Orthodoxie en Orthopraxie – (Jodendom en Christendom: Hetzelfde of toch anders? dl. 1)

Jodendom | Overzichtsstudies Tekst, Pieter A. Siebesma

Vraag aan een willekeurige christen wat het verschil is tussen orthodoxe Joden en orthodoxe christenen en zijn eerste reactie zal zijn: Jezus. Dit is natuurlijk juist, maar het is niet het enige verschil. Joden zijn geen ‘minus- Jezus-christenen’. In een aantal artikelen wil ik stilstaan bij essentiële verschillen tussen Joden en christenen, beginnend met het verschil tussen orthopraxie en orthodoxie.

Heel vaak wordt gesteld dat het Jodendom een orthopraxe godsdienst is, en het christendom een orthodoxe godsdienst. Daarmee bedoelt men dat het bij het christelijk geloof gaat om de orthodoxie (de juiste leer) en bij het Jodendom om de orthopraxie (de juiste praktijk of het juiste handelen). Oftewel christenen maken zich veelal druk over de vraag of iemand wel of niet de juiste, rechte leer aanhangt, terwijl voor Joden dit aspect veel minder belangrijk is. Hier bepaalt niet zozeer wat men gelooft of men een vrome Jood is, maar dat men zich houdt aan de voorschriften van de Thora en de mondelinge wet, en daarnaar leeft. Het Jodendom omvat dan ook het gehele leven. Vanaf de geboorte tot aan de dood dient men zich aan de geboden van de Thora en de mondelinge wet te houden. Vandaar dat in beschrijvingen van het Joodse geloof het aspect 'leven met de Thora van de wieg tot het graf ' het meest wordt benadrukt.

Dat dit onderscheid niet helemaal klopt, is duidelijk. Voor orthodoxe christenen is het ook essentieel dat zij behoren te leven en te handelen in overeenstemming met het Nieuwe Testament. Immers geloof zonder daden (aldus de brief van Jakobus) is dood. En evengoed benadrukken orthodoxe Joden het belang van ‘emoena’, dat is het geloof en het vertrouwen op God. Rabbijnen hebben daarover mooie boeken geschreven.

Als student had ik ooit een gesprek met een orthodox Joodse studiegenoot over het verschil tussen ons. Zij zei tegen mij dat ik het als christen veel moeilijker had, want ik moest geloven en zij hoefde alleen maar te doen. Dit is natuurlijk een versimpeling van de waarheid, maar er zit wel een kern van waarheid in. Dat valt vooral op als je populaire boeken met beschrijvingen van het Jodendom inkijkt. Het boek van Lou Evers, Jodendom voor beginners uit 2003, begint in het eerste hoofdstuk met het Joodse leven van alledag. Daarin behandelt hij de 613 mitswot (voorschriften), het koosjere eten, de gebedsriemen, de mezoeza en de voornaamste gebeden, zoals het sjema. In het tweede hoofdstuk beschrijft hij het Joodse leven van de besnijdenis, bar mitswa en choepa (huwelijk) tot aan de dood en begrafenis. In de daaropvolgende hoofdstukken komen de sabbat en de diverse Joodse feesten ter sprake. Er is geen hoofdstuk over wat Joden nu precies geloven.

Ik ken geen boeken over het christelijk geloof die beginnen met de gebeden die een christen behoort te bidden, de viering van de zondag, een beschrijving van het kerstfeest en het paasfeest of met het interieur van het kerkgebouw. Integendeel, men begint nagenoeg altijd met de vraag wat christenen nu precies geloven. Dit geldt ook voor evangelisatieboeken en –brochures. Daarin gaat het primair over Wie Jezus is en wat Hij voor ons heeft gedaan.

Mondelinge Wet

Daarom kun je het voornaamste verschil tussen orthodoxe Joden en orthodoxe christenen ook anders formuleren: Beiden hebben het Oude Testament. Maar voor ons, christenen, is het Nieuwe Testament, dat getuigt van Jezus de Messias en wat Hij voor ons heeft gedaan, erbij gekomen. Wij lezen het Oude Testament door de bril van het Nieuwe Testament. Sommige oudtestamentische passages zoals Jesaja 52 en 53 over de lijdende knecht van de Heere laten we slaan op Jezus de Messias, omdat het Nieuwe Testament dat leert.

Voor Joden is de mondelinge wet erbij gekomen. Wat verstaat men hieronder? Het is het geheel van voorschrif- ten en geboden die men op basis van de Thora heeft ontwikkeld en geformuleerd. Immers de meeste geboden en verboden in de Thora zijn heel beknopt geformuleerd. Veel vragen worden niet besproken. Op sabbat mag bijvoorbeeld geen werk verricht worden, of vuur aangestoken worden. Maar het is niet duidelijk wat daar nu precies wel en niet onder valt. Vandaar dat er in de loop van de tijd een aantal regels werden geformuleerd om op diverse vragen antwoord te geven.

Zo ontstond al ver voor de eerste eeuw naast de schriftelijke wet, zoals beschreven in de eerste vijf boeken van Mozes, de mondelinge wet. Daar waar de schriftelijke wet, de Thora, niet duidelijk was, werd deze geïnterpreteerd of werden er aanvullingen gegeven. Men heeft in totaal 613 voorschriften geformuleerd vanuit de Thora, waarvan 248 geboden (wat men moet doen) en 365 verboden (wat men niet moet doen). Joden hebben de voornaamste van deze mondelinge voorschriften opgenomen in wat men de Misjna noemt.

Letterlijk betekent Misjna in het Hebreeuws ‘herhaling’. Meer dan 120 rabbijnen hebben van 20 tot 200 n.Chr. aan deze verzameling meegewerkt. Tot hen behoorden onder meer Hillel en Sjammaj, Jochanan ben Zakkaj, Gamaliël, aan wiens voeten de apostel Paulus nog heeft gezeten en rabbi Akiba. In ongeveer 200 n.Chr. zijn deze mondeling overgeleverde voorschriften door een zekere Jehoeda haNasi (letterlijk ‘Juda de vorst’), de toenmalige patriarch, het hoofd van de Joodse gemeenschap in Galilea, samengesteld.

De Misjna bevat dan ook een systematische behandeling van de wetten van de Thora, waarbij het niet alleen om de Thora zelf gaat, maar vooral om de mondelinge overleve- ringen die op basis van de Thora zijn ontwikkeld. Later heeft men de Misjna bediscussieerd en becommentari- eerd en dat ook weer opgeschreven. En zo is de Talmoed ontstaan.

Gezag van de mondelinge Wet

De mondelinge wet geeft interpretaties die niet altijd direct uit het Oude Testament zijn af te leiden. Bijvoorbeeld uit het gebod dat men geen bokje mag koken in de melk van de moeder, heeft men geconcludeerd dat je geen melk en vlees gezamenlijk mag eten. Toch mag je als Jood niet zeggen, dit is interpretatie en ik kan het niet duidelijk uit de Schrift halen, dus hoef ik me er niet aan te houden. Dat heeft te maken met het gezag van de mondelinge wet.

Volgens de opvattingen van de rabbijnen is deze mondelinge leer niet ontstaan in de eeuwen voor de jaartelling, maar is ze even oud als de geschreven Thora. God zou deze gelijk met de Thora aan Mozes geopenbaard hebben op de berg Sinaï. Mozes leerde deze mondelinge wet aan Jozua, Jozua aan de oudsten, die ze weer aan de profeten doorgaven en zo van geslacht tot geslacht tot op vandaag. Vandaar dat deze interpretatie een even goddelijk gezag heeft als de schriftelijke Thora en in zekere zin nog meer, omdat zij bepaalt hoe het Oude Testament moet worden uitgelegd. Het gezag van de mondelinge leer bij Joden is wel te vergelijken met het gezag van het Nieuwe Testament bij ons.

Oude Testament

Vaak heeft men het idee dat Joden in tegenstelling tot christenen zich aan de geboden van het Oude Testament moeten houden. Maar dit is slechts ten dele waar. De wet in het Oude Testament gebiedt bijvoorbeeld dat mannen die godslastering spreken gedood dienen te worden. Maar dat gebeurt vandaag de dag niet meer, noch bij de Joden noch bij christenen. Dat komt niet alleen omdat zowel Joden als christenen minderheden zijn, die in een maatschappij leven waarvan de wetten slechts ten dele op Bijbelse principes zijn gebaseerd. Maar ook in de eerste eeuw toen de Joden nog in hun eigen land leefden, gebeurde dat maar zelden.

Wetticisme 

Velen nemen aan dat het Jodendom een wettische godsdienst is. Dat is juist, maar daarbij dien je wel te bedenken dat wetticisme in het Jodendom heel anders functioneert dan onder veel christenen vandaag de dag. Het Jodendom benadert heel sterk de heiligheid van God. In Leviticus 11:44 staat: “Weest heilig, want Ik ben heilig”. Heilig betekent letterlijk “apart gezet”. Hoe kunnen we de heiligheid van God weerspiegelen? Joden benadrukken de heiligheid van God door te leven zoals God van hen vraagt. Dat wil zeggen, door het houden van alle voorschriften en geboden. Dat sommige voorschriften in de ogen van de buitenwereld vreemd of zelfs afstotend kunnen zijn, is niet relevant. God vraagt het, dus moet men het doen.

Ook wij christenen kunnen wettisch leven. In de praktijk gaat het dan vaak om (ongeschreven) regels en voorschriften, die niet duidelijk uit de Bijbel zijn te halen. Echter, dan is het motief niet (altijd) de heiligheid van God, maar veeleer vanuit een angst voor God en Zijn oordeel. Of vanuit een onzekerheid over hoe Hij over ons denkt. Soms denken we ook dat we onze verlossing kunnen verdienen door ons aan Zijn regels te houden. Joden daarentegen zitten veel minder met de vraag of ze wel of niet behouden zijn. Ik heb ooit eens deze vraag gesteld aan Joodse studenten en toen keken ze me heel verbaasd aan, alsof ze nog nooit over deze vraag hadden nagedacht. Natuurlijk geldt dit niet voor iedereen, maar ik vond het wel opvallend.

 

Sluiten