Openbaring en de dag des Heeren

Profetisch Woord | Nieuw Testament Tekst, Ton Stier

Er bestaat veel verwarring over het begrip ‘dag des Heeren’, de dag waarop Johannes zich in de geest bevond (Opb. 1:10). Sommigen menen dat het hier gaat om de zondag, de eerste dag van de week, oftewel Christus’ opstandingdag.
In het Nieuwe Testament wordt de opstandingsdag echter nergens ‘dag des Heeren’ genoemd, maar consequent de eerste dag van de week (Matth. 28:1; Mark. 16:2,9; Luk. 24:1; Joh. 20:1,19; Hand. 20:7; 1 Kor.16:2).
De dag des Heeren is een aanduiding voor een specifieke periode van Gods heilsplan, waarin de Heere Zijn stilzwijgen doorbreekt en rechtstreeks ingrijpt op het wereldgebeuren. Nadat Johannes schrijft: “Ik was in de geest op de dag des Heeren” vervolgt hij meteen met: “en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin, die zei: Ik ben de Alfa en de Omega..” (1:10-11).
Heel het boek Openbaring moeten we dan ook lezen in de context van de dag des Heeren. Het zijn “woorden van profetie”, waarvan de vervulling nabij is (1:3) en die spoedig moeten geschieden (1:1). Misschien denken we dat die spoed wel meevalt, omdat we inmiddels al bijna 2000 jaar verder in de tijd zijn. Maar let wel, de ontwikkelingen die in Openbaring worden beschreven moeten we zien vanuit het perspectief waarin Johannes ze zag: de dag des Heeren. In die tijd zullen geestelijke en fysieke ontwikkelingen elkaar steeds sneller opvolgen. De tijd zal volgens Jezus’ eindtijdrede zelfs ingekort worden omwille van de uitverkorenen (Matt. 24:22).

Dat Openbaring uitsluitend toekomstige gebeurtenissen beschrijft, herleiden we primair op het feit dat Johannes zich bevond op de dag des Heeren. Maar er zijn veel meer argumenten die dat ondersteunen. Spreekt Paulus bijvoorbeeld nog over het verborgen zijn van Christus in God (Kol. 3:3), Johannes daarentegen ziet Christus in Zijn volle heerlijkheid als ‘Zoon des mensen’ (1:13). Een titel die staat voor Christus’ positie als Heerser en Rechter, zoals ook blijkt uit Zijn ander titel ‘Vorst van de koningen der aarde’ (1:5). Maar het blijkt ook uit Zijn verschijningsvorm: “gekleed in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel; en Zijn hoofd en haar waren wit, als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen waren als een vuurvlam, en Zijn voeten waren als blinkend koper, gloeiend gemaakt in een oven, en Zijn stem klonk als het geluid van vele wateren … met uit Zijn mond een tweesnijdend scherp zwaard … en Zijn gezicht was zoals de Zon schijnt in haar kracht” (Opb. 1:13-16). Een beschrijving die overigens naadloos aansluit op Daniëls profetie over de Mensenzoon “aan Wie werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan” (Dan. 7:13-14). Bij het zien van die overweldigende heerlijkheid valt Johannes dan ook “als dood aan Zijn voeten” (1:17, vgl. Ezech. 1:28; Dan. 10:5, 6, 8-14). Het is als het ware een voorproef van het grote moment, waarin het boek Openbaring uitmondt: “Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben. En alle stammen van de aarde zullen rouw over Hem bedrijven. Ja, amen” (1:7).

Dag van de mens

Tegenover ‘de dag des Heeren’ staat ‘de dag van de mens’. Zo waarschuwt Paulus de Korinthiërs dat het oordeel over elkaar de Heere toekomt, en schrijft dan: “Maar het betekent zeer weinig voor mij dat ik door u beoordeeld word of door enig menselijk oordeel …” (1 Kor. 4:3). In plaats ‘enig menselijk oordeel’ staat er letterlijk ‘in een dag van de mens’. Het is de aanduiding voor de tijd waarin wij leven, die gekenmerkt wordt door menselijk handelen op basis van menselijke inzichten, normen en waarden. Vandaar zijn vermaning: “Oordeel daarom niets vóór de tijd, totdat de Heere komt. Hij zal ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht brengen, en de voornemens van het hart openbaar maken. En dan zal ieder van God lof ontvangen” (1 Kor. 4:5).

Tekstplaatsen

In het Oude Testament vinden de letterlijke uitdrukking ‘dag des HEEREN’ in de volgende teksten, die ook tegelijk de ernst van die dag, die overigens langer duurt dan 24 uur, beschrijven:
Jesaja 13:6
Ezechiël 13:5; 30:3
Joël 1:15; 2:1, 11, 31; 3:14
Amos 5:18
Obadja 15
Zefanja 1:7, 14, 14
Maleachi 4:5.

In het Nieuwe Testament vinden we ‘de dag des Heeren’ in de volgende teksten:
1 Thessalonicenzen 5:2
2 Thessalonicenzen 2:2 (hoewel de S.V. en de H.S.V. hier ‘de dag van Christus’ geven, is het op grond van Griekse teksten voor de hand liggender dat het ‘de dag des Heeren’ moet zijn, zoals we de NBG 51 weergeeft.
2 Petrus 3:10
Openbaring 1:10.

In 1 Thessalonicenzen 5:2, 2 Thessalonicenzen 2:2 en 2 Petrus 3:10 lezen we in het Grieks: hemera kuriou, letterlijk: dag des Heeren.
In Openbaring 1:10 staat: Kurakei hemerai, letterlijk: ‘des Heeren dag’. Taalkundig is het meer een verschil in klemtoon dan in betekenis:
hemera kuriou: de dag van de Heere
Kurakei hemerai: de DAG van de Heere, waarmee de tegenstelling wordt benadrukt tot anthropines hemeras: ‘de DAG van de mens’, zoals reeds hierboven beschreven.

Sluiten