af tot Cusj toe over honderdzevenentwintig gewesten”. En dan neemt de schrijver ons mee naar een half-jaar-durend feest waarin de koning “de rijkdom en luister van zijn koninkrijk liet zien, en de glansrijke luister van zijn grootheid” (1:4). Daarna wordt er een overvloedig diner geserveerd in ‘de voorhof van de tuin van zijn paleis’, waarvan de glitter en glamour elk voorstellingsvermogen te boven gaat (lees vs. 5-8).
Het hoogtepunt? De komst van ‘koningin Vasthi getooid met de koninklijke diadeem, om aan de volken en de vorsten haar schoonheid te tonen. Zij was namelijk knap om te zien’ (1:11). En dan komt de anticlimax: “Maar koningin Vasthi weigerde te komen op het woord van de koning”.
Die boodschap bracht niet alleen de machtige Ahasveros in pijnlijke verlegenheid, zijn hele rijk dreigde te ontwrichten. “Het antwoord van de koningin zal namelijk alle vrouwen bereiken, zodat ze minachtend zullen neerkijken op hun man en zeggen: Koning Ahasveros zei dat men koningin Vasthi bij hem moest brengen, maar ze kwam niet”, aldus zijn raadgever (vs. 17). Je zou het de eerste druppel ironie kunnen noemen.

Esther, de Joodse koningin

Koningin Vasthi wordt vervangen door koningin Esther, de Joodse Hadassa. Maar dat laatste had ze op aandringen van Mordechai verhuld. Dan komt Haman in het verhaal ten tonele, wiens zetel boven al de vorsten is verheven en voor wie alle dienaren van de koning in het stof neerbuigen. Behalve Mordechai, die overigens zijn Jood-zijn wel had bekendgemaakt. En daarop komt nu de focus in het verhaal. Want de reden waarom Mordechai wordt verraden was “om te zien of de woorden van Mordechai stand zouden houden, want hij had hun verteld dat hij een Jood was” (3:4).
De woede van Haman over Mordechai werd de steen in de vijver: “Maar het was in zijn ogen verachtelijk om alleen aan Mordechai de hand te slaan, want zij hadden hem verteld tot welk volk Mordechai behoorde. En Haman zocht een manier om alle Joden, die in heel het koninkrijk van Ahasveros waren, het volk van Mordechai, weg te vagen” (3:6).

Hoewel Gods naam in de geschiedenis verborgen blijft, komt Zijn spot over Zijn vijanden opnieuw aan de oppervlakte. Precies wanneer Haman in alle vroegte het koninklijk paleis binnenschrijdt om de koning zijn moorddadig plan bekend te maken, heeft deze een slapeloze nacht achter de rug. Wellicht uit verveling moesten zijn lakeien hem uit de kronieken voorlezen. En laat de voorgelezen passage nu precies gaan over Mordechai die een moordaanslag op de koning had verijdeld, maar daarvoor nooit was beloond. Wat? De Jood, wiens doodsvonnis al was getekend door de op een na machtigste man in het Perzische rijk, had het leven van de koning gered? Dat kon toch niet waar zijn?
Omdat Haman op het gebied van ijdelheid een onovertroffen reputatie geniet, mag hij de majesteit van advies dienen. Op de vraag “Wat moet worden gedaan voor de man aan wie het de koning behaagt eer te bewijzen?”, beeldt Haman zich in dat hij als enige ‘prijswinnaar’ is genomineerd. Zijn advies beperkt zich dan ook niet tot een enkel lintje: “men moet het koninklijke gewaad brengen dat de koning gewoon is zelf te dragen, en het paard waarop de koning gewoon is zelf te rijden, en laat een koninklijke diadeem op zijn hoofd gezet worden. En dan moet men dat gewaad en dat paard in handen geven van iemand uit de vorsten van de koning, de edelen. En dan moet men hem aan wie het de koning behaagt eer te bewijzen, hiermee kleden en hem op dat paard doen rijden over het plein van de stad, en voor hem uitroepen: Zo wordt gedaan met de man aan wie het de koning behaagt eer te bewijzen!” (6:8, 9). En dan volgt de verpletterende reactie van de koning: “Haast u, neem het gewaad en het paard, zoals u gesproken hebt, en doe zo met de Jood (!) Mordechai, die in de poort van de koning zit. Laat geen woord vallen van alles wat u hebt gezegd” (6:10). Apart hè? Zijn vrouw en zijn wijzen bereiden hem al fijntjes voor: “Als Mordechai, voor wie u begonnen bent te vallen, uit het geslacht van de Joden is, zult u tegen hem niets kunnen uitrichten, integendeel, u zult zeker voor hem ten val komen” (6:13). Wat begon met een druppel ironie zwelt aan tot een waterval.

Haman ontmaskerd

Heeft Haman nog het blijde vooruitzicht aan het feestmaal met de koning en de koningin te mogen aanzitten, die vreugde wordt bitter verstoord. Terwijl Esther ‘een dis bereidt voor de ogen van wie haar benauwen’, wordt de Jodenhater Haman feilloos ontmaskerd.
Het hoge woord komt er bij Esther uit: “Wij zijn verkocht, ik en mijn volk, om te worden weggevaagd, gedood en omgebracht …” (7:4). Waarop de koning verontwaardigd vraagt: “Wie is hij en waar is hij die zijn hart vervuld heeft om zo te handelen?” (7:5).
Resoluut steekt Esther nu haar vinger uit naar Haman: “De man, de tegenstander en vijand, is deze slechte Haman” (7:6). Briesend van woede verlaat de koning de zaal om bij zijn terugkeer Haman, smekend om genade, op een foute plek aan te treffen: het rustbed van Esther! “Zou hij ook nog de koningin in huis aanranden in mijn bijzijn?”, reageert de koning ontzet. Hamans vonnis is getekend. Zijn glansrijke carrière eindigt aan de galg die hij voor Mordechai had laten oprichten. Tja, Die in de hemel woont, zal lachen, de Heere zal hen bespotten (Ps. 2:4).



Staatsantisemitme

Het Poerim-verhaal krijgt ook in Iran, het oude Perzië, aandacht. Volgens de ayatollahs vieren de Joden dan een ‘holocaust’ op ruim 75.000 Iraanse voorouders. Want na de val van Haman hebben de Joden op één dag al hun vijanden gedood. Dit is precies de tegenovergestelde versie van de Joodse viering, waar wordt herdacht hoe de Joden zijn ontkomen aan een massale moordpartij.
Enige jaren geleden zijn de graftombes van Esther en Mordechai in de stad Hamadan in Iran ontdaan van hun pelgrimsstatus. Hierdoor verdween het religieus en toeristisch belang, maar ook de bescherming van de autoriteiten. Los van de vraag of Esther en Mordechai er echt zijn begraven, is het besluit pijnlijk voor de Iraanse Joden.
Over de diepte van het Iraanse staatsantisemitisme bestaat geen enkele twijfel. Heel illustratief is hun opsomming van vijf categorieën van vijanden van de islam. De Joden staan op nummer 2.


Meer van zulke artikelen lezen?

Neem voor slechts € 12,50 p.j. een abonnement op IB Magazine. Het magazine bevat o.a. getuigenissen van Messiaanse Joden, interessante Bijbelstudies, nieuws, verhalen van de Bijbelverspreiding en achtergrondartikelen. Of abonneer u gratis op onze digitale nieuwsbrief.

Gratis nieuwsbrief IB Magazine

Sluiten